Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:784

2026-03-11 Bestuursrecht UTR 25/6393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-03-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6393
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

pkv

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.982 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/6393


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.M. Verberne),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.




Procesverloop


Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.





Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

2. Op 21 augustus 2025 heeft verzoekster een verzoek om handhaving bij verweerder ingediend. Verzoekster heeft verweerder op 17 oktober 2025 in gebreke gesteld. Op 6 november 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om handhaving door verweerder. Verweerder heeft op 2 december 2025 alsnog een besluit genomen op het handhavingsverzoek van verzoekster en een besluit genomen op de ingebrekestelling. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.

3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft op 17 januari 2026 gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij een bedrag van € 226,75 (€ 907,- voor het indienen van een beroepschrift, met een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht)) aan proceskosten aan verzoekster wil betalen.




5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een beroep wegens niet tijdig beslissen betreft en de zaak nu enkel gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.

6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.




Beslissing


De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.








Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.










griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.



Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.