Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2024:12670

2024-12-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/330422 / FA RK 22-3496
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2024-12-06
Publicatiedatum
2024-12-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/330422 / FA RK 22-3496
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdeling van de wettelijke algehele gemeenschap. Diverse verrekenposten in verband met door de man betaalde gezamenlijke lasten van partijen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.800 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem


zaaknummer / rekestnummer: C/15/330422 / FA RK 22-3496 en
C/15/335199 / FA RK 22-6108




Beschikking d.d. 15 juni 2026




in de zaak van:





[de man] ,

wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P. Minkes, gevestigd te Amsterdam,



tegen





[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.B. Chylinska, gevestigd te Zaandam.






1De procedure


1.1.
In deze zaak is eerder een beschikking gegeven op 6 december 2024. Voor een weergave van het verloop van de procedure, de feiten tot de datum van deze beschikking en de verzoeken van partijen verwijst de rechtbank naar de inhoud hiervan.



1.2.
In voormelde beschikking heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 225,- per maand aan haar dient te voldoen;
- de beslissing ten aanzien van de verdeling en de daarmee samenhangende verzoeken aangehouden tot een nader te bepalen zitting.



1.3.
Het huwelijk tussen partijen is op [datum] ontbonden door inschrijving van voormelde beschikking in de registers van de burgerlijke stand.



1.4.
Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen:
- de brief, met bijlagen, van de man, ontvangen op 7 april 2026;
- de brief, met bijlage, van de vrouw, ontvangen op 14 april 2026.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak is voorgezet op 16 april 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.



1.6.
Na de mondeling behandeling van de zaak heeft, zoals besproken ter zitting, de man bij bericht van 21 april 2026 nog informatie over zijn belastingvoordeel ten aanzien van de echtelijke woning overgelegd en de vrouw bij brief van 5 mei 2026 nog informatie over de polis bij Nationale Nederlanden overgelegd. Op de brief van de vrouw van 5 mei 2026 heeft de man bij bericht van 8 mei 2026 nog gereageerd.





2De beoordeling


2.1.
Ter beoordeling liggen nog aan de rechtbank de verzoeken van partijen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de daarmee samenhangende verzoeken.



2.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij vóór 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.



2.3.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is de gemeenschap op [datum] ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding voor welk deel draagplichtig is.



2.4.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.



2.5.
Volgens beide partijen of één van hen bestond de ontbonden gemeenschap op [datum] uit de volgende bestanddelen:
a. a) echtelijke woning aan [adres] ;
b) hypothecaire geldlening bij AEGON met nummer [nummer] ;
c) levensverzekering Participatie Sparen bij Reaal met nummer [nummer] ;
d) Reaal overlijdensrisicoverzekering met nummer [nummer] ;
e) ASR kapitaalverzekering (overlijdensrisicoverzekering) met nummer [nummer] ;
f) spaarverzekering bij Nationale Nederlanden ten behoeve van [zoon 1] met nummer [nummer] ;
g) uitvaartverzekeringen bij Ardanta met nummers [nummer] en [nummer] ;
h) uitvaartverzekering bij Lifetri met nummer [nummer] ;
i. i) bankrekening [nummer] op naam van partijen
j) bankrekening [nummer] op naam van partijen
k) bankrekening [nummer] op naam van de vrouw
l) inboedel



2.6.
De man stelt daarnaast een aantal vorderingen op de vrouw te hebben. Ook verzoekt de man om een gebruiksvergoeding van de vrouw voor het gebruik van de echtelijke woning.



2.7.

Partijen zijn het eens over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in het dictum, omdat er in dat geval op grond van artikel 3:185 BW geen taak is weggelegd voor de rechter.

Verdeling



Ad a en b) echtelijke woning en hypothecaire geldlening bij AEGON





2.8.
De rechtbank stelt vast dat de echtelijke woning inmiddels is verkocht en op [datum] is geleverd aan derden. Voor zover partijen op dit punt nog een beslissing nodig hebben, bepaalt de rechtbank dat uit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening moet worden afgelost en de verkoopkosten moeten worden voldaan en dat de resterende netto verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.



Ad c) levensverzekering Participatie Sparen bij Reaal





2.9.
Partijen zijn het erover eens om deze levensverzekering gezamenlijk voort te zetten. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder de helft van de verschuldigde premie dienen te betalen. De man heeft tijdens de zitting toegezegd dat hij ervoor zal zorgdragen dat ook de vrouw toegang krijgt tot deze levensverzekering. De rechtbank vertrouwt erop dat de man zich aan zijn toezegging zal houden.



Ad d) Reaal overlijdensrisicoverzekering





2.10.
Partijen zijn het erover eens dat deze verzekering, voor zover deze verzekering nog bestaat, aan de vrouw moet worden toegedeeld. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de verschuldigde premie voor deze verzekering dient te betalen.



Ad e) ASR kapitaalverzekering (overlijdensrisicoverzekering)





2.11.
Partijen zijn het erover eens dat deze verzekering moet worden beëindigd.



Ad f) spaarverzekering bij Nationale Nederlanden ten behoeve van [zoon 1]





2.12.
De rechtbank stelt vast dat deze verzekering op 31 december 2024 de einddatum heeft bereikt en dat de waarde van € 13.397,06 vervolgens op de spaarrekening van de man is overgemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag bestemd is voor hun zoon [zoon 1] . De rechtbank vertrouwt erop dat de man het bedrag van € 13.397,06 conform zijn voornemen aan [zoon 1] zal overmaken.



Ad g en h) uitvaartverzekeringen bij Ardanta en Lifetri





2.13.
De rechtbank stelt vast dat dit uitvaartverzekeringen voor de zonen van partijen, [zoon 2] en [zoon 1] , betreffen. Partijen zijn het erover eens dat deze verzekeringen aan [zoon 2] en [zoon 1] moeten worden overgedragen. Na overdracht van de uitvaartverzekeringen zijn [zoon 2] en [zoon 1] gehouden de verschuldigde premies te betalen.



Ad i) bankrekening [nummer] op naam van partijen





2.14.

Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze gezamenlijk bankrekening aan de man moet worden toegedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw. Onbetwist is dat op de peildatum geen saldo bestond. Als de man deze rekening wil voortzetten dan kan hij de rekening op zijn naam laten zetten. De vrouw dient hier dan haar medewerking aan te verlenen.

Ad j) bankrekening [nummer] op naam van partijen





2.15.
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze gezamenlijke bankrekening op de peildatum [datum] € 14.149,45 bedroeg. De man heeft onbetwist gesteld dat hij hiervan nadien € 2.149,45 heeft betaald aan gezamenlijke lasten van partijen, zoals de kosten voor de mediator. Dit betekent dat er nog een saldo van € 12.000,- bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw dit bedrag van € 12.000,- na de peildatum [datum] heeft overgemaakt naar haar privé bankrekening [nummer] . In beginsel dient de vrouw dan ook een bedrag van € 6.000,- aan de man te vergoeden.



2.16.
De man stelt echter dat de vrouw van de € 12.000,- een bedrag van € 8.500,- aan hem moet vergoeden. In dit verband licht de man toe dat hij in 2021 een schadevergoeding van € 5.000,- heeft ontvangen vanwege een roofoverval op zijn werk. Dit bedrag is volgens de man op grond van artikel 1:94, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan hem verknocht. Na aftrek van € 5.000,- resteert nog een bedrag van € 7.000,- waarvan volgens de man ieder van partijen de helft toekomt.



2.17.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie een immateriële en materiële schadevergoeding slechts als verknocht wordt aangemerkt voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat de man op 4 november 2020 slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Bij brief van 21 september 2021 van de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven is een schadevergoeding aan de man toegekend van € 5.000,- vanwege opgelopen lichamelijk en psychisch letsel. In deze brief staat vermeld dat de man heeft aangegeven dat het hem is gelukt om zijn werk met ingang van 1 oktober 2021 weer volledig te gaan hervatten. Dit in aanmerking nemende acht de rechtbank niet aannemelijk dat de schadevergoeding ook ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op [datum] . De man heeft dit verder ook niet aangetoond. Gelet op het voorgaande heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de schadevergoeding van € 5.000,- aan hem is verknocht.



2.18.
Het voorgaande betekent dat de vrouw in verband met de verrekening van het saldo op de gezamenlijke bankrekening [nummer] een bedrag van € 6.000,- aan de man moet betalen.



Ad k) bankrekening [nummer] op naam van de vrouw





2.19.
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze bankrekening aan de vrouw moet worden toegedeeld, waarbij de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 1.000,- aan de man dient te vergoeden.



Ad l) inboedel





2.20.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw nagenoeg de gehele inboedel heeft gehouden.



2.21.
De man stelt dat de inboedel een waarde vertegenwoordigt van € 10.000,- zodat de vrouw hem een bedrag van € 5.000,- dient te vergoeden. De vrouw voert hiertegen verweer.



2.22.
De rechtbank stelt vast dat bij de waardering van inboedelgoederen moet worden uitgegaan van de verkoopwaarde in het economisch verkeer en dat het een feit van algemene bekendheid is dat tweedehands inboedelzaken in het handelsverkeer weinig opbrengen. Dit in aanmerking nemende acht de rechtbank het redelijk om de waarde van de inboedel vast te stellen op € 4.000,- zodat de vrouw een bedrag van € 2.000,- aan de man moet vergoeden in verband met overbedeling.



Verrekenposten





2.23.
De rechtbank stelt vast dat de man op 9 januari 2022 uit de echtelijke woning is vertrokken en dat de vrouw sindsdien het exclusieve gebruik van deze woning heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds 9 januari 2022 alle eigenaars- en gebruikerslasten van de echtelijke woning alsmede diverse overige gezamenlijke lasten van partijen is blijven betalen. De man wenst deze lasten met de vrouw te verrekenen.



2.24.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw in beginsel op grond van de artikelen 1:84 BW, 1:100 BW, 3:172 BW dan wel 6:10 BW is gehouden om aan de door de man betaalde gezamenlijke lasten van partijen bij te dragen. De vrouw is van mening dat zij daaraan in dit geval echter niet gehouden kan worden, aangezien de man daarentegen sinds zijn vertrek uit de echtelijke woning op 9 januari 2022 niets heeft bijgedragen in haar kosten, de kosten van de kinderen en de kosten van de hond. De vrouw acht daarom niet meer dan redelijk dat dit met gesloten beurzen met elkaar wordt verrekend. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt. Als de vrouw van mening was dat de man een financiële bijdrage had moeten leveren in haar kosten, de kosten van de kinderen en de kosten van de hond, dan had zij hiervoor in het kader van een voorlopige voorziening een voorlopige beslissing aan de rechtbank kunnen vragen. Dit heeft de vrouw echter niet gedaan. Sinds [datum] betaalt de man bovendien conform de beschikking van 6 december 2024 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 225,- per maand.



2.25.
In het navolgende zal de rechtbank de door de man gestelde verrekenposten afzonderlijk bespreken.



Hypotheekaflossingen





2.26.
De man verzoekt om verrekening met de vrouw van de door hem betaalde hypotheekaflossingen vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] tot de datum van levering van de echtelijke woning aan derden op [datum] .



2.27.
De rechtbank is van oordeel dat partijen over voormelde periode op grond van artikel 6:10 BW gehouden waren om ieder de helft van de hypotheekaflossingen te voldoen aangezien de hypotheekaflossingen leiden tot vermogensvorming en de woning hun gezamenlijk eigendom betrof. De man heeft onbetwist gesteld dat hij over de periode van [datum] tot [datum] een bedrag van in totaal € 5.926,94 aan hypotheekaflossingen heeft gedaan. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 2.963,47, aan de man dient te betalen. De stelling van de vrouw dat dit tot leidt tot ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de man gaat niet op, aangezien de vrouw door de hypotheekaflossingen ook profiteert van een hogere overwaarde van de woning.





Hypotheekrente





2.28.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde hypotheekrente over de periode vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] tot de datum van levering van de echtelijke woning aan derden op [datum] .



