Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2023:14258
2023-11-29
Civiel recht; Verbintenissenrecht
10597029 \ CV EXPL 23-4238
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing. Algemene voorwaarden Keurmerk Private Lease (december 2017). Beding m.b.t. kilometerafrekening (artikel 15) niet oneerlijk. Beding m.b.t. inleverschade (artikel 62) wel oneerlijk en wordt vernietigd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2021:1677 Hoge Raad 12-11-2021
- ECLI:EU:C:2013:341
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.570 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10597029 \ CV EXPL 23-4238
Uitspraakdatum: 29 november 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
Stellantis Financial Services Nederland B.V., voorheen genaamd PSA Financial Services Nederland B.V.
gevestigd te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 9.028,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.978,98 vanaf 22 juni 2023. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De eisende partij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij met de gedaagde partij een overeenkomst voor de lease van een Peugeot 3008 Allure 1.2 met kenteken RK-016-B (hierna: de auto) heeft gesloten. De gedaagde partij is herhaaldelijk met tijdige en/of volledige betaling van de huurpenningen in gebreke gebleken. De eisende partij heeft de overeenkomst als gevolg van de wanbetaling ontbonden. De eisende partij vordert zowel de achterstallige huurpenningen als het eigen risico, de kosten voor de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst, inleverschade, de afrekening van de gereden kilometers en de kosten voor de inname, berging en veiling van de auto.
2.3.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l aanhef en onder a, b, c, d en f van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de informatieplichten.
Achterstallige huur
2.5.
De vordering tot betaling van de achterstallige huurpenningen over de maanden juni t/m oktober 2021 betreft een bedrag van € 2.833,50 (5 x € 566,70). De eisende partij heeft de huurpenningen van 10 september 2021 tot en met 31 oktober 2021 gecrediteerd, zodat een bedrag van (€ 2.833,50 - € 944,48) € 1.889,02 resteert. Dit bedrag zal worden toegewezen, omdat dit deel van de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Beroep op de algemene voorwaarden, algemeen
2.6.
De eisende partij beroept zich verder op de toepasselijke algemene voorwaarden. De gedaagde partij is een consument. Volgens vaste Europese rechtspraak is de Nederlandse rechter ambtshalve gehouden te toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst waarover tussen partijen niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals een beding in algemene voorwaarden, als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) (zie onder andere HvJEU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341).
2.7.
Op grond van artikel 3 van de richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Ingevolge artikel 3 lid 3 van de richtlijn kunnen als oneerlijk worden aangemerkt bedingen die zijn opgenomen in de als bijlage bij deze richtlijn gevoegde indicatieve lijst (de blauwe lijst). Tot die bedingen behoort het beding (artikel 1 aanhef en onder e) dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.
Artikel 5 van de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.
Kilometerafrekening
2.8.
De eisende partij heeft een bedrag van € 4.244,39 aan vergoeding van te veel gereden kilometers gevorderd. De eisende partij heeft toegelicht dat zij deze vordering heeft gebaseerd op artikel 15 van de Algemene voorwaarden Keurmerk Private Lease. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit beding in de gegeven omstandigheden niet als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. De eisende partij heeft er daarbij terecht op gewezen dat een vergoeding voor de teveel gereden kilometers redelijk is. Het gevorderde bedrag komt de kantonrechter bovendien niet onredelijk voor. Dit betekent dat de gedaagde partij aan de bepaling is gebonden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Kosten inname auto en kosten berger
2.9.
De eisende partij heeft gesteld dat zij, vanwege de onwillige houding van de gedaagde partij, een extern bedrijf heeft moeten inschakelen om de auto terug te krijgen. De kosten hiervan bedragen volgens de eisende partij € 300,00 aan inname van de auto, en € 200,00 aan bergingskosten. De werkzaamheden vloeien voort uit de toerekenbare tekortkoming van de gedaagde partij en daarom heeft de eisende partij de kosten aan de gedaagde partij doorbelast. De kantonrechter begrijpt dat de eisende partij daarmee bedoelt vervangende schadevergoeding te vorderen (artikel 6:74 BW in samenhang met artikel 6:87 lid 1 BW) voor de kosten die zij heeft gemaakt om de auto terug te krijgen, omdat de gedaagde partij de auto niet uit zichzelf heeft teruggebracht nadat de overeenkomst was ontbonden. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:87 lid 1 BW moet de schuldeiser schriftelijk aan de schuldenaar meedelen dat hij schadevergoeding vordert in plaats van nakoming. De kantonrechter is van oordeel dat uit de brief van de eisende partij van 3 augustus 2021 voldoende duidelijk blijkt dat als de auto niet binnen de gestelde termijn wordt ingeleverd niet langer nakoming van de inleververplichting wordt gevorderd, maar vervangende schadevergoeding, bestaande uit de kosten die zij moet maken om de auto zelf terug te halen. De gestelde kosten zijn niet weersproken en zijn redelijk, zodat de vordering op dit punt zal worden toegewezen.
Kosten autoveiling
2.10
Voor wat betreft de vordering van de kosten van de autoveiling van € 185,00 heeft de eisende partij onvoldoende onderbouwd wat de grondslag is van dit deel van de vordering. De enkele stelling dat de eisende partij kosten heeft moeten maken om de auto te veilen en dat deze zijn veroorzaakt door de wanprestatie van de gedaagde partij is in elk geval onvoldoende.
Inleverschade
2.11.
De eisende partij heeft toegelicht dat de vordering tot vergoeding van de inleverschade van € 363,00 is gebaseerd op artikel 62 van de algemene voorwaarden. Hierbij heeft de eisende partij gesteld dat dit beding eerlijk is. Het beding voorziet volgens de eisende partij in een vergoeding van schades die niet vooraf konden worden verdisconteerd in de overeengekomen leaseprijs. Het is volgens de eisende partij dan ook redelijk dat deze kosten voor rekening van de gedaagde partij komen.
2.12.
In artikel 62 van de algemene voorwaarden staat dat de leasemaatschappij de schade beoordeelt aan de hand van de maatstaven zoals vermeld in de richtlijnen voor inname van de leasemaatschappij (hierna: het innameprotocol). In het innameprotocol is een omschrijving opgenomen van de bij inname van voertuigen meest geconstateerde schades en verontreinigingen. Daarbij is telkens vermeld in hoeverre dergelijke schade voor rekening van de consument komt, zo stelt de eisende partij. De eisende partij heeft het innameprotocol echter niet overgelegd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of de inhoud van het innameprotocol eerlijk is in de zin van de richtlijn. Daarbij komt dat niet is gesteld in hoeverre de onderhavige schade is beoordeeld aan de hand van dit innameprotocol.
2.13.
In artikel 62 van de algemene voorwaarden staat verder dat verontreinigingen en schades die niet zijn omschreven in het innameprotocol voor rekening van de consument komen als deze bij zorgvuldig gebruik van het voertuig naar redelijkheid niet als normaal zijn te beschouwen. De eisende partij heeft niet toegelicht hoe deze vage criteria (‘naar redelijkheid’, ‘normaal’) worden ingevuld. Evenmin heeft de eisende partij toegelicht in hoeverre de in dit geval geconstateerde schade ‘in redelijkheid’ als ‘abnormaal’ valt aan te merken. Het beding is daarmee niet duidelijk en begrijpelijk opgesteld, zoals vereist op grond van artikel 5 van de richtlijn. Het gevolg daarvan is dat de gedaagde partij niet op voorhand in staat is gesteld om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen te voorzien die voor haar uit dit beding voortvloeien. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde vergoeding van inleverschade. Omdat geen andere grondslag voor deze vordering is gesteld of gebleken, worden deze kosten ter hoogte van € 363,00 afgewezen.
Eigen risico
2.14.
Het gevorderde eigen risco van € 450,- zal worden afgewezen. De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd waarom de gedaagde partij een eigen risico verschuldigd zou zijn. Dit betekent dat voor dit deel van de vordering de grondslag ontbreekt.
Kosten
2.15.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
2.16.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. De eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en het gevorderde bedrag zal worden toegewezen tot € 706,67, omdat dit bedrag volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten correspondeert met de toegewezen hoofdsom.
2.17.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 7.340,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 6.633,41 vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 106,73 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 264,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10597029 \ CV EXPL 23-4238
Uitspraakdatum: 29 november 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
Stellantis Financial Services Nederland B.V., voorheen genaamd PSA Financial Services Nederland B.V.
gevestigd te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 9.028,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.978,98 vanaf 22 juni 2023. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De eisende partij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij met de gedaagde partij een overeenkomst voor de lease van een Peugeot 3008 Allure 1.2 met kenteken RK-016-B (hierna: de auto) heeft gesloten. De gedaagde partij is herhaaldelijk met tijdige en/of volledige betaling van de huurpenningen in gebreke gebleken. De eisende partij heeft de overeenkomst als gevolg van de wanbetaling ontbonden. De eisende partij vordert zowel de achterstallige huurpenningen als het eigen risico, de kosten voor de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst, inleverschade, de afrekening van de gereden kilometers en de kosten voor de inname, berging en veiling van de auto.
2.3.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l aanhef en onder a, b, c, d en f van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de informatieplichten.
Achterstallige huur
2.5.
De vordering tot betaling van de achterstallige huurpenningen over de maanden juni t/m oktober 2021 betreft een bedrag van € 2.833,50 (5 x € 566,70). De eisende partij heeft de huurpenningen van 10 september 2021 tot en met 31 oktober 2021 gecrediteerd, zodat een bedrag van (€ 2.833,50 - € 944,48) € 1.889,02 resteert. Dit bedrag zal worden toegewezen, omdat dit deel van de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Beroep op de algemene voorwaarden, algemeen
2.6.
De eisende partij beroept zich verder op de toepasselijke algemene voorwaarden. De gedaagde partij is een consument. Volgens vaste Europese rechtspraak is de Nederlandse rechter ambtshalve gehouden te toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst waarover tussen partijen niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals een beding in algemene voorwaarden, als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) (zie onder andere HvJEU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341).
2.7.
Op grond van artikel 3 van de richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Ingevolge artikel 3 lid 3 van de richtlijn kunnen als oneerlijk worden aangemerkt bedingen die zijn opgenomen in de als bijlage bij deze richtlijn gevoegde indicatieve lijst (de blauwe lijst). Tot die bedingen behoort het beding (artikel 1 aanhef en onder e) dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.
Artikel 5 van de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.
Kilometerafrekening
2.8.
De eisende partij heeft een bedrag van € 4.244,39 aan vergoeding van te veel gereden kilometers gevorderd. De eisende partij heeft toegelicht dat zij deze vordering heeft gebaseerd op artikel 15 van de Algemene voorwaarden Keurmerk Private Lease. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit beding in de gegeven omstandigheden niet als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. De eisende partij heeft er daarbij terecht op gewezen dat een vergoeding voor de teveel gereden kilometers redelijk is. Het gevorderde bedrag komt de kantonrechter bovendien niet onredelijk voor. Dit betekent dat de gedaagde partij aan de bepaling is gebonden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Kosten inname auto en kosten berger
2.9.
De eisende partij heeft gesteld dat zij, vanwege de onwillige houding van de gedaagde partij, een extern bedrijf heeft moeten inschakelen om de auto terug te krijgen. De kosten hiervan bedragen volgens de eisende partij € 300,00 aan inname van de auto, en € 200,00 aan bergingskosten. De werkzaamheden vloeien voort uit de toerekenbare tekortkoming van de gedaagde partij en daarom heeft de eisende partij de kosten aan de gedaagde partij doorbelast. De kantonrechter begrijpt dat de eisende partij daarmee bedoelt vervangende schadevergoeding te vorderen (artikel 6:74 BW in samenhang met artikel 6:87 lid 1 BW) voor de kosten die zij heeft gemaakt om de auto terug te krijgen, omdat de gedaagde partij de auto niet uit zichzelf heeft teruggebracht nadat de overeenkomst was ontbonden. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:87 lid 1 BW moet de schuldeiser schriftelijk aan de schuldenaar meedelen dat hij schadevergoeding vordert in plaats van nakoming. De kantonrechter is van oordeel dat uit de brief van de eisende partij van 3 augustus 2021 voldoende duidelijk blijkt dat als de auto niet binnen de gestelde termijn wordt ingeleverd niet langer nakoming van de inleververplichting wordt gevorderd, maar vervangende schadevergoeding, bestaande uit de kosten die zij moet maken om de auto zelf terug te halen. De gestelde kosten zijn niet weersproken en zijn redelijk, zodat de vordering op dit punt zal worden toegewezen.
Kosten autoveiling
2.10
Voor wat betreft de vordering van de kosten van de autoveiling van € 185,00 heeft de eisende partij onvoldoende onderbouwd wat de grondslag is van dit deel van de vordering. De enkele stelling dat de eisende partij kosten heeft moeten maken om de auto te veilen en dat deze zijn veroorzaakt door de wanprestatie van de gedaagde partij is in elk geval onvoldoende.
Inleverschade
2.11.
De eisende partij heeft toegelicht dat de vordering tot vergoeding van de inleverschade van € 363,00 is gebaseerd op artikel 62 van de algemene voorwaarden. Hierbij heeft de eisende partij gesteld dat dit beding eerlijk is. Het beding voorziet volgens de eisende partij in een vergoeding van schades die niet vooraf konden worden verdisconteerd in de overeengekomen leaseprijs. Het is volgens de eisende partij dan ook redelijk dat deze kosten voor rekening van de gedaagde partij komen.
2.12.
In artikel 62 van de algemene voorwaarden staat dat de leasemaatschappij de schade beoordeelt aan de hand van de maatstaven zoals vermeld in de richtlijnen voor inname van de leasemaatschappij (hierna: het innameprotocol). In het innameprotocol is een omschrijving opgenomen van de bij inname van voertuigen meest geconstateerde schades en verontreinigingen. Daarbij is telkens vermeld in hoeverre dergelijke schade voor rekening van de consument komt, zo stelt de eisende partij. De eisende partij heeft het innameprotocol echter niet overgelegd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of de inhoud van het innameprotocol eerlijk is in de zin van de richtlijn. Daarbij komt dat niet is gesteld in hoeverre de onderhavige schade is beoordeeld aan de hand van dit innameprotocol.
2.13.
In artikel 62 van de algemene voorwaarden staat verder dat verontreinigingen en schades die niet zijn omschreven in het innameprotocol voor rekening van de consument komen als deze bij zorgvuldig gebruik van het voertuig naar redelijkheid niet als normaal zijn te beschouwen. De eisende partij heeft niet toegelicht hoe deze vage criteria (‘naar redelijkheid’, ‘normaal’) worden ingevuld. Evenmin heeft de eisende partij toegelicht in hoeverre de in dit geval geconstateerde schade ‘in redelijkheid’ als ‘abnormaal’ valt aan te merken. Het beding is daarmee niet duidelijk en begrijpelijk opgesteld, zoals vereist op grond van artikel 5 van de richtlijn. Het gevolg daarvan is dat de gedaagde partij niet op voorhand in staat is gesteld om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen te voorzien die voor haar uit dit beding voortvloeien. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde vergoeding van inleverschade. Omdat geen andere grondslag voor deze vordering is gesteld of gebleken, worden deze kosten ter hoogte van € 363,00 afgewezen.
Eigen risico
2.14.
Het gevorderde eigen risco van € 450,- zal worden afgewezen. De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd waarom de gedaagde partij een eigen risico verschuldigd zou zijn. Dit betekent dat voor dit deel van de vordering de grondslag ontbreekt.
Kosten
2.15.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
2.16.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. De eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan en het gevorderde bedrag zal worden toegewezen tot € 706,67, omdat dit bedrag volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten correspondeert met de toegewezen hoofdsom.
2.17.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 7.340,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 6.633,41 vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 106,73 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 264,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter