Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2023:14263

2023-06-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/341165 / FA RK 23-2912
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2023-06-17
Publicatiedatum
2025-08-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/341165 / FA RK 23-2912
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek vervangende toestemming erkenning

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.420 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar


vervangende toestemming tot erkenning / gezag / omgang



zaak-/rekestnr.: C/15/341165 / FA RK 23-2912




beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 juni 2025




in de zaak van:





[de man]
,
briefadres hebbende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de man,
advocaat: mr. T.M. Melissen, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude,



--tegen--





[de moeder]
,
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Stam, kantoorhoudende te Heerhugowaard.




Het minderjarige kind [de minderjarige] wordt vertegenwoordigd door [bijzondere curator] , bijzondere curator.



In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:

de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad.






1Procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 28 juni 2023;
- de beschikking van deze rechtbank van 11 augustus 2023, waarbij [bijzondere curator] te [plaats] is benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige [de minderjarige] ;
- de e-mailberichten van de gemeente Alkmaar van 21 maart 2024 en 2 september 2024;
- de e-mailberichten van de Raad van 22 april 2024 en 16 september 2024;
- het e-mailbericht van de advocaat van de man van 25 april 2024;
- de stelbrief van de advocaat van de moeder van 16 mei 2025 .



1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2025 in aanwezigheid van de man bijgestaan door mr. T.M. Melissen, mr. E. Stam namens de moeder en de bijzondere curator. Namens de Raad is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] . De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.






2Feiten en omstandigheden


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.



2.2.
Uit de moeder is op [geboortedatum] te [plaats] geboren het thans nog minderjarige kind:- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).



2.3.
De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .



2.4.
Gelijktijdig met onderhavig verzoekschrift heeft de man een provisionele vordering op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/15/341169/FA RK 23/2913.


Bij beschikking van deze rechtbank van 15 augustus 2023 heeft de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in genoemde procedure afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank de beslissing in onderhavige zaak pro forma aangehouden tot 8 februari 2024 in afwachting van het verloop en resultaat van de hulpverlening via het uniform hulpaanbod (UHA).




2.4.
Op 26 april 2024 heeft de vader opnieuw een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv ingediend, door de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer C/15/351840/FA RK 24-2112.


Bij beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2024 heeft de rechtbank in genoemde procedure een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [de minderjarige] .







3Verzoek


3.1.

De man heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar:
I. hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] ;
II. hem mede te belasten met het gezag over [de minderjarige] ;
III. een (opbouwende) zorgregeling dan wel omgangsregeling vast te stellen zoals uiteengezet onder punt 24 van het verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank vast te stellen zorgregeling dan wel omgangsregeling.




3.2.
De onderbouwing van het verzoek van de man komt neer op het volgende.


De man stelt dat hij de verwekker is van [de minderjarige] . De man heeft daartoe een uitslag van een DNA-test overgelegd. De moeder weigert zonder redelijke grond de man toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] kind te verlenen. De man is van mening dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] niet schaadt en dat door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] niet in het gedrang komt. De man wil samen met de moeder het gezag uitoefenen over [de minderjarige] , maar nu de moeder reeds niet tot erkenning van [de minderjarige] wil komen, kan er ook geen gezamenlijk gezag tot stand worden gebracht. De moeder weigert daarnaast om samen met de man te komen tot een structurele omgangsregeling. De man acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij ook juridisch haar vader wordt en een betrokken rol in haar leven kan uitoefenen.







4Verweer


4.1.
Voorafgaand aan de zitting is namens de moeder geen verweerschrift ingediend. Ter zitting is mr. E. Stam verschenen, die zich kort voor de zitting voor de moeder heeft gesteld. De moeder is zelf niet ter zitting verschenen, hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen. De advocaat van de moeder heeft na het eerste gesprek, op 16 mei 2025, geen contact meer kunnen krijgen met de moeder, zodat niet duidelijk is geworden waarom de moeder niet ter zitting is verschenen.



4.2.
Namens de moeder heeft de advocaat aangegeven dat de moeder instemt met het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen. De moeder stemt niet in met het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag. De advocaat weet niet waarom de moeder daar niet mee instemt. Het is de advocaat vooralsnog niet bekend wat het standpunt van de moeder ten aanzien van de omgang is.






5Verslag bijzondere curator


5.1.
De bijzondere curator heeft in haar verslag geconcludeerd dat voldoende vaststaat dat de man de verwekker is van [de minderjarige] . Het bezwaar van de moeder tegen de erkenning ziet niet zozeer op de erkenning zelf, maar meer op het gezag en de omgang. De moeder stemt in met de erkenning. Door de slechte onderlinge communicatie kunnen de man en de moeder de erkenning niet samen bewerkstelligen. De bijzondere curator komt bij een afweging van de belangen van de man en [de minderjarige] bij de erkenning en de belangen van de moeder en [de minderjarige] bij een ongestoorde verhouding met elkaar, tot de conclusie dat de belangen van de man en [de minderjarige] bij erkenning prevaleren boven de belangen van de moeder en [de minderjarige] bij niet-erkenning, hierbij aansluiting zoekend bij het uitgangspunt van de wetgever in het huidige afstammingsrecht. De bijzondere curator ziet geen bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] .



5.2.
Ter zitting heeft de bijzondere curator haar standpunt en advies gehandhaafd. De bijzondere curator heeft benadrukt dat de moeder in het gesprek met de bijzondere curator heeft aangegeven in te stemmen met het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen.






6Beoordeling



erkenning



6.1.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] en daarna de verzoeken inzake het gezag en de omgang bespreken.



6.2.
Op grond van het in artikel 1: 204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde kan de toestemming van de moeder, wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, mits de man de verwekker is van het kind, en tenzij de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.



6.3.
Er is door de man een uitslag van een DNA-test overgelegd. Deze test is, zoals blijkt uit de uitslag, geen rechtsgeldige test. De uitslag kan derhalve alleen worden geaccepteerd in combinatie met de overige feiten en omstandigheden. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij samen met de moeder de test heeft afgenomen en zij deze ook samen op de post hebben gedaan. De bijzondere curator heeft aangegeven niet te twijfelen aan het verwekkerschap van de man. Gelet op de instemming van de moeder met de erkenning gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder niet twijfelt aan zijn verwekkerschap, zoals zij ook tegenover de bijzondere curator heeft verklaard. Nu er geen twijfel bestaat over het verwekkerschap van de man en de test een positieve uitslag kent, in die zin dat uit de test is gebleken dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat aan de eerste voorwaarde van artikel 1:204 lid 3 BW is voldaan.



6.4.
De rechtbank zal vervolgens het belang en de aanspraak van de man en [de minderjarige] op erkenning afwegen tegen het belang van de moeder en [de minderjarige] bij niet-erkenning.



6.5.
Gelet op hetgeen de moeder tegenover de bijzondere curator heeft verklaard alsmede de mededeling van de advocaat van de moeder ter zitting dat de moeder geen bezwaar heeft tegen de erkenning, is de rechtbank van oordeel dat er bij de moeder geen bezwaar is tegen de eigenlijke erkenning van [de minderjarige] door de man. Gesteld noch gebleken is dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang komt. Voor zover er bij de moeder bezwaar bestaat inhoudende dat erkenning gevolgen zou kunnen hebben voor het gezag over of de omgang met [de minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel erkenning de man een betere positie verschaft in het kader van een eventueel verzoek tot gezag over en/of omgang met [de minderjarige] , zal bij dergelijke verzoeken ingevolge artikel 1:253c BW dan wel ingevolge artikel 1:377a BW wederom toetsing door de rechter dienen plaats te vinden, zodat dit bezwaar niet kan leiden tot een afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning.



6.6.
De bijzondere curator heeft verslag uitgebracht en de rechtbank geadviseerd om het verzoek toe te wijzen. De Raad heeft zich ter zitting achter het advies van de bijzondere curator geschaard.



6.7.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de man haar zal erkennen. Het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, zal dan ook worden toegewezen.



6.8.
De bijzondere curator is benoemd op grond van artikel 1:212 BW, zodat haar advisering niet verder strekt in deze zaak dan het deel dat ziet op de afstamming. Nu daarin een beslissing zal worden genomen, zal de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator als beëindigd beschouwen, tenzij tegen de afstammingsuitspraak een rechtsmiddel wordt ingesteld.



6.9.
Nu de aard van de zaak zich ten aanzien van de erkenning verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen. Dit betekent dat de beslissing na drie maanden in kracht van gewijsde zal gaan, tenzij er hoger beroep is ingesteld, en de man vanaf dat moment tot erkenning van [de minderjarige] kan overgaan bij de gemeente.



gezag en omgang




6.10.
Ter zitting heeft de rechter met de aanwezigen de verzoeken van de man inzake het gezag en de omgang besproken. De moeder is niet verschenen en heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt. De advocaat van de moeder is kort voor de zitting door de moeder bij de zaak betrokken. De advocaat heeft de moeder niet kunnen spreken over haar standpunt inzake het gezag en de omgang, behalve dat de moeder heeft aangegeven niet in te stemmen met gezamenlijk gezag. De rechtbank is van oordeel dat er bij deze stand van zaken geen beslissing kan worden gegeven inzake het gezag en de omgang. Er is sprake van een complexe situatie tussen partijen, waarbij de verstandhouding volledig is verstoord. Het uniform hulpaanbod is mislukt en de reeds bij beschikking van 25 juni 2024 door de rechtbank vastgestelde tijdelijke omgangsregeling wordt naar zeggen van de man door de moeder niet nagekomen. De rechtbank moet het belang van [de minderjarige] beoordelen om te kunnen komen tot een beslissing inzake het gezag en de omgang. Daartoe dient het standpunt van de moeder kenbaar te worden. Zoals de rechter ter zitting met de aanwezigen heeft besproken zal de zaak met betrekking tot het gezag en de omgang worden aangehouden en op de zitting van 16 juli 2025 verder worden besproken. De rechtbank wijst de moeder erop dat het belangrijk is dat zij dan ook daadwerkelijk naar de zitting komt.






7Beslissing:


De rechtbank:



7.1.
verleent [de man] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , vervangende toestemming tot erkenning van het minderjarige kind: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .


7.2.
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator, [bijzondere curator] , als beëindigd, tenzij tegen de afstammingsuitspraak een rechtsmiddel wordt ingesteld;



7.3.
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] ;



7.4.
houdt de zaak met betrekking tot het gezag en de omgang aan tot de voortzetting van de mondelinge behandeling op de zitting van [datum] in het gerechtsgebouw te Alkmaar en bepaalt dat partijen (via hun advocaten), alsmede de Raad, tegen voormeld tijdstip dienen te worden opgeroepen.











Deze beschikking is gegeven door mr. A.R.A.R. Sitaldin, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.



































Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.