Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1245

2025-02-05 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11356233 \ CV EXPL 24-3427
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2025-02-05
Publicatiedatum
2025-02-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11356233 \ CV EXPL 24-3427
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

grondslag vordering betreft tussen partijen gemaakte afspraak, geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.665 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: 11356233 \ CV EXPL 24-3427 TB




Vonnis van 5 februari 2025




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: K.W.A. van der Meer,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 oktober 2024
- het mondelinge antwoord van 23 oktober 2024
- het tussenvonnis van 6 november 2024
- de overlegging van aanvullende producties door [eiser] van 30 december 2024
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] en haar gemachtigde zijn op die zitting verschenen. [gedaagde] is niet verschenen.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke is geëindigd in 2023.



2.2.

[eiser] en [gedaagde] zijn vanaf september 2020 de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: de woning) gaan huren.



2.3.
Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding van 20 september 2023 (hierna: het kort gedingvonnis) is de woning aan [eiser] toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.366,05 (bestaande uit hoofdsom € 4.620,28, rente € 130,25 en buitengerechtelijke incassokosten € 615,52), vermeerderd met rente en kosten.



3.2.

[gedaagde] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] een bedrag van € 4.620,25 moet vergoeden aan [eiser] voor door [eiser] betaalde woonkosten voor de woning.



4.2.

[eiser] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij in de periode van mei tot en met oktober 2023 niet in de woning heeft kunnen wonen, maar zij wel de volledige woonkosten (vaste lasten) over die periode heeft betaald. [gedaagde] heeft in die periode wel het woongenot van de woning gehad, maar heeft in die periode geen woonkosten betaald. Daarom moet hij de volledige woonkosten van € 4.620,25 die [eiser] heeft betaald vergoeden.



4.3.

[gedaagde] stelt in dit verband dat [eiser] in de woning had kunnen blijven maar dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast heeft zij ook een aantal nachten in de woning verbleven. [eiser] en [gedaagde] hebben ook samen aan de auto betaald. Om die redenen klopt de hoogte van de vordering niet.



4.4.
Artikel 6:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.



4.5.
Voor zover [eiser] een beroep doet op ongerechtvaardigde verrijking, faalt dit. Als uitgegaan wordt van een verrijking van [gedaagde] en een verarming van [eiser] – wat door [gedaagde] is weersproken – geldt dat deze verrijking haar grondslag vindt in een tussen [eiser] en [gedaagde] gemaakte afspraak. [eiser] heeft ter zitting namelijk verklaard dat partijen ten aanzien van de vaste lasten een afspraak hadden gemaakt om deze te delen. [gedaagde] heeft deze afspraak niet weersproken, zodat de kantonrechter deze afspraak als uitgangspunt neemt. Dat [eiser] in de periode van mei tot en met oktober 2023 bij haar moeder is verbleven en niet in de woning, brengt niet met zich mee dat een van partijen daardoor niet gehouden kan worden aan de afspraak en de consequenties van deze afspraak. Niet gesteld of gebleken is dat partijen destijds een andere afspraak hebben gemaakt ten aanzien van de verdeling van de kosten voor de woning. Er ligt dan ook een afspraak aan de verdeling van de kosten ten grondslag, zodat er daarom geen sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking.



4.6.

[eiser] heeft zich tijdens haar verblijf bij haar moeder gehouden aan de afspraak en haar deel van de vaste lasten betaald. Na vertrek van [gedaagde] uit de woning heeft zij de achterstand die op dat moment bestond betaald. Gelet op de afspraak tussen partijen komt een deel van de vaste lasten voor rekening van [gedaagde] . [eiser] heeft in de periode van mei tot en met oktober 2023 totaal € 5.560,02 betaald. De afspraak is dat partijen de kosten delen zodat € 2.780,01 van de vaste lasten voor rekening van [gedaagde] komt. [eiser] heeft een overzicht in het geding gebracht waarin is opgenomen dat [gedaagde] een bedrag van € 939,74‬ daarvan heeft betaald, zodat een door [gedaagde] nog te betalen bedrag resteert van € 1.840,27.



4.7.
De conclusie is dat de vordering voor een bedrag van € 1.840,27 zal worden toegewezen. [eiser] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met contractuele- of wettelijke (handels)rente vanaf 7 mei 2024. Uit het lichaam van de dagvaarding maakt de kantonrechter op dat [eiser] heeft bedoeld de wettelijke rente over de hoofdsom te vorderen. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen over de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld, zoals hierna zal worden vermeld.



4.8.
Gelet op het voorgaande, behoeven de overige verweren van [gedaagde] geen bespreking meer.



4.9.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. De kantonrechter wijst daarom € 276,04 toe.



4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.116,31‬, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.840,27, met ingang van 7 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.