Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:1410
2025-01-08
Bestuursrecht
C/15/360622 / KG RK 25/5
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Verzoekster heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is. Uit wat verzoekster wel heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daarbij is van belang dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing of de motivering daarvan als zodanig geen grond kan vormen voor wraking.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.905 tekens)
beslissing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/360622 / KG RK 25/5
Beslissing van 8 januari 2025
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster],
wonende te Hoorn,
verzoekster dan wel [verzoekster].
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.J. Maarleveld,
hierna te noemen: de rechter.
1Procesverloop
1.1
Verzoekster heeft op 23 december 2024 de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Bestuursrecht Algemeen en Belasting zittingsplaats Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer HAA 24 / 6495 WPG, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van dit verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De uitgangspunten
2.1
Verzoekster heeft op 27 juni 2024 bij de korpschef van politie (de politiechef van de eenheid Noord-Holland) inzage verzocht van politiegegevens die over haar zijn verwerkt, ontvangen en geregistreerd onder het kenmerk 2024-0035292. Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft de korpschef van politie het verzoek van [verzoekster] afgewezen.
2.2
Op 4 oktober 2024 heeft [verzoekster] beroep ingesteld van de beslissing van de korpschef. Het beroep is geregistreerd met zaaknummer HAA 24 / 6495 WPG. Op 4 november 2024 heeft [verzoekster] haar beroepschrift aangevuld.
2.3
De rechtbank heeft bij brief van 14 november 2024 de korpschef verzocht de in die brief genoemde stukken in te dienen. De korpschef heeft de bedoelde stukken bij brief van 10 december 2024 aan de rechtbank toegezonden.
2.4
De rechtbank heeft bij brief van 16 december 2024 aan [verzoekster] een aantal stukken doorgestuurd die zij van de korpschef heeft ontvangen. In die brief vermeldt de rechtbank verder aan [verzoekster]:
“De korpschef heeft daarnaast ook stukken ingediend met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat wil zeggen dat deze stukken volgens de korpschef niet aan u mogen worden toegestuurd. Het gaat daarbij om de stukken waarin u inzage heeft gekregen, maar ook om de stukken met de gegevens, die de korpschef niet (volledig) aan u ter inzage heeft gegeven.
De rechtbank kan de stukken met de gegevens die u niet kent alleen bij de beoordeling van het beroep betrekken als u daarvoor toestemming verleent. Ik wijs u erop dat het ook in uw nadeel kan zijn als de rechtbank deze stukken niet mag gebruiken bij haar beoordeling.
Ik verzoek u
binnen twee weken
na de datum van verzending van deze brief aan mij te berichten of u de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die u niet kent, te gebruiken bij de beoordeling van uw beroep.”
2.5.
Op 23 december 2024 heeft [verzoekster] het wrakingsverzoek ingediend. Zij voert daarbij het volgende aan:
“Uit uw brief d.d. 16 november jl. (de wrakingskamer begrijpt: 16 december jl.) blijkt een kennelijke vooringenomenheid/partijdigheid in die zin dat u opzettelijk verzuimd heeft het art 8:29 Awb verzoek (eerst) te beoordelen of er sprake is van gewichtige redenen” die een uitzondering op het recht van een partij op gelijke stukken/kansen rechtvaardigen.
Kennelijk heeft u direct (zonder afweging van de belangen) beslist dat er sprake is van een gewichtige reden, zonder nadere motivatie of onderbouwing.
U dwingt mij vervolgens toestemming te verlenen de stukken te gebruiken in de bestuursrechtelijke procedure, zonder dat ik weet om welke soort (de aard van de) stukken het gaat en waarom ik geen recht zou hebben op inzage in de stukken uit de verdeling (woning en percelen). U beschikt zelf over de stukken (E-archief), maar de rechtspraak/griffie weigert al jaren deze aan mij beschikbaar te stellen. Wat moet ik dan nu van u verwachten? Als u een van belang zijnde stuk van de politie zou willen gebruiken in de beoordeling van het beroep, dan had u dat jaren geleden in eerdere procedures al kunnen doen. Daar heeft geen hond wat meegedaan. Ik heb gvd 7 dgn vastgezeten in HvB te Utrecht.
Bovenstaande (impliciete) beslissingen zijn dusdanig onbegrijpelijk dat deze niet anders kan worden gezien als grove partijdigheid.
Ik wraak u.”
2.6.
In aanvulling op haar verzoek van 23 december 2024 heeft [verzoekster] op 2 januari 2025 aan de wrakingskamer geschreven:
“In opgemelde zaken heb ik d.d. 23 december 2024 de behandeld bestuursrechter (mr. J.J.Maarleveld) gewraakt, maar vandaag heb ik van dezelfde rechter een uitspraak in verzet ontvangen d.d. 27 december 2024( beroep niet-ontvankelijk) in zaaknummer HAA 24/6497.
Ik verzoek u deze rechtshandeling van de gewraakte rechter mee te wegen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek, ook de formuleringen in de uitspraak (het denigrerende “volgens haar kennelijk” ipv volgens eiseres) en het volledig ontbreken van een motivering in de beslissing op verzet.”
2.7.
In haar aanvulling op het wrakingsverzoek verwijst [verzoekster] naar een uitspraak van 27 december 2024 in een beroepsprocedure (geregistreerd onder zaaknummer HAA 24/6497) van [verzoekster] tegen een beslissing van de korpschef van 3 september 2024. De rechter heeft in die zaak uitspraak gedaan en het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd, omdat [verzoekster] het griffierecht in die zaak niet tijdig heeft betaald.
3De beoordeling
3.1
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen, omdat het kennelijk ongegrond is. Hierbij neemt de wrakingskamer tot uitgangspunt dat wraking van een rechter alleen aan de orde is indien, kort samengevat, de rechter (i) jegens een partij een vooringenomenheid koestert of (ii) wanneer de (objectieve) schijn van partijdigheid gewekt is.
3.2
In deze zaak is van beide gevallen geen sprake.
3.3
[verzoekster] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de rechter jegens [verzoekster] vooringenomen is.
3.4
Uit wat [verzoekster] wel heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daarbij is van belang dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing of de motivering daarvan als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het enkele feit dat de rechter een voor een partij negatieve (proces)beslissing neemt, levert geen grond voor wraking op. Dat is vaste rechtspraak sinds het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Die uitzondering doet zich in deze zaak niet voor.
3.5
Artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de (bestuurs)rechter de bevoegdheid te beslissen dat er gewichtige redenen zijn om te beslissen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van bepaalde stukken. Van die bevoegdheid heeft de rechter in dit geval gebruik gemaakt. Dat is een processuele beslissing en daaruit kan niet (objectief) worden afgeleid dat de rechter partijdig is. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat de rechter zijn beslissing niet inhoudelijk heeft gemotiveerd.
3.6
Dat de rechtbank [verzoekster] heeft gevraagd mee te delen of zij de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die zij niet kent, te gebruiken bij de beoordeling van haar beroep, volgt uit artikel 8:29 lid 5 Awb. Daarin is bepaald dat, indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak kan doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer (rechter). Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de gevolgen van de weigering toestemming te verlenen voor rekening van de weigerende partij komen. Gelet hierop heeft de rechtbank [verzoekster] erop gewezen dat het in haar nadeel kan zijn als de rechtbank deze stukken niet mag gebruiken bij haar beoordeling.
3.7
Aanvullend heeft [verzoekster] aangevoerd dat de rechter, nadat zij het wrakingsverzoek in deze zaak had gedaan, nog in een andere zaak van haar uitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer overweegt hierover dat de wraking er slechts toe leidt dat de behandeling van de zaak waarin is gewraakt wordt geschorst. Andere zaken dus niet. De uitspraak in die andere zaak geeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter. De uitspraak van 27 december 2024 is deugdelijk gemotiveerd ([verzoekster] heeft het griffierecht niet tijdig betaald) en bevat ook geen bewoordingen die redelijkerwijs als denigrerend kunnen worden beschouwd.
3.8
De slotsom is dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
4Beslissing
De rechtbank
4.1
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond,
4.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de partij(en) in de hoofdzaak een eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. D.DM. Hazeu en mr. N.M.L. Rogmans, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/360622 / KG RK 25/5
Beslissing van 8 januari 2025
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster],
wonende te Hoorn,
verzoekster dan wel [verzoekster].
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.J. Maarleveld,
hierna te noemen: de rechter.
1Procesverloop
1.1
Verzoekster heeft op 23 december 2024 de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Bestuursrecht Algemeen en Belasting zittingsplaats Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer HAA 24 / 6495 WPG, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van dit verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De uitgangspunten
2.1
Verzoekster heeft op 27 juni 2024 bij de korpschef van politie (de politiechef van de eenheid Noord-Holland) inzage verzocht van politiegegevens die over haar zijn verwerkt, ontvangen en geregistreerd onder het kenmerk 2024-0035292. Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft de korpschef van politie het verzoek van [verzoekster] afgewezen.
2.2
Op 4 oktober 2024 heeft [verzoekster] beroep ingesteld van de beslissing van de korpschef. Het beroep is geregistreerd met zaaknummer HAA 24 / 6495 WPG. Op 4 november 2024 heeft [verzoekster] haar beroepschrift aangevuld.
2.3
De rechtbank heeft bij brief van 14 november 2024 de korpschef verzocht de in die brief genoemde stukken in te dienen. De korpschef heeft de bedoelde stukken bij brief van 10 december 2024 aan de rechtbank toegezonden.
2.4
De rechtbank heeft bij brief van 16 december 2024 aan [verzoekster] een aantal stukken doorgestuurd die zij van de korpschef heeft ontvangen. In die brief vermeldt de rechtbank verder aan [verzoekster]:
“De korpschef heeft daarnaast ook stukken ingediend met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat wil zeggen dat deze stukken volgens de korpschef niet aan u mogen worden toegestuurd. Het gaat daarbij om de stukken waarin u inzage heeft gekregen, maar ook om de stukken met de gegevens, die de korpschef niet (volledig) aan u ter inzage heeft gegeven.
De rechtbank kan de stukken met de gegevens die u niet kent alleen bij de beoordeling van het beroep betrekken als u daarvoor toestemming verleent. Ik wijs u erop dat het ook in uw nadeel kan zijn als de rechtbank deze stukken niet mag gebruiken bij haar beoordeling.
Ik verzoek u
binnen twee weken
na de datum van verzending van deze brief aan mij te berichten of u de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die u niet kent, te gebruiken bij de beoordeling van uw beroep.”
2.5.
Op 23 december 2024 heeft [verzoekster] het wrakingsverzoek ingediend. Zij voert daarbij het volgende aan:
“Uit uw brief d.d. 16 november jl. (de wrakingskamer begrijpt: 16 december jl.) blijkt een kennelijke vooringenomenheid/partijdigheid in die zin dat u opzettelijk verzuimd heeft het art 8:29 Awb verzoek (eerst) te beoordelen of er sprake is van gewichtige redenen” die een uitzondering op het recht van een partij op gelijke stukken/kansen rechtvaardigen.
Kennelijk heeft u direct (zonder afweging van de belangen) beslist dat er sprake is van een gewichtige reden, zonder nadere motivatie of onderbouwing.
U dwingt mij vervolgens toestemming te verlenen de stukken te gebruiken in de bestuursrechtelijke procedure, zonder dat ik weet om welke soort (de aard van de) stukken het gaat en waarom ik geen recht zou hebben op inzage in de stukken uit de verdeling (woning en percelen). U beschikt zelf over de stukken (E-archief), maar de rechtspraak/griffie weigert al jaren deze aan mij beschikbaar te stellen. Wat moet ik dan nu van u verwachten? Als u een van belang zijnde stuk van de politie zou willen gebruiken in de beoordeling van het beroep, dan had u dat jaren geleden in eerdere procedures al kunnen doen. Daar heeft geen hond wat meegedaan. Ik heb gvd 7 dgn vastgezeten in HvB te Utrecht.
Bovenstaande (impliciete) beslissingen zijn dusdanig onbegrijpelijk dat deze niet anders kan worden gezien als grove partijdigheid.
Ik wraak u.”
2.6.
In aanvulling op haar verzoek van 23 december 2024 heeft [verzoekster] op 2 januari 2025 aan de wrakingskamer geschreven:
“In opgemelde zaken heb ik d.d. 23 december 2024 de behandeld bestuursrechter (mr. J.J.Maarleveld) gewraakt, maar vandaag heb ik van dezelfde rechter een uitspraak in verzet ontvangen d.d. 27 december 2024( beroep niet-ontvankelijk) in zaaknummer HAA 24/6497.
Ik verzoek u deze rechtshandeling van de gewraakte rechter mee te wegen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek, ook de formuleringen in de uitspraak (het denigrerende “volgens haar kennelijk” ipv volgens eiseres) en het volledig ontbreken van een motivering in de beslissing op verzet.”
2.7.
In haar aanvulling op het wrakingsverzoek verwijst [verzoekster] naar een uitspraak van 27 december 2024 in een beroepsprocedure (geregistreerd onder zaaknummer HAA 24/6497) van [verzoekster] tegen een beslissing van de korpschef van 3 september 2024. De rechter heeft in die zaak uitspraak gedaan en het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd, omdat [verzoekster] het griffierecht in die zaak niet tijdig heeft betaald.
3De beoordeling
3.1
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen, omdat het kennelijk ongegrond is. Hierbij neemt de wrakingskamer tot uitgangspunt dat wraking van een rechter alleen aan de orde is indien, kort samengevat, de rechter (i) jegens een partij een vooringenomenheid koestert of (ii) wanneer de (objectieve) schijn van partijdigheid gewekt is.
3.2
In deze zaak is van beide gevallen geen sprake.
3.3
[verzoekster] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de rechter jegens [verzoekster] vooringenomen is.
3.4
Uit wat [verzoekster] wel heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daarbij is van belang dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing of de motivering daarvan als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het enkele feit dat de rechter een voor een partij negatieve (proces)beslissing neemt, levert geen grond voor wraking op. Dat is vaste rechtspraak sinds het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Die uitzondering doet zich in deze zaak niet voor.
3.5
Artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de (bestuurs)rechter de bevoegdheid te beslissen dat er gewichtige redenen zijn om te beslissen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van bepaalde stukken. Van die bevoegdheid heeft de rechter in dit geval gebruik gemaakt. Dat is een processuele beslissing en daaruit kan niet (objectief) worden afgeleid dat de rechter partijdig is. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat de rechter zijn beslissing niet inhoudelijk heeft gemotiveerd.
3.6
Dat de rechtbank [verzoekster] heeft gevraagd mee te delen of zij de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die zij niet kent, te gebruiken bij de beoordeling van haar beroep, volgt uit artikel 8:29 lid 5 Awb. Daarin is bepaald dat, indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak kan doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer (rechter). Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de gevolgen van de weigering toestemming te verlenen voor rekening van de weigerende partij komen. Gelet hierop heeft de rechtbank [verzoekster] erop gewezen dat het in haar nadeel kan zijn als de rechtbank deze stukken niet mag gebruiken bij haar beoordeling.
3.7
Aanvullend heeft [verzoekster] aangevoerd dat de rechter, nadat zij het wrakingsverzoek in deze zaak had gedaan, nog in een andere zaak van haar uitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer overweegt hierover dat de wraking er slechts toe leidt dat de behandeling van de zaak waarin is gewraakt wordt geschorst. Andere zaken dus niet. De uitspraak in die andere zaak geeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter. De uitspraak van 27 december 2024 is deugdelijk gemotiveerd ([verzoekster] heeft het griffierecht niet tijdig betaald) en bevat ook geen bewoordingen die redelijkerwijs als denigrerend kunnen worden beschouwd.
3.8
De slotsom is dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
4Beslissing
De rechtbank
4.1
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond,
4.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de partij(en) in de hoofdzaak een eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. D.DM. Hazeu en mr. N.M.L. Rogmans, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.