Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6718
2026-10-01
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 26/3085
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BNT UHT, hzk-regeling, redelijke beslistermijn aanvraag hzk 6 maanden, igs prematuur
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:31 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5524 Rechtbank Den Haag 21-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:2017 Raad van State 24-05-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.463 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3085
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L. Hofman),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 10 februari 2026 voor een beoordeling in het kader van de regeling voor huurtoeslag, zorgtoeslag, en kindgebonden budget (hzk-regeling) uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze uitspraak gaat ook over het dwangsombesluit, waarin verweerder heeft geweigerd een bestuurlijke dwangsom toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder tijdig heeft beslist en geen dwangsom is verschuldigd. Eiseres heeft dus geen gelijk. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het dwangsombesluit is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Op 10 februari 2026 heeft eiseres verweerder verzocht om een tegemoetkoming op grond van de hzk-regeling.
2.1.
Op 31 maart 2026 heeft verweerder de ontvangst bevestigd en geschreven “u krijgt voor 10 februari 2027 een brief”.
2.2.
Op 14 april 2026 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld en verzocht om alsnog een besluit te nemen. Op 29 april 2026 heeft eiseres beroep wegens niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank.
3. Verweerder heeft op 7 mei 2026 een besluit genomen en beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de hzk-regeling. De reden hiervoor is dat de twee beschreven fouten (institutioneel vooringenomen behandeld (CAF) en verkeerde stempel opzet/ grove schuld (O/GS)) niet zijn gemaakt bij eiseres.
3.1.
Op 8 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
4. Bij besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de ingebrekestelling niet terecht is, omdat de beslistermijn op het moment van de ingebrekestelling nog niet was verstreken. Verweerder heeft daarom geen dwangsom toegekend.
4.1.
Eiseres heeft op 3 augustus 2026 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.B. Visser als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en mr. [gemachtigde] als gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het beroep niet tijdig beslissen
5. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6. Eiseres heeft bij brief van 29 april 2026 beroep ingesteld, omdat zij stelt dat verweerder niet tijdig een beslissing op haar aanvraag heeft genomen. Inmiddels heeft verweerder beslist. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij haar beroep niet tijdig beslissen. Dat betekent dat het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
Proceskosten en griffierecht
7. Vervolgens is de vraag aan de orde of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten en het door haar betaalde griffierecht in verband met het beroep niet tijdig beslissen. Daarvoor is van belang of eiseres het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. De rechtbank zal daarop hierna ingaan.
Standpunt eiseres
8. Eiseres stelt dat zij het beroep tegen niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. Zij heeft op 10 februari 2026 een aanvraag gedaan voor een beoordeling in het kader van de hzk-regeling Volgens eiseres bevat de Wht geen beslistermijn voor een dergelijke aanvraag. Daarom geldt op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder binnen een redelijke termijn moet beslissen. Deze termijn bedraagt acht weken. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2026. Eiseres voert verder aan dat verweerder in de ontvangstbevestiging van 31 maart 2026 weliswaar heeft geschreven dat eiseres voor 10 februari 2027 bericht ontvangt, maar dat die mededeling niet voldoet aan de vereisten voor het verlengen van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft toen namelijk alleen verwezen naar de ontvangstdatum van de aanvraag en een beslistermijn van 12 maanden genoemd, maar niet deugdelijk gemotiveerd waarom dat een redelijke beslistermijn zou zijn. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2021. Bovendien is de door verweerder genoemde beslistermijn van 12 maanden geen redelijke termijn, gelet op het beperkte onderzoek dat verweerder doet om te kunnen beslissen op de aanvraag. De werkwijze om tot een beslissing te komen, is immers gestandaardiseerd en rechtvaardigt geen beslistermijn van 12 maanden.
Standpunt verweerder
9. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift van 8 juni 2026 en op de zitting op het standpunt dat hij binnen de bedoelde termijn van artikel 4:14, derde lid, van de Awb aan eiseres heeft medegedeeld dat binnen een beslistermijn van twaalf maanden zal worden beslist. Dit betekent dat verweerder tot 10 februari 2027 de tijd heeft om te beslissen. Volgens verweerder is dat een redelijke termijn waarbinnen een besluit kan worden genomen, omdat deze termijn aansluit bij de beslistermijnen die in artikel 6.2 van de Wht zijn bepaald voor aanvragen voor compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. De ingebrekestelling is daarom prematuur. Verweerder verzoekt de rechtbank dan ook om het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht af te wijzen.
Wat is de redelijke beslistermijn?
10. De rechtbank stelt vast dat voor het beslissen op een verzoek om compensatie op grond van de hzk-regeling geen wettelijke termijn geldt, zodat op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb een redelijke termijn geldt. Deze termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet binnen acht weken een beschikking heeft gegeven of een mededeling heeft gedaan met daarin een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien (zie artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit betekent dat verweerder in beginsel gehouden was om binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van eiseres een beschikking te geven of een mededeling te doen en daarbij een zo kort mogelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
11. Verweerder heeft binnen acht weken na ontvangst van het verzoek aan eiseres medegedeeld dat zij voor 12 februari 2027 bericht zal ontvangen. De rechtbank begrijpt dit zo dat verweerder hiermee bedoelt dat eiseres voor 12 februari 2027 een beschikking zal ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat dit bericht over het vaststellen van de beslistermijn niet rechtsgeldig is omdat verweerder in het bericht de genoemde termijn niet heeft gemotiveerd. Uit artikel 4:14, derde lid, van de Awb volgt niet dat de mededeling alleen rechtsgeldig is als de genoemde beslistermijn in deze mededeling (deugdelijk) is gemotiveerd. Dat volgt ook niet uit de door eiseres genoemde jurisprudentie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bericht van verweerder voldoet aan de vereisten van artikel 4:14, derde lid, van de Awb en dat verweerder met dat bericht de redelijke beslistermijn heeft bepaald op 12 maanden.
12. Vervolgens is de vraag of dit een redelijke beslistermijn is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
13. De rechtbank is van oordeel dat voor de redelijke termijn kan worden aangesloten bij de in de Wht genoemde beslistermijnen voor de integrale beoordeling, aangezien zowel bij de hzk-regeling als bij de integrale beoordeling verweerder bekijkt of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en/of een ‘opzet/grove schuld-registratie’. Dat het onderzoek dat verweerder in het kader van de hzk-regeling uitvoert niet meer inhoudt dan een simpele BSN-check, zoals eiseres tijdens de zitting heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. Het dossier van eiseres bevat namelijk ook openbare, algemene informatie over het onderzoek en de stappen die verweerder in het algemeen zet bij een beoordeling in het kader van de hzk-regeling. Daaruit blijkt dat als iemand voorkomt in een CAF-onderzoek, verweerder vervolgonderzoek doet om te beoordelen of er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Ook bij de beoordeling van de opzet/grove schuld-registratie zet verweerder vervolgstappen als blijkt dat iemand in de periode van 2005 tot en met 2019 toeslag moest terugbetalen. Verder staat in die algemene en openbare informatie dat verweerder onderzoek doet in meerdere systemen en naar verschillende soorten informatie. Daarmee verschilt het onderzoek in het kader van de hzk-regeling niet wezenlijk van het onderzoek in het kader van de integrale beoordeling. De rechtbank kan daarom volgen dat verweerder voor de redelijke beslistermijn van de hzk-regeling aansluiting heeft gezocht bij de in de Wht genoemde beslistermijn voor de integrale beoordeling.
14. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 6.2 van de Wht de beslistermijn voor de integrale beoordeling zes maanden bedraagt en dat deze termijn eenmalig kan worden verlengd met zes maanden. Het uitgangspunt van de Wht is dus dat in beginsel binnen zes maanden op een aanvraag wordt beslist. Verweerder heeft in de mededeling van 31 maart 2026 de redelijke beslistermijn bepaald op 12 maanden. Verweerder heeft echter niet toegelicht waarom hij aansluiting heeft gezocht bij de verlengde wettelijke beslistermijn uit de Wht en waarom hij niet zou kunnen beslissen binnen een termijn van zes maanden. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, namelijk dat verweerder een zo kort mogelijke termijn moet noemen waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien, acht de rechtbank de door verweerder genoemde termijn van 12 maanden niet redelijk.
15. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van zes maanden als een redelijke termijn kan worden gezien om te beslissen op een verzoek in het kader van de hzk-regeling. De omstandigheid dat verweerder in het geval van eiseres ook binnen zes maanden heeft besloten, onderstreept dat.
16. Uitgaande van een redelijke beslistermijn van zes maanden, had verweerder na ontvangst van het verzoek van eiseres op 10 februari 2026 uiterlijk op 10 augustus 2026 een besluit moeten nemen. Eiseres heeft verweerder op 14 april 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de redelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat betekent dat de ingebrekestelling prematuur is.
17. Omdat de ingebrekestelling prematuur is, heeft eiseres ten onrechte een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding verweerder te veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het door haar betaalde griffierecht.
Het dwangsombesluit
18. Tijdens de zitting is afgesproken dat de rechtbank in beroep ook zal beslissen op het bezwaar van eiseres tegen het dwangsombesluit van 17 juli 2026. Uit wat de rechtbank hiervoor onder 16 heeft overwogen en geoordeeld, volgt dat de ingebrekestelling prematuur is. Dat betekent dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft verbeurd. Het beroep is in zoverre ongegrond.
Conclusie
19. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het bericht gericht tegen het dwangsombesluit is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep gericht tegen het dwangsombesluit van 17 juli 2026 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:31.
ECLI:NL:RBDHA:2021:5524.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2017.
Zie [internetsite]
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3085
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L. Hofman),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 10 februari 2026 voor een beoordeling in het kader van de regeling voor huurtoeslag, zorgtoeslag, en kindgebonden budget (hzk-regeling) uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze uitspraak gaat ook over het dwangsombesluit, waarin verweerder heeft geweigerd een bestuurlijke dwangsom toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder tijdig heeft beslist en geen dwangsom is verschuldigd. Eiseres heeft dus geen gelijk. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het dwangsombesluit is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Op 10 februari 2026 heeft eiseres verweerder verzocht om een tegemoetkoming op grond van de hzk-regeling.
2.1.
Op 31 maart 2026 heeft verweerder de ontvangst bevestigd en geschreven “u krijgt voor 10 februari 2027 een brief”.
2.2.
Op 14 april 2026 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld en verzocht om alsnog een besluit te nemen. Op 29 april 2026 heeft eiseres beroep wegens niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank.
3. Verweerder heeft op 7 mei 2026 een besluit genomen en beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de hzk-regeling. De reden hiervoor is dat de twee beschreven fouten (institutioneel vooringenomen behandeld (CAF) en verkeerde stempel opzet/ grove schuld (O/GS)) niet zijn gemaakt bij eiseres.
3.1.
Op 8 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
4. Bij besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de ingebrekestelling niet terecht is, omdat de beslistermijn op het moment van de ingebrekestelling nog niet was verstreken. Verweerder heeft daarom geen dwangsom toegekend.
4.1.
Eiseres heeft op 3 augustus 2026 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.B. Visser als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en mr. [gemachtigde] als gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het beroep niet tijdig beslissen
5. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6. Eiseres heeft bij brief van 29 april 2026 beroep ingesteld, omdat zij stelt dat verweerder niet tijdig een beslissing op haar aanvraag heeft genomen. Inmiddels heeft verweerder beslist. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij haar beroep niet tijdig beslissen. Dat betekent dat het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
Proceskosten en griffierecht
7. Vervolgens is de vraag aan de orde of eiseres recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten en het door haar betaalde griffierecht in verband met het beroep niet tijdig beslissen. Daarvoor is van belang of eiseres het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. De rechtbank zal daarop hierna ingaan.
Standpunt eiseres
8. Eiseres stelt dat zij het beroep tegen niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. Zij heeft op 10 februari 2026 een aanvraag gedaan voor een beoordeling in het kader van de hzk-regeling Volgens eiseres bevat de Wht geen beslistermijn voor een dergelijke aanvraag. Daarom geldt op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder binnen een redelijke termijn moet beslissen. Deze termijn bedraagt acht weken. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2026. Eiseres voert verder aan dat verweerder in de ontvangstbevestiging van 31 maart 2026 weliswaar heeft geschreven dat eiseres voor 10 februari 2027 bericht ontvangt, maar dat die mededeling niet voldoet aan de vereisten voor het verlengen van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft toen namelijk alleen verwezen naar de ontvangstdatum van de aanvraag en een beslistermijn van 12 maanden genoemd, maar niet deugdelijk gemotiveerd waarom dat een redelijke beslistermijn zou zijn. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2021. Bovendien is de door verweerder genoemde beslistermijn van 12 maanden geen redelijke termijn, gelet op het beperkte onderzoek dat verweerder doet om te kunnen beslissen op de aanvraag. De werkwijze om tot een beslissing te komen, is immers gestandaardiseerd en rechtvaardigt geen beslistermijn van 12 maanden.
Standpunt verweerder
9. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift van 8 juni 2026 en op de zitting op het standpunt dat hij binnen de bedoelde termijn van artikel 4:14, derde lid, van de Awb aan eiseres heeft medegedeeld dat binnen een beslistermijn van twaalf maanden zal worden beslist. Dit betekent dat verweerder tot 10 februari 2027 de tijd heeft om te beslissen. Volgens verweerder is dat een redelijke termijn waarbinnen een besluit kan worden genomen, omdat deze termijn aansluit bij de beslistermijnen die in artikel 6.2 van de Wht zijn bepaald voor aanvragen voor compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. De ingebrekestelling is daarom prematuur. Verweerder verzoekt de rechtbank dan ook om het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht af te wijzen.
Wat is de redelijke beslistermijn?
10. De rechtbank stelt vast dat voor het beslissen op een verzoek om compensatie op grond van de hzk-regeling geen wettelijke termijn geldt, zodat op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb een redelijke termijn geldt. Deze termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet binnen acht weken een beschikking heeft gegeven of een mededeling heeft gedaan met daarin een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien (zie artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit betekent dat verweerder in beginsel gehouden was om binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van eiseres een beschikking te geven of een mededeling te doen en daarbij een zo kort mogelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
11. Verweerder heeft binnen acht weken na ontvangst van het verzoek aan eiseres medegedeeld dat zij voor 12 februari 2027 bericht zal ontvangen. De rechtbank begrijpt dit zo dat verweerder hiermee bedoelt dat eiseres voor 12 februari 2027 een beschikking zal ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat dit bericht over het vaststellen van de beslistermijn niet rechtsgeldig is omdat verweerder in het bericht de genoemde termijn niet heeft gemotiveerd. Uit artikel 4:14, derde lid, van de Awb volgt niet dat de mededeling alleen rechtsgeldig is als de genoemde beslistermijn in deze mededeling (deugdelijk) is gemotiveerd. Dat volgt ook niet uit de door eiseres genoemde jurisprudentie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bericht van verweerder voldoet aan de vereisten van artikel 4:14, derde lid, van de Awb en dat verweerder met dat bericht de redelijke beslistermijn heeft bepaald op 12 maanden.
12. Vervolgens is de vraag of dit een redelijke beslistermijn is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
13. De rechtbank is van oordeel dat voor de redelijke termijn kan worden aangesloten bij de in de Wht genoemde beslistermijnen voor de integrale beoordeling, aangezien zowel bij de hzk-regeling als bij de integrale beoordeling verweerder bekijkt of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en/of een ‘opzet/grove schuld-registratie’. Dat het onderzoek dat verweerder in het kader van de hzk-regeling uitvoert niet meer inhoudt dan een simpele BSN-check, zoals eiseres tijdens de zitting heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. Het dossier van eiseres bevat namelijk ook openbare, algemene informatie over het onderzoek en de stappen die verweerder in het algemeen zet bij een beoordeling in het kader van de hzk-regeling. Daaruit blijkt dat als iemand voorkomt in een CAF-onderzoek, verweerder vervolgonderzoek doet om te beoordelen of er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Ook bij de beoordeling van de opzet/grove schuld-registratie zet verweerder vervolgstappen als blijkt dat iemand in de periode van 2005 tot en met 2019 toeslag moest terugbetalen. Verder staat in die algemene en openbare informatie dat verweerder onderzoek doet in meerdere systemen en naar verschillende soorten informatie. Daarmee verschilt het onderzoek in het kader van de hzk-regeling niet wezenlijk van het onderzoek in het kader van de integrale beoordeling. De rechtbank kan daarom volgen dat verweerder voor de redelijke beslistermijn van de hzk-regeling aansluiting heeft gezocht bij de in de Wht genoemde beslistermijn voor de integrale beoordeling.
14. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 6.2 van de Wht de beslistermijn voor de integrale beoordeling zes maanden bedraagt en dat deze termijn eenmalig kan worden verlengd met zes maanden. Het uitgangspunt van de Wht is dus dat in beginsel binnen zes maanden op een aanvraag wordt beslist. Verweerder heeft in de mededeling van 31 maart 2026 de redelijke beslistermijn bepaald op 12 maanden. Verweerder heeft echter niet toegelicht waarom hij aansluiting heeft gezocht bij de verlengde wettelijke beslistermijn uit de Wht en waarom hij niet zou kunnen beslissen binnen een termijn van zes maanden. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, namelijk dat verweerder een zo kort mogelijke termijn moet noemen waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien, acht de rechtbank de door verweerder genoemde termijn van 12 maanden niet redelijk.
15. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van zes maanden als een redelijke termijn kan worden gezien om te beslissen op een verzoek in het kader van de hzk-regeling. De omstandigheid dat verweerder in het geval van eiseres ook binnen zes maanden heeft besloten, onderstreept dat.
16. Uitgaande van een redelijke beslistermijn van zes maanden, had verweerder na ontvangst van het verzoek van eiseres op 10 februari 2026 uiterlijk op 10 augustus 2026 een besluit moeten nemen. Eiseres heeft verweerder op 14 april 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de redelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat betekent dat de ingebrekestelling prematuur is.
17. Omdat de ingebrekestelling prematuur is, heeft eiseres ten onrechte een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding verweerder te veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het door haar betaalde griffierecht.
Het dwangsombesluit
18. Tijdens de zitting is afgesproken dat de rechtbank in beroep ook zal beslissen op het bezwaar van eiseres tegen het dwangsombesluit van 17 juli 2026. Uit wat de rechtbank hiervoor onder 16 heeft overwogen en geoordeeld, volgt dat de ingebrekestelling prematuur is. Dat betekent dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft verbeurd. Het beroep is in zoverre ongegrond.
Conclusie
19. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het bericht gericht tegen het dwangsombesluit is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep gericht tegen het dwangsombesluit van 17 juli 2026 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:31.
ECLI:NL:RBDHA:2021:5524.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2017.
Zie [internetsite]