2.29.
De rechtbank stelt vast dat hypotheekrente tot de kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW behoort en dat partijen over voormelde periode gehouden waren om naar rato van hun inkomens aan deze kosten bij te dragen. De man heeft de verhouding tussen de inkomens van partijen gesteld op 62% voor de man en 38% voor de vrouw. Deze verhouding heeft de vrouw aanvankelijk niet betwist en pas op de zitting heeft de vrouw niet onderbouwd gesteld dat de verhouding tussen de inkomens 66% voor de man en 34% voor de vrouw is. Dit in aanmerking nemende zal de rechtbank het standpunt van de man volgen en uitgaan van een inkomensverhouding van 62% voor de man en 38% voor de vrouw. De man heeft onbetwist gesteld dat hij over de periode van [datum] tot [datum] een bedrag van in totaal € 9.095,84 aan hypotheekrente heeft betaald. Na de zitting heeft de man bij brief van 21 april 2026 nog informatie verstrekt over de door hem genoten hypotheekrente aftrek. Rekening houdend met de hypotheekrente aftrek en een inkomensverhouding van 62% voor de man en 38% voor de vrouw heeft de man berekend dat de vrouw hem nog een bedrag van € 2.675,77 moet vergoeden. De vrouw heeft hierop niet meer gereageerd. De rechtbank volgt de berekening van de man en zal gelet hierop bepalen dat de vrouw een bedrag van € 2.675,77 aan de man moet betalen in verband met door de man betaalde (netto) hypotheekrente.



Premie levensverzekering Participatie Sparen bij Reaal





2.30.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde premies voor de levensverzekering Participatie Sparen van partijen over de periode van 1 augustus 2022 tot en met april 2026.



2.31.
De rechtbank is van oordeel dat partijen over voormelde periode op grond van artikel 6:10 BW gehouden waren om ieder de helft van de premies voor de levensverzekering te betalen aangezien door deze premiebetalingen vermogen is opgebouwd. De man heeft onbetwist gesteld dat hij over de periode van 1 augustus 2022 tot en met april 2026 een bedrag van in totaal € 2.708,44 aan premies heeft betaald. Na de zitting heeft de man bij brief van 21 april 2026 nog informatie verstrekt over het door hem genoten belastingvoordeel en heeft hij zijn netto last in dit verband berekend op € 1.734,43. De vrouw heeft hierop niet meer gereageerd. De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vrouw een bedrag van € 867,21 aan de man moet betalen in verband met door de man betaalde (netto) premies voor de levensverzekering Participatie Sparen.



Premie Reaal overlijdensrisicoverzekering en ASR kapitaalverzekering (overlijdensrisicoverzekering)





2.32.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde premies voor de Reaal overlijdensrisicoverzekering en ASR kapitaalverzekering van partijen over de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2026.



2.33.
De rechtbank is van oordeel de premiebetalingen over de periode van 1 augustus 2022 tot de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] als kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW moeten worden aangemerkt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij € 30,43 per maand aan premie voor de Reaal overlijdensrisicoverzekering en € 23,05 per maand aan premie voor de ASR kapitaalverzekering heeft betaald. Zoals eerder overwogen dient van deze kosten 62% voor rekening van de man en 38% voor rekening van de vrouw te komen. Dit betekent dat de vrouw over deze periode (30 maanden) een bedrag van € 609,67 aan de man moet betalen.



2.34.
Vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] tot 1 april 2026 dient de vrouw naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 6:10 BW voor de helft bij te dragen aan de premies voor de Reaal overlijdensrisicoverzekering en de ASR kapitaalverzekering. Over deze periode (14 maanden) dient de vrouw dan ook een bedrag van € 374,36 aan de man te betalen.



Premie spaarverzekering bij Nationale Nederlanden ten behoeve van [zoon 1]





2.35.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde premies voor de spaarverzekering van partijen bij Nationale Nederlanden over de periode van 1 augustus 2022 tot de einddatum 31 december 2024.



2.36.
De rechtbank is van oordeel dat partijen over voormelde periode op grond van artikel 6:10 BW gehouden waren om ieder de helft van de premies voor de spaarverzekering bij Nationale Nederlanden te betalen aangezien door deze premiebetalingen vermogen is opgebouwd. De man heeft onbetwist gesteld dat hij over de periode van 1 augustus 2022 tot de einddatum 31 december 2024 een bedrag van in totaal € 700,- aan premies heeft betaald. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 350,-, aan de man dient te betalen.



Premie uitvaartverzekeringen bij Ardanta





2.37.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde premies voor de twee uitvaartverzekeringen van partijen bij Ardanta over de periode van [datum] tot en met april 2026.



2.38.
De rechtbank is van oordeel dat de premiebetalingen over de periode van [datum] tot de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] als kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW moeten worden aangemerkt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij voor de ene verzekering € 47,90 per half jaar en voor de andere verzekering € 42,55 per half jaar heeft betaald. Zoals eerder overwogen dient van deze kosten 62% voor rekening van de man en 38% voor rekening van de vrouw te komen. Dit betekent dat de vrouw over deze periode (6 periodes) een bedrag van € 206,23 aan de man moet betalen.



2.39.
Vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] tot en met april 2026 dient de vrouw naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 6:10 BW voor de helft bij te dragen aan de premies voor de twee uitvaartverzekeringen van partijen bij Ardanta. Over deze periode (2 periodes) dient de vrouw dan ook een bedrag van € 90,45 aan de man te betalen.





Premie uitvaartverzekering bij Lifetri





2.40.
De man verzoekt om verrekening van de door hem betaalde premies voor de uitvaartverzekering van partijen bij Lifetri over de periode van [datum] tot en met april 2026.



2.41.
De rechtbank is van oordeel dat de premiebetalingen over de periode van [datum] tot de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] als kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW moeten worden aangemerkt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij € 12,61 per maand aan premie heeft betaald. Zoals eerder overwogen dient van deze kosten 62% voor rekening van de man en 38% voor rekening van de vrouw te komen. Dit betekent dat de vrouw over deze periode (31 maanden) een bedrag van € 148,55 aan de man moet betalen.



2.42.
Vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk op [datum] tot en met april 2026 dient de vrouw naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 6:10 BW voor de helft bij te dragen aan de premies voor de uitvaartverzekering van partijen bij Lifetri. Over deze periode (15 maanden) dient de vrouw dan ook een bedrag van € 94,58 aan de man te betalen.



Aanslag inkomensbelasting 2021





2.43.
De man heeft onbetwist gesteld dat hij over 2021 een belastingteruggave van € 6.031,06 heeft ontvangen welk bedrag de vrouw direct heeft overgeboekt naar haar privé bankrekening en dat de vrouw over 2021 een belastingteruggave van € 2.200,- op haar privé bankrekening heeft ontvangen. De man stelt dat deze teruggaven partijen ieder voor de helft toekomen en verzoekt de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 4.115,53 aan hem te betalen.



2.44.
De rechtbank stelt vast dat de belastingteruggaven 2021 betrekking hebben op de periode voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap op [datum] en dat de uitbetaling van deze teruggaven ook voor deze datum heeft plaatsgevonden. Nu de saldi van de bankrekeningen van partijen al zijn meegenomen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vergoedingsrecht op dit punt.



Aanslag inkomensbelasting 2022





2.45.
De man heeft onbetwist gesteld dat hij over 2022 een belastingaanslag van € 904,- heeft ontvangen en dat hij deze aanslag heeft betaald. De man stelt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze aanslag en verzoekt de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 452,- aan hem te betalen.



2.46.
De rechtbank stelt vast dat belastingschulden niet behoren tot de kosten van de huishouding. De huwelijksgemeenschap is op [datum] ontbonden zodat de aanslag inkomstenbelasting 2022 tot die datum ziet op de huwelijkse periode. Over deze periode betreft de aanslag een gemeenschapsschuld als bedoeld in artikel 1:100 BW waarvoor partijen ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn. Na [datum] zijn partijen op grond van artikel 6:10 BW ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld. De man heeft onbetwist gesteld dat hij de aanslag inkomstenbelasting 2022 van € 904,- na [datum] heeft voldaan, zodat de vrouw hem een bedrag van € 452,- moet betalen.



Gemeentelijke heffingen en bijdrage aan het Hoogheemraadschap





2.47.
De man heeft onbetwist gesteld dat hij over de periode vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] tot de datum van levering van de echtelijke woning aan derden op [datum] € 2.908,48 aan gemeentelijke heffingen en € 1.149,53 aan bijdrage aan het Hoogheemraadschap heeft betaald. Primair stelt de man dat deze kosten voor rekening van de vrouw dienen te komen, omdat zij de woning steeds heeft bewoond. Subsidiair stelt de man dat deze kosten zijn verbonden aan het eigenaarschap van de woning en dat partijen ieder de helft van deze kosten dienen te voldoen.



2.48.
De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW en dat de gemeentelijke heffingen en de bijdrage aan het Hoogheemraadschap grotendeels verbonden zijn aan het eigenaarschap van de echtelijke woning. Nu beide partijen eigenaar waren van de woning acht de rechtbank het redelijk dat ook de man aan deze lasten bijdraagt ondanks zijn vertrek uit de woning. Gelet hierop wijst de rechtbank het primaire verzoek van de man af en zijn subsidiaire verzoek toe in die zin dat van deze kosten 62% voor rekening van de man en 38% voor rekening van de vrouw komt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij in totaal een bedrag van € 4.058,01 heeft betaald, zodat de vrouw hem een bedrag van € 1.542,05 moet betalen.



Vattenfall en KNP





2.49.

De man heeft onbetwist gesteld dat hij vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] tot de datum van levering van de echtelijke woning aan derden op [datum] € 1.728,40 aan Vattenfall heeft betaald voor gas en elektriciteit en € 813,53 aan KPN heeft betaald voor internet en televisie. Primair stelt de man dat deze kosten voor rekening van de vrouw dienen te komen als gebruiker van de echtelijke woning. Subsidiair stelt de man dat deze kosten behoren tot de kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW. In dat geval vordert de man 38% van de vrouw van voormelde
bedragen.




2.50.
De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW en dat het de eigen keuze van de man is geweest om deze gebruikerslasten van de echtelijke woning door te blijven betalen. Dit in aanmerking nemende en gelet op de omstandigheid dat de man na zijn vertrek uit de woning geen bijdrage in de kosten van [zoon 2] en [zoon 1] en tot [datum] geen bijdrage in de kosten van de vrouw heeft geleverd, acht de rechtbank het redelijk dat ook de man aan deze gebruikerslasten bijdraagt ondanks zijn vertrek uit de woning. De rechtbank wijst daarom het primaire verzoek van de man af en zijn subsidiaire verzoek toe. De man heeft onbetwist gesteld dat hij in totaal een bedrag van € 2.541,93 aan Vattenfall en KPN heeft betaald, zodat de vrouw hem een bedrag van € 965,95 moet betalen.



Overige kosten





2.51.
De man stelt dat hij vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] de volgende kosten heeft betaald:
- € 160,- donatie schildklierfonds;
- € 123,- consumentenbond;
- € 468,99 afbetaling laptop [zoon 2] ;
- € 360,20 FNV lidmaatschap partijen;
- € 301,24 Big gym familie abonnement;
- € 131,89 Netflix.
Dit betreffen volgens de man kosten van de huishouding. De man vordert 38% van dit bedrag van de vrouw, te weten € 587,22



2.52.
De rechtbank is van oordeel dat dit geen verplichte kosten betroffen en dat deze kosten vermijdbaar waren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze kosten voor rekening van de man dienen te blijven zodat zijn verzoek wordt afgewezen.



Gebruiksvergoeding





2.53.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 223,- per maand aan hem dient te betalen over de periode vanaf de datum van ontbinding van de gemeenschap op [datum] tot de datum van levering van de echtelijke woning aan derden op [datum] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] . Het gaat om een totaalbedrag van € 6.264,-. De man stelt hiertoe dat de vrouw vanaf 9 januari 2022 het volledige woongenot van de echtelijke woning had, de man steeds alle lasten van de echtelijke woning heeft betaald en hij zelf ook woonlasten had. Uitgaande van een overwaarde van de echtelijke woning van € 222.721,68 en een rentepercentage van 2,5 % berekent de man de gebruiksvergoeding op € 232,- per maand.



2.54.
De vrouw maakt bezwaar tegen de verzochte gebruiksvergoeding. De man heeft de echtelijke woning verlaten en nimmer aanspraak gemaakt op terugkomst naar de woning. De man heeft de vrouw met de kinderen achtergelaten en niet meer naar hen omgekeken. Er bestaat volgens de vrouw een groot verschil in inkomen tussen partijen en de woning is lange tijd onverdeeld gelaten. De vrouw acht het verzoek van de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid.



2.55.
De rechtbank stelt vast dat de man zijn verzoek baseert op artikel 3:169 BW. Hierin is bepaald dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Uit vaste jurisprudentie met betrekking tot dit artikel volgt dat een deelgenoot die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, behoudens een andersluidende regeling. Op grond van artikel 1:166, derde lid, BW dienen de redelijkheid en billijkheid in acht genomen te worden.



2.56.
De rechtbank stelt onder verwijzing naar het bovenstaande vast dat de vrouw een substantieel bedrag aan de man dient te betalen voor onder meer de aan de echtelijke woning verbonden lasten. Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om over de periode van [datum] tot [datum] daarnaast een gebruiksvergoeding aan de vrouw op te leggen. Het verzoek van de man daartoe zal de rechtbank dan ook afwijzen.






Benadeling van de gemeenschap





2.57.
Voor zover de vrouw nog een beroep doet op benadeling van de gemeenschap op grond van artikel 1:164, eerste lid, BW vanwege door de man opgenomen gelden van de gezamenlijke bankrekening van partijen vanaf zijn vertrek uit de echtelijke woning op 9 januari 2022 wijst de rechtbank dit bij gebrek aan onderbouwing af.





3De beslissing


De rechtbank:



3.1.
bepaalt dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning aan [adres] , na aflossing van de hypothecaire geldlening bij AEGON met nummer [nummer] en aftrek van de verkoopkosten, bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;



3.2.
bepaalt dat de levensverzekering Participatie Sparen bij Reaal met nummer [nummer] door partijen gezamenlijk wordt voorgezet, onder de verplichting voor partijen om ieder de helft van de verschuldigde premie te betalen;



3.3.
deelt de Reaal overlijdensrisicoverzekering met nummer [nummer] toe aan de vrouw, onder de verplichting voor de vrouw om de verschuldigde premie te betalen;



3.4.
bepaalt dat de vrouw in verband met de verdeling van het saldo op de gezamenlijke bankrekening van partijen met nummer [nummer] een bedrag van € 6.000,- aan de man moet vergoeden;



3.5.
deelt de inboedel toe aan de vrouw tegen een waarde van € 4.000,-, onder de verplichting om een bedrag van € 2.000,- aan de man te vergoeden;



3.6.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 2.963,47 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde hypotheekaflossingen over de periode van [datum] tot [datum] ;



3.7.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 2.675,77 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde (netto) hypotheekrente over de periode van [datum] tot [datum] ;



3.8.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 867,21 aan de man te vergoeden in verband met door de man betaalde (netto) premies voor de levensverzekering Participatie Sparen bij Reaal met nummer [nummer] over de periode van 1 augustus 2022 tot en met april 2026;



3.9.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 984,03 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde premies voor de Reaal overlijdensrisicoverzekering met nummer [nummer] en ASR kapitaalverzekering met nummer [nummer] over de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2026;



3.10.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 350,- aan de man te betalen in verband met door de man betaalde premies voor de spaarverzekering bij Nationale Nederlanden ten behoeve van [zoon 1] met nummer [nummer] over de periode van 1 augustus 2022 tot de einddatum 31 december 2024;



3.11.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 296,68 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde premies voor de uitvaartverzekeringen bij Ardanta met de nummers [nummer] en [nummer] over de periode van [datum] tot en met april 2026;



3.12.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 243,13 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde premies voor de uitvaartverzekering bij Lifetri met nummer [nummer] over de periode van [datum] tot en met april 2026;



3.13.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 452,- aan de man te betalen in verband met de door de man betaalde belastingaanslag 2022;



3.14.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 1.542,05 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde gemeentelijke heffingen en bijdrage aan het Hoogheemraadschap over de periode van [datum] tot [datum] ;



3.15.
veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 965,95 aan de man te betalen in verband met door de man betaalde kosten aan Vattenfall voor gas en elektriciteit en aan KPN voor internet en televisie over de periode van [datum] tot [datum] ;



3.16.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



3.17.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beschikking is gegeven door mr. T.M van Wassenaer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 15 juni 2026.










































Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.