Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2025:10445

2025-09-16 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 24/3393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2025-09-16
Publicatiedatum
2025-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 24/3393
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich tegen de afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning ter splitsing van een woning. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aanvraag op onjuiste wijze is beoordeeld, maar dat de afwijzing desondanks in stand kan blijven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.080 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 24/3393


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Hillegom, eiser
(gemachtigde: mr.ir. M.W. van Genderen),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de weigering van eisers aanvraag van 18 september 2023 om een omgevingsvergunning ter splitsing van het pand aan de [adres] in Zaandam van een bestaande woning naar appartementen en ter wijziging van de reeds vergunde brandcompartimentering. Eiser is het niet eens met de weigering van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat zijn aanvraag onjuist is beoordeeld, maar dat de weigering van de aanvraag desondanks in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop


2. Met het primaire van 6 december 2023 heeft het college eisers aanvraag geweigerd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college de weigering gehandhaafd.



2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de heer [naam 1] en de gemachtigde van het college, vergezeld door de heer [naam 2] en mevrouw mr. [naam 3] .




Overwegingen



Overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet



3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 september 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het primaire besluit is eisers aanvraag geweigerd. Het college heeft daarbij overwogen dat het splitsen van het pand tot vijf appartementen in strijd is met het Paraplubestemmingsplan Woningsplitsing, Kamerverhuur en Toeristische verhuur (hierna: het Paraplubestemmingsplan) en met het Parapluplan Parkeren Zaanstad (hierna: het Parapluplan). Volgens artikel 4.1 van het Parapluplan kan een bouwvergunning pas verleend worden als voldaan is aan de normen uit de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016 (hierna: de Uitvoeringsnota). Aan die normen moet ook worden voldaan om op grond van artikel 5.1 van het Paraplubestemmingsplan af te wijken van de regel dat het niet is toegestaan om een zelfstandige woning om te zetten naar meer dan twee onzelfstandige woonruimten, wat hier aan de orde is. In dit geval wordt echter niet voldaan aan de normen uit de Uitvoeringsnota omdat het bouwplan niet voorziet in parkeervoorzieningen voor de toegenomen parkeerbehoefte. De aanvraag wordt in strijd geacht met de eisen van een goede ruimtelijke ordening nu niet voldaan is aan deze parkeereis.
5. De bezwaren van eiser tegen het primaire besluit, hebben niet geleid tot een ander oordeel. Zodoende is de weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Beoordeling van het beroep
6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college zijn aanvraag onjuist omschrijft. Dit heeft geleid tot een onjuiste beoordeling. Gekozen is om het pand in twee fasen te splitsen. Eerder is al een vergunning verleend om de oorspronkelijke woning te splitsen naar drie appartementen. Eiser wil met zijn onderhavige aanvraag een verdere splitsing van drie naar vijf appartementen realiseren. Het college neemt als uitgangspunt de oorspronkelijke woning en dat klopt niet. Nergens is vastgelegd dat een dubbele splitsing in strijd is met de regelgeving en ook blijkt nergens uit dat een tweede splitsing pas kan plaatsvinden na volledige realisatie van een eerdere splitsing.
7. Volgens het college is het uitgangspunt voor de onderhavige aanvraag de situatie van één woning. De vergunde splitsing tot drie appartementen was namelijk nog niet uitgevoerd toen de onderhavige aanvraag werd ingediend. Bovendien ziet de onderhavige aanvraag niet op het splitsen van één vergund appartement in kleinere appartementen, maar op een volledige herindeling van het pand.
8. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag onjuist is beoordeeld. Het is vaste rechtspraak dat het college de aanvraag moet beoordelen aan de hand van de bij de aanvraag gevoegde gegevens en stukken en niet aan de hand van hoe het bouwplan daadwerkelijk is of wordt uitgevoerd. Voor zover de feitelijke situatie afwijkt van de bouwtekeningen, is die situatie geen onderdeel van de aanvraag. De situatie op de bouwtekeningen bij de aanvraag betreft de situatie van de drie eerder vergunde appartementen. Eiser heeft bovendien toegelicht dat hij met zijn aanvraag niet heeft beoogd om de al verleende vergunning voor die drie appartementen te wijzigen. Dit betekent dat het college de situatie van drie appartementen als uitgangspunt had moeten nemen bij de beoordeling. De situatie van de oorspronkelijke woning was geen onderdeel van de aanvraag, en het college kon die situatie dus niet als uitgangspunt nemen. Omdat het college dit wel heeft gedaan, zowel bij het primaire besluit als bij het bestreden besluit, is de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
9. Het beroep is gegrond gelet op het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit desondanks in stand kunnen blijven.
10. Voor zover het college in het bestreden besluit heeft willen betogen dat een tweede splitsing na de eerder in 2023 vergunde splitsing niet mogelijk is, volgt de rechtbank dit betoog niet. Niet valt in te zien dat enkel ‘bestaande bebouwing’ met ‘bestaand gebruik’, wat verwijst naar de bebouwing en het gebruik dat legaal aanwezig was op 1 april 2021, gesplitst kan worden. Uit artikel 5.1 van het Paraplubestemmingsplan volgt dat de splitsing van een woning slechts mogelijk is, indien voldaan wordt aan artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening en aan de parkeernormen die voortvloeien uit de Uitvoeringsnota. Uit dat artikel volgt niet dat een splitsing alleen kan worden toegepast bij ‘bestaande bebouwing’ met ‘bestaand gebruik’. Dat splitsing van een woning alleen zou kunnen als deze woning op 1 april 2021 (het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan) legaal aanwezig was en gebruikt werd, staat ook niet in artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening. Eiser heeft dan ook terecht opgemerkt dat het niet is uitgesloten om een tweede splitsingsvergunning te kunnen krijgen.

11. In het verweerschrift heeft het college zich echter op het standpunt gesteld dat wanneer de situatie van drie vergunde appartementen het uitgangspunt zou zijn, vergunningverlening alsnog niet mogelijk is. In dat geval zou immers een vergund appartement die 65,4 m2 groot is, opnieuw gesplitst worden. Dat kan niet volgens artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021 (hierna: de Huisvestingsverordening). Uit dat artikel volgt namelijk dat een splitsingsvergunning wordt geweigerd als het gebruiksoppervlak vóór de splitsing kleiner is dan 140 m2.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is bovengenoemd standpunt van verweerder correct. Uitgaande van de bouwtekeningen bij de aanvraag, worden alle vergunde appartementen opnieuw gesplitst, terwijl de appartementen op de begane grond kleiner zijn dan 140 m2. De ter zitting namens eiser ingenomen stelling dat de omtrekken van de appartementen op de begane grond slechts veranderen in verband met de aanpassing van de brandscheiding, volgt de rechtbank niet. Uit de tekeningen bij de aanvraag volgt bijvoorbeeld dat een deel van het pand dat in de bestaande situatie toebehoort tot appartement [nummer 1] op de begane grond, in de nieuwe situatie gaat toebehoren tot appartement [nummer 2] , wat deels op de begane grond en deels op de eerste verdieping gelegen zal zijn.
11. Omdat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste uit artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening, heeft het college de aanvraag mogen weigeren zodat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Eisers beroepsgronden met betrekking tot de parkeereis kunnen aan die conclusie niet afdoen, en behoeven daarom geen inhoudelijke bespreking.




Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet echter op hetgeen hiervoor onder 11 tot en met 13 is vermeld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de uitkomst van deze beroepsprocedure voor eiser niets verandert.
14. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht van € 187,- aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 1.814,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift door de gemachtigde en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-).
























Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2025.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.















Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Parapluplan Parkeren Zaanstad



4.1

Parkeren

a. Bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw geldt dat:

1. voldoende parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen worden gerealiseerd op de betreffende locatie of in de directe omgeving daarvan in of buiten het plangebied;
2. voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016” en;
3. indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.




Paraplubestemmingsplan Woningsplitsing, Kamerverhuur en Toeristische verhuur





4.1

Woningsplitsing en kamergewijze verhuur



Het splitsen van een woning in twee of meer woningen is niet toegestaan, tenzij huisvesting voor mantelzorg gerealiseerd wordt. Tevens is geen vergunning nodig voor het gebruiken van een bestaand bouwwerk indien dit huisvesting in verband met mantelzorg betreft.


Het omzetten van een zelfstandige woning naar meer dan twee onzelfstandige woonruimten in dezelfde woning is niet toegestaan.




5.1


Afwijkingsmogelijkheden

Van de algemene bouwregels en de algemene gebruiksregels, zoals benoemd in artikel 4.1 kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning, indien:



voor kamerverhuur wordt voldaan aan artikel 3.3.1a, lid 2 van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021 en voor woningsplitsing voldaan wordt aan artikel 3.3.1b van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021 en;


voldaan wordt aan de parkeernormen die voortvloeien uit de 'Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016' of rechtsopvolgers hiervan.




Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021





Artikel 3.3.1b Weigeringsgronden woningvormingsvergunning

Burgemeester en wethouders weigeren de woningvormingsvergunning indien:
a. het gebruiksoppervlak van de woonruimte voor splitsing kleiner is dan 140 m2 of
b. het gebruiksoppervlak van de woonruimten na de voorgenomen splitsing kleiner is dan 50 m2.







Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3066, onder 3.2.


Zie artikel 1.5 en 1.6 van het Paraplubestemmingsplan.