Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6681

2026-09-30 Bestuursrecht UTR 25/5396
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5396
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar. Eiser heeft een aanvraag gedaan bij het college om in te worden geschreven in de basisregistratie personen op Herenstraat 35B of Herenstraat 35 in Hilversum. Het college heeft eiser per mail laten weten dat de inschrijving in de BRP niet mogelijk is omdat het adres waarop eiser zich wil inschrijven niet in de basisregistratie adressen en gebouwen (bag) voorkomt. Eiser heeft tegen de mail bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat zij stelt dat de mail een informatieve mededeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de mail gelijk moet worden gesteld met een besluit in de zin van de Awb. Het college heeft het bezwaar daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.254 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/5396


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Weldam),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum
(gemachtigde: mr. J.L.M. van den Broek)


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar. Eiser heeft een aanvraag gedaan bij het college om in te worden geschreven in de basisregistratie personen (brp) op [adres 1] of [adres 2] in [woonplaats] . Het college heeft eiser per mail laten weten dat de inschrijving in de BRP niet mogelijk is omdat het adres waarop eiser zich wil inschrijven niet in de basisregistratie adressen en gebouwen (bag) voorkomt. Eiser heeft tegen de mail bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat zij stelt dat de mail een informatieve mededeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank moet beoordelen of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de mail gelijk moet worden gesteld met een besluit in de zin van de Awb. Het college heeft het bezwaar daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser woonde in het buitenland en wil zich hervestigen in Nederland door zich in te schrijven in de BRP. Eiser is daarvoor in ieder geval op 9 oktober 2024, en naar eigen zeggen daarna nog enkele keren, naar het gemeentehuis in Hilversum gegaan. Daar werd gezegd dat hij zich niet kon inschrijven omdat het huisnummer waarop hij zich wilde inschrijven, namelijk [adres 1] in [woonplaats] , niet zou bestaan.



2.1.
Vervolgens heeft eiser op 14 juli 2025 per mail een aanvraag ingediend om te worden ingeschreven in de brp op [adres 1] in [woonplaats] , of als dat adres niet bestaat, desnoods op [adres 2] in [woonplaats] . Als dat niet mogelijk is, heeft eiser verzocht om een briefadres zodat hij zich in ieder geval in Nederland kan hervestigen.



2.2.
Het college heeft per mail gereageerd dat eiser niet kan worden ingeschreven in de BRP op [adres 1] in [woonplaats] omdat dat adres niet voorkomt in de bag. Het college geeft aan dat huiseigenaren woningen vaak splitsen zonder dat dit officieel wordt aangevraagd en wordt geregistreerd in de bag. Het college adviseert eiser daarom om eerst met zijn verhuurder te regelen dat [adres 1] in de bag wordt ingeschreven. Daarna kan eiser zich pas op dat adres in de brp laten inschrijven.



2.3.
Eiser heeft tegen de mail bezwaar gemaakt.



2.4.
Het college heeft op 18 augustus 2025 besloten dat bezwaar niet in behandeling te nemen (het bestreden besluit) omdat de mail geen besluit is in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt.



2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.6.
Daarnaast heeft eiser op 30 april 2026 opnieuw een aanvraag gedaan bij het college om te worden ingeschreven in de brp. Die aanvraag is met een besluit afgewezen en daartegen loopt een afzonderlijke bezwaarprocedure.



2.7.
In deze beroepsprocedure gaat het alleen om de vraag of het bezwaar tegen de mail van 17 juli 2025 door het college terecht niet in behandeling is genomen.



2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank



Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

3. Eiser vindt dat het college zijn bezwaar in behandeling had moeten nemen. Het buiten behandeling stellen van bezwaar kan volgens eiser niet. Daarbij is de mail een afwijzing van zijn aanvraag om te worden ingeschreven in de brp en is daarmee een besluit in de zin van de Awb. Eiser wil dat zijn bezwaar inhoudelijk wordt behandeld en dat hij vervolgens alsnog met terugwerkende kracht wordt ingeschreven in de brp. Eiser heeft daar belang bij omdat hij schade heeft geleden. In de periode dat hij zonder adres zat, heeft hij bijvoorbeeld geen VOG kunnen aanvragen en dus niet kunnen werken. Ook kan eiser voor deze periode in de toekomst worden gekort op zijn AOW terwijl dat volgens hem niet terecht is.



3.1.
Het college heeft in verweer en tijdens de zitting vooropgesteld dat zij het bezwaar inderdaad in behandeling had moeten nemen. Het college heeft bedoeld het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, betekent dat een bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld omdat het niet aan een wettelijk vereiste voor het instellen van bezwaar voldoet. In dit geval is niet aan het wettelijk vereiste voldaan dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit. Volgens het college is de mail namelijk geen besluit, maar slechts een informatieve mededeling aan eiser dat hij zich niet kan inschrijven in de brp omdat het adres [adres 1] in [woonplaats] niet in de bag staat. Daarom is het bezwaar dus in ieder geval terecht niet inhoudelijk behandeld.



3.2.
De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval de mail van het college gelijk moet worden gesteld met een besluit in de zin van de Awb. Dat betekent ook dat het college het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en het bezwaar dus inhoudelijk moet behandelen. Daarvoor is het volgende van belang.



3.3.
Allereerst benadrukt de rechtbank dat het voor een inschrijving in de BRP van belang is waar iemand feitelijk verblijft. Of een adres waar iemand feitelijk verblijft in de bag staat, is dus niet relevant voor de vraag of iemand op dat adres kan worden ingeschreven in de brp. Het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) is namelijk dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp (Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6, blz. 67-69) volgt namelijk dat het woonadres in feitelijke zin wordt opgevat. Hieruit volgt eveneens dat het uitgangspunt van de Wet brp is om de feitelijke situatie vast te leggen, ongeacht of deze situatie wettelijk is toegestaan of gewenst is. Dat de verhuurder van eiser de woning niet officieel heeft gesplitst en heeft ingeschreven in de bag is dus niet relevant voor de vraag of eiser op het adres waar hij feitelijk verblijft kan worden ingeschreven in de brp.



3.4.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser zich verschillende keren heeft geprobeerd in te schrijven op zijn feitelijke verblijfplaats, namelijk [adres 1] , of desnoods [adres 2] . Het college heeft daar echter geen onderzoek naar gedaan en alleen gemaild dat [adres 1] niet in de bag staat, terwijl het college bij de latere aanvraag uit april 2026 wel onderzoek heeft gedaan naar de aanvraag van eiser. Dat betekent dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen te mailen dat eiser niet kan worden ingeschreven in de brp. In dat kader wijst de rechtbank op artikel 2.60, onder a, van de Wet brp. Dat artikel bepaalt dat een beslissing van het college om aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven, gelijk wordt gesteld met een besluit in de zin van de Awb. In dit geval heeft het college met de mail feitelijk geen gevolg gegeven aan de aanvraag van eiser om zich in te willen schrijven in de brp. Het college stelt namelijk dat [adres 1] niet in de bag staat en heeft niet gereageerd op eisers verzoek om zich desnoods in te laten schrijven op [adres 2] . Daarnaast geeft het college in de mail aan dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een briefadres omdat eiser wel feitelijk ergens woont. Daarmee stelt het college enerzijds dat eiser geen aanvraag voor een briefadres kan doen omdat hij feitelijk ergens woont, maar dat eiser anderzijds zich niet kan inschrijven in de brp omdat het adres waar hij feitelijk woont niet officieel in de bag staat geregistreerd. Door deze opvattingen van het college kan eiser zich op geen enkele manier laten inschrijven in de brp, terwijl hij wel een feitelijke verblijfplaats had. Eiser wordt daardoor dus in zijn rechtspositie aangetast. Als eiser vervolgens tegen die mail ook geen bezwaar kan maken, kan hij die opvatting van het college niet aanvechten.



3.5.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat in dit specifieke geval de mail gelijk moet worden gesteld met een besluit zodat eisers bezwaar daartegen door het college inhoudelijk moet worden behandeld.



3.6.
Deze beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is gegrond omdat de mail van het college in dit geval gelijk moet worden gesteld met een besluit. Dit betekent ook dat het college het bezwaar van eiser onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen en inhoudelijk op het bezwaar van eiser moet beslissen. Het is daarbij aan eiser om aan te tonen dat hij in de periode vanaf de aanvraag totdat hij is verhuisd, feitelijk op het adres heeft gewoond waarvoor hij wil worden ingeschreven in de brp. Eiser heeft daarnaast op zitting gesteld dat hij belang heeft bij een nieuw te nemen besluit, omdat hij met terugwerkende kracht op [adres 1] of [adres 2] wil worden ingeschreven. De rechtbank kan het zich voorstellen dat het college het nieuw te nemen besluit in deze procedure betrekt bij het nog te nemen besluit in bezwaar in de procedure van de latere aanvraag uit april 2026.



4.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.



4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 augustus 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.





De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:770, r.o. 3.2.