Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6679

2026-09-30 Bestuursrecht UTR 25/6048
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6048
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het tijdelijk huisverbod dat de burgemeester van de gemeente Utrecht aan eiser heeft opgelegd van 10 dagen voor de [adres] in [woonplaats] omdat de burgemeester een ernstig vermoeden had dat eisers aanwezigheid in die woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen. Eiser is het niet eens met het tijdelijk huisverbod. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester het tijdelijk huisverbod aan eiser mocht opleggen. Maar de burgemeester heeft onvoldoende de belangen van eiser afgewogen bij het nemen van dat besluit. Het besluit tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod bevat daarom een motiveringsgebrek. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit echter wel in stand. Dat betekent dat de rechtbank vindt dat het tijdelijk huisverbod wel terecht aan eiser is opgelegd, ondanks het motiveringsgebrek.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.437 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/6048


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),


en


de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Braxhoven en K. Katir).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (belanghebbende).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het tijdelijk huisverbod dat de burgemeester van de gemeente Utrecht (de burgemeester) aan eiser heeft opgelegd. Eiser heeft een tijdelijk huisverbod gekregen van 10 dagen voor de [adres] in [woonplaats] omdat de burgemeester een ernstig vermoeden had dat eisers aanwezigheid in die woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen. Eiser is het niet eens met het tijdelijk huisverbod. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank moet beoordelen of de burgemeester het tijdelijk huisverbod aan eiser mocht opleggen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester het tijdelijk huisverbod aan eiser mocht opleggen. Maar de burgemeester heeft onvoldoende de belangen van eiser afgewogen bij het nemen van dat besluit. Het besluit tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod bevat daarom een motiveringsgebrek. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit echter wel in stand. Dat betekent dat de rechtbank vindt dat het tijdelijk huisverbod wel terecht aan eiser is opgelegd, ondanks het motiveringsgebrek. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Op 9 september 2025 heeft belanghebbende een melding gedaan bij de wijkagent over verschillende incidenten tussen haar en eiser die in de periode daarvoor hebben plaatsgevonden. Tijdens de incidenten zou er sprake zijn geweest van huiselijk geweld, voornamelijk verbale agressie en intimidatie.



2.1.
Op 12 september 2025 heeft de politie belanghebbende daarover gehoord. Op 15 september 2025 heeft Veilig Thuis, samen met de politie, eiser hierover gehoord.



2.2.
Vervolgens heeft de burgemeester ook op 15 september 2025 aan eiser een tijdelijk huisverbod voor 10 dagen opgelegd (het bestreden besluit). Dat betekent dat eiser voor 10 dagen niet op de [adres] in [woonplaats] (de woning) mocht komen en ook geen contact mocht hebben met belanghebbende en hun kinderen.



2.3.
Op 25 september 2025 heeft de burgemeester besloten om het tijdelijk huisverbod niet te verlengen. De belangrijkste reden daarvoor is dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt tussen eiser en belanghebbende. Namelijk dat eiser en belanghebbende niet meer samen in de woning zullen verblijven, maar om en om met de kinderen.



2.4.
Eiser is het niet eens met het tijdelijk huisverbod en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van de burgemeester en belanghebbende. Eisers gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Mocht de burgemeester aan eiser een tijdelijk huisverbod opleggen?

3. Eiser stelt dat de burgemeester het tijdelijk huisverbod niet aan hem mocht opleggen. Eiser erkent dat er sprake is geweest van verbale agressie vanuit zijn kant en dat er ruzies hebben plaatsgevonden omdat de echtscheiding tussen hem en belanghebbende niet goed verloopt. Maar daaruit blijkt niet dat er sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van belanghebbende of hun kinderen. Er was geen sprake van een acute noodsituatie waardoor een tijdelijk huisverbod noodzakelijk was. Tijdens de zitting heeft eiser erkend dat hij belanghebbende inderdaad heeft uitgescholden zoals beschreven in het dossier, maar dat er nooit een gevaar voor haar was. Hij zou haar en hun kinderen nooit wat aandoen. Daarbij heeft de burgemeester zich alleen gebaseerd op de verklaring van belanghebbende die in het Risiciotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiGH) is opgenomen. Dat geeft volgens eiser een eenzijdig beeld van wat er daadwerkelijk speelde. Ten slotte vindt eiser dat er bij het opleggen van het tijdelijk huisverbod hoe dan ook niet kan worden gesproken van een onmiddellijk gevaar of een acute noodsituatie aangezien het na de melding op 9 september 2025 nog zes dagen heeft geduurd voordat het huisverbod daadwerkelijk werd opgelegd.



3.1.
De burgemeester vindt daarentegen dat hij het tijdelijk huisverbod terecht aan eiser heeft opgelegd. De burgemeester stelt dat er op 15 september 2025 een ernstig vermoeden bestond dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen. De burgemeester baseert dat op verschillende incidenten van met name verbale agressie en intimidatie richting belanghebbende en het openlijk gebruiken van middelen (waaronder het spuiten van anabolen) door eiser, ook waar hun kinderen bij waren. De burgemeester heeft tijdens de zitting toegelicht dat de opeenstapeling van incidenten heeft geleid tot de conclusie dat er een grens moest worden getrokken. Er was sprake van een situatie die elk moment verder kon escaleren en de burgemeester wilde daar niet op wachten. Daarom heeft de burgemeester een preventief tijdelijk huisverbod opgelegd als afkoelperiode. De burgemeester vindt dat hij terecht mocht concluderen dat er op 15 september 2025 (nog steeds) een vermoeden was van een ernstig en onmiddellijk gevaar, ondanks dat er zes dagen tussen de melding en het daadwerkelijke bestreden besluit hebben gezeten. Daarvoor was beslissend: een nog bestaande gezamenlijke woonsituatie, een escalatie die zes dagen eerder opnieuw was gemeld, voortdurende relationele spanningen, angst bij belanghebbende en de dochter en de erkenning door eiser van doelbewuste nachtelijke intimidatie. Ten slotte is bij het opleggen van het tijdelijk huisverbod niet alleen de verklaring van belanghebbende meegenomen, maar ook eerdere meldingen bij de politie en Veilig Thuis en informatie van die organisaties, het verslag van de situatie ter plaatse, een proces-verbaal van bevindingen en de verklaringen van eiser bij de politie en Veilig Thuis. De burgemeester stelt dus dat hij het besluit dus niet alleen op basis van de verklaring van belanghebbende heeft genomen.



3.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de burgemeester op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huisverbod kan opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat zijn aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of indien een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het opleggen van een huisverbod is een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Vanwege de spoedeisende aard van een huisverbod is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, opleveren.



3.3.
De burgemeester heeft voor het opleggen van een tijdelijk huisverbod beoordelingsruimte. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop de burgemeester van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of de burgemeester redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.



3.4.
De rechtbank oordeelt in dit geval dat de burgemeester aan eiser een tijdelijk huisverbod van 10 dagen heeft mogen opleggen omdat er, gelet op de samenhang van de incidenten, een ernstig vermoeden bestond dat de aanwezigheid van eiser in de woning voor ernstig en onmiddellijk gevaar kon zorgen voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.



3.5.
Er hebben zich in de periode voorafgaand aan het tijdelijk huisverbod verschillende incidenten voorgedaan. Eiser ontkent deze incidenten niet. Er is al langere tijd sprake van een huwelijk waarbij de spanningen steeds verder oplopen, met name na de coronapandemie. De rechtbank maakt daarnaast uit het dossier op dat eiser in ieder geval sinds een jaar stimulerende middelen gebruikt voor het sporten, waaronder anabolen, testosteron, amfetamine en Lomax. Er zijn zowel pillen als spuiten aangetroffen. Uit het proces-verbaal blijkt dat het gebruik vanaf 2024 toenam. Vanaf toen schold eiser belanghebbende ook regelmatig uit en in juni 2025 heeft eiser na een ruzie met belanghebbende gedaan alsof hij haar van de fiets zou rijden door met zijn auto heel dicht op belanghebbende te rijden. Zowel uit de politieadministratie en de administratie van Veilig Thuis blijkt dat er in die periode bij beide organisaties verschillende meldingen zijn gedaan van huiselijk geweld.



3.6.
Verder blijkt uit het dossier dat eiser belanghebbende op 3 augustus 2025 ’s nachts twee keer heeft geïntimideerd. Belanghebbende lag met hun dochter te slapen en eiser is de kamer binnengestormd, boog zich over belanghebbende heen en heeft haar uitgescholden voor onder meer ‘kankerhoer’ en ‘kutwijf’. Eiser heeft vervolgens ook een handdoek naar belanghebbende gegooid en onder meer geschreeuwd dat hij haar ‘kapot gaat maken’. Hun dochter is hiervan getuige geweest. Belanghebbende geeft aan zich erg onveilig te hebben gevoeld.



3.7.
Op 9 september 2025 heeft belanghebbende wederom een melding gedaan bij de wijkagent. Belanghebbende geeft aan dat het middelengebruik van eiser toeneemt en dat hij de middelen ook openlijk in de woning gebruikt. Toen belanghebbende hem hiermee confronteerde heeft eiser haar naakt achtervolgd en uitgescholden.



3.8.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser bovenstaande incidenten niet ontkent. Daarnaast bestaat het dossier niet alleen uit een verklaring van belanghebbende in de RiGH, maar heeft de burgemeester ook eiser gehoord, het proces-verbaal van bevindingen en de situatie ter plaatse geraadpleegd en de administratie van Veilig Thuis en de politie bekeken.



3.9.
De rechtbank oordeelt daarom dat de burgemeester mocht concluderen dat er op 15 september 2025 een ernstig vermoeden bestond dat de aanwezigheid van eiser voor een ernstig en onmiddellijk gevaar kon zorgen voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen. De spanning tussen eiser en belanghebbende liep steeds verder op en ook eisers middelengebruik nam steeds extremere vormen aan. Tijdens de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de samenhang van bovengenoemde incidenten ervoor zorgde dat er een grens moest worden getrokken om verdere escalatie te voorkomen. Daarbij is ook van belang dat de 14-jarige zoon en met name de 12-jarige dochter de scheldpartijen, bedreigingen en het middelgebruik meekregen, met name bij de laatste incidenten uit augustus en september 2025. Er bestond daarom bij de burgemeester een terecht ernstig vermoeden dat de mentale en emotionele veiligheid van belanghebbende en de kinderen in gevaar was als eiser in de woning zou blijven. Eiser heeft weliswaar tijdens de zitting gezegd dat hij belanghebbende en hun kinderen nooit wat aan zou doen, maar dat komt niet overeen met de incidenten waarin hij, vaak onder invloed van middelen, uit zijn dak gaat richting belanghebbende in de aanwezigheid van hun kinderen. Daarbij heeft eiser toegegeven dat hij belanghebbende doelbewust bang wilde maken.



3.10.
Het tijdelijk huisverbod strekt er blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth toe om in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel die kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar er situaties zijn ontstaan waarbij er acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen. In dit geval mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat een afkoelingsperiode nodig was om escalatie te voorkomen. Een huisverbod is juist geschikt voor een situatie zoals deze, waarin belanghebbende zich al langere tijd onveilig voelt, de bedreigingen en intimidatie toenemen waardoor de emotionele en mentale veiligheid van belanghebbende en haar kinderen steeds meer onder druk komt te staan en aanleiding geeft om te vermoeden dat de situatie elk moment zou kunnen escaleren in fysiek geweld. Het is in zo’n situatie aan de burgemeester om te bepalen waar hij een lijn trekt en wanneer hij oordeelt dat een tijdelijk huisverbod nodig is om die escalatie te voorkomen. Het zou tegen het doel van de Wth ingaan als de burgemeester moet wachten totdat zich een concreet incident van fysiek huiselijk geweld voordoet.



3.11.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het feit dat er zes dagen zit tussen de laatste melding bij de wijkagent en het daadwerkelijke besluit, in dit geval geen verschil maakt voor de vraag of er sprake is van een vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid. De burgemeester heeft in het verweer en tijdens de zitting voldoende gemotiveerd waarom er op 15 september 2025 een ernstig vermoeden bestond dat de aanwezigheid van eiser in de woning voor ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen kon zorgen. Of er ten tijde van de melding bij de wijkagent op 9 september 2025 al een vermoeden van een onmiddellijk gevaar bestond, doet niet af aan de beoordelingsruimte die de burgemeester heeft om te concluderen dat dat onmiddellijke gevaar op 15 september 2025 ongewijzigd was. Dit tijdsverloop is daarnaast begrijpelijk omdat er geen concreet incident van huiselijk geweld was, maar het een samenhang van incidenten was waarin de burgemeester besloot een grens te trekken om verdere escalatie te voorkomen.



3.12.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de burgemeester kon en mocht besluiten tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod aan eiser.



3.13.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Was het tijdelijk huisverbod evenredig?

4. Eiser stelt verder dat het bestreden besluit onevenredig is. Door alleen te overwegen dat hun kinderen met name door belanghebbende worden verzorgd, heeft de burgemeester geen kenbare en inzichtelijke belangenafweging gemaakt en blijkt dus niet of de burgemeester heeft beoordeeld of het huisverbod in het geval van eiser een evenredige beslissing is. Daarnaast heeft de burgemeester niet gekeken of er minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.




4.1.
De burgemeester heeft in zijn verweer en tijdens de zitting toegegeven dat in het bestreden besluit de belangenafweging beknopt is weergegeven, maar dat die in samenhang moest worden gelezen met wat er in de RiGH staat. Dat belanghebbende voor de kinderen zorgt, was voor de burgemeester doorslaggevend, maar dat is niet het enige belang dat hij heeft meegewogen. Zo heeft de burgemeester toegelicht dat hij het belang van eiser om in de woning te blijven wonen, het belang van toegang tot zijn eigendommen en het belang van contact met zijn kinderen heeft afgewogen tegen de belangen die gediend waren met het tijdelijk huisverbod. Namelijk de lichamelijke en psychische veiligheid van belanghebbende en het feit dat hun kinderen daarbij betrokken zijn, de angst voor een escalatie, het belang van hun kinderen om in de woning te kunnen blijven en het belang van tijdelijke fysieke afstand en een afkoelingsperiode. De burgemeester heeft die laatste belangen zwaarder gewogen dan de belangen van eiser om in de woning te blijven en heeft daarbij ook gekeken naar welke periode redelijk is, namelijk 10 dagen. Het tijdelijk huisverbod was daarmee een geschikt en noodzakelijk middel om escalatie te voorkomen en de veiligheid van belanghebbende en hun kinderen te waarborgen. Een minder ingrijpend middel was volgens de burgemeester niet mogelijk. Belanghebbende heeft daarover tijdens de zitting toegelicht dat de politie wel heeft overwogen om tussen de melding en het besluit een gesprek aan te gaan met eiser, maar de politie zou de inschatting hebben gemaakt dat dat ‘olie op het vuur’ zou zijn. Kortom, een minder ingrijpend middel zou wel zijn overwogen, maar daarvoor is niet gekozen.



4.2.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit bij de belangenafweging alleen staat beschreven dat belanghebbende voor de kinderen zorgt. Er staat verder niet genoemd wat dat betekent, tegen welke andere belangen dat is afgewogen en of dat het belang is dat voor de burgemeester inderdaad doorslaggevend is geweest. De burgemeester heeft dit pas nader toegelicht in verweer en tijdens de zitting. De rechtbank oordeelt daarom dat de burgemeester in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd welke belangen hij tegen elkaar heeft afgewogen om tot het bestreden besluit te komen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.



4.3.
Deze beroepsgrