Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2022:6950

2022-07-27 Civiel recht 9611048 CV EXPL 21-6452
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2022-07-27
Publicatiedatum
2022-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
9611048 CV EXPL 21-6452
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Consumentenrecht. Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten. artikel 6:230l BW. Kinderopvangzaak. Vordering afgewezen op de stelplicht.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.874 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar


Zaaknr./rolnr.: 9611048 \ CV EXPL 21-6452
Uitspraakdatum: 27 juli 2022




Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:




de vennootschap onder firma [vof]
gevestigd te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: LikiFin



tegen





[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen





1Het verdere procesverloop


1.1.
Bij tussenvonnis van 9 februari 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten. Op 6 april 2022 heeft de eisende partij een akte ingediend.





2De verdere beoordeling


2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding daarop terug te komen.



2.2.
In het tussenvonnis is onder meer geoordeeld dat de eisende partij op dat moment nog onvoldoende had onderbouwd (i) waar de contractsluiting heeft plaatsgevonden en welke informatie gedurende dit proces aan de gedaagde partij inzichtelijk is gemaakt, (ii) dat de in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde precontractuele informatie aan de gedaagde partij was verstrekt voordat de overeenkomst tot stand is gekomen en (iii) wat de grondslag van de vordering is (gelet op de twee overeenkomsten die zijn overgelegd). Ook is opgemerkt dat de (kennelijk van toepassing verklaarde) leveringsvoorwaarden niet zijn overgelegd.



2.3.
Nog daargelaten dat de eisende partij - ondanks daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld - geen nadere toelichting en onderbouwing heeft gegeven over de wijze waarop de overeenkomst(en) met de gedaagde partij tot stand is/zijn gekomen, wat de grondslag van de vordering is en de (kennelijk van toepassing verklaarde) leveringsvoorwaarden niet zijn overgelegd, is (nog steeds) onvoldoende gesteld en onderbouwd dat aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW is voldaan. Niet gebleken is immers dat aan de gedaagde partij voor de contractsluiting door de eisende partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de informatie is verstrekt als bedoeld in artikel 6:230l BW. De door de eisende partij bij akte ingenomen (niet onderbouwde) stellingen zijn daartoe onvoldoende.



2.4.
De kantonrechter merkt verder nog op dat de eisende partij diverse producties heeft overgelegd, zonder (voldoende deugdelijk) te onderbouwen wat de kantonrechter daaruit zou moeten afleiden. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. Stellingen moeten voor de rechter en de andere partij helder en toetsbaar zijn en de partij die producties overlegt, moet begrijpelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Het enkel overleggen van producties of een enkele verwijzing naar de producties is daarom onvoldoende. Partijen hebben dan ook voor hun eigen producties een zogenaamd wegwijsplicht. De kantonrechter mag niet zelf in de producties van partijen een zoektocht ondernemen naar wat (mogelijk) relevant is en waarom. De kantonrechter houdt daarom geen rekening met wat in de producties naar voren wordt gebracht, voor zover daaraan geen duidelijke stellingname in de processtukken zelf ten grondslag ligt (vgl. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628).



Wat is hiervan het gevolg?





2.5.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.



2.6.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen.


2.7.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
wijst de vordering af;


3.2.

veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.



De griffier De kantonrechter