Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:12615
2025-10-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/360172 / FA RK 24-6384
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Na uitspreken echtscheiding, maar voor inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, is de man overleden. Nu er geen sprake is of kan zijn van een echtscheiding, kan de rechtbank ook geen nevenvoorzieningen treffen. Partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.490 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummers / rekestnummers: C/15/360172 / FA RK 24-6384 en C/15/363852 / FA RK 25-1744
Beschikking d.d. 30 oktober 2025 betreffende de (nevenvoorzieningen bij) echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
overleden op [overlijdensdatum] in de gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.F. Wolters, gevestigd te Alkmaar,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.J. van Lingen, gevestigd te Alkmaar.
1De verdere procedure
1.1.
In deze zaak heeft de rechtbank eerder een beschikking gegeven op 2 juli 2025. De rechtbank heeft in deze beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing op de overige verzoeken aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen mr. E.F. Wolters en de vrouw, bijgestaan door mr. M.J. van Lingen.
2De verdere beoordeling
2.1.
Partijen hebben beiden verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De rechtbank heeft op verzoek van de man, vanwege zijn ziekte met nog een beperkte levensverwachting, deze beslissing op voorhand gegeven en de beslissing op de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden. De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 2 juli 2025.
2.2.
De man is op [overlijdensdatum] overleden. Op dat moment was de echtscheiding tussen partijen nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk van partijen is daardoor geëindigd door het overlijden van de man.
2.3.
Nu de echtscheiding niet tot stand is gekomen en dit ook niet meer mogelijk is, kunnen er naar het oordeel van de rechtbank ook geen nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden getroffen. De rechtbank zal partijen om die reden niet-ontvankelijk verklaren in hun resterende verzoeken.
2.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. De vrouw heeft zich ter zitting bereid verklaard om met de erven van de man in overleg te treden over een minnelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank hoopt dat de erven van de man hiertoe ook bereid zijn.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter, mr. W.P. van der Haak en mr. R.M. van Diepen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 30 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummers / rekestnummers: C/15/360172 / FA RK 24-6384 en C/15/363852 / FA RK 25-1744
Beschikking d.d. 30 oktober 2025 betreffende de (nevenvoorzieningen bij) echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
overleden op [overlijdensdatum] in de gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.F. Wolters, gevestigd te Alkmaar,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.J. van Lingen, gevestigd te Alkmaar.
1De verdere procedure
1.1.
In deze zaak heeft de rechtbank eerder een beschikking gegeven op 2 juli 2025. De rechtbank heeft in deze beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing op de overige verzoeken aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen mr. E.F. Wolters en de vrouw, bijgestaan door mr. M.J. van Lingen.
2De verdere beoordeling
2.1.
Partijen hebben beiden verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De rechtbank heeft op verzoek van de man, vanwege zijn ziekte met nog een beperkte levensverwachting, deze beslissing op voorhand gegeven en de beslissing op de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden. De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 2 juli 2025.
2.2.
De man is op [overlijdensdatum] overleden. Op dat moment was de echtscheiding tussen partijen nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk van partijen is daardoor geëindigd door het overlijden van de man.
2.3.
Nu de echtscheiding niet tot stand is gekomen en dit ook niet meer mogelijk is, kunnen er naar het oordeel van de rechtbank ook geen nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden getroffen. De rechtbank zal partijen om die reden niet-ontvankelijk verklaren in hun resterende verzoeken.
2.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. De vrouw heeft zich ter zitting bereid verklaard om met de erven van de man in overleg te treden over een minnelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank hoopt dat de erven van de man hiertoe ook bereid zijn.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter, mr. W.P. van der Haak en mr. R.M. van Diepen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 30 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.