Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6723

2026-09-23 Bestuursrecht UTR 26/2681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/2681
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde om de onderbouwing van de beroepsgrond in de beoordeling te betrekken. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.034 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/2681


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens)


en


Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] )




Procesverloop

1. Eiseres heeft zich op 14 april 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2014.

2. Dienst toeslagen heeft met het eerste primaire besluit van 23 mei 2022 geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014. Met het tweede primaire besluit van
23 mei 2022 is aan eiseres is wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 4.611,- voor het jaar 2014. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.

3. In het bestreden besluit van 3 maart 2026 is Dient Toeslagen bij zijn eerdere beslissingen gebleven.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen deelgenomen.



Beoordeling door de rechtbank

6. Eiseres stelt dat zij nog steeds niet in het bezit is van haar persoonlijk dossier. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres verklaard dat het geschil zich enkel nog toespitst op deze beroepsgrond. De beroepsgrond houdt in dat eiseres niet beschikt over alle benodigde informatie voor haar verzoek dat loopt bij de Commissie Werkelijke Schade. De gemachtigde van eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het aanvullend bezwaarschrift is omgeschreven waarom bepaalde documenten overgelegd moeten worden. Daarnaast heeft de gemachtigde gewezen op de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft haar ‘kale’ verzoek om verstrekking van haar persoonlijk dossier pas op de zitting onderbouwd. Volgens vaste rechtspraak kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten worden aangevoerd en stukken worden ingediend om een eerdere beroepsgrond te motiveren, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de wederpartij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. Omdat de onderbouwing van deze beroepsgrond pas op de zitting voor het eerst naar voren is gebracht en Dienst Toeslagen het standpunt heeft ingenomen dat deze beroepsgrond buiten het geschil valt, acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om deze onderbouwing in de beoordeling te betrekken. Bij gebrek aan een onderbouwing kan de beroepsgrond niet slagen. Omdat het beroep enkel nog is gebaseerd deze beroepsgrond, is het beroep ongegrond.



Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

























Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Rechtbank Rotterdam 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:838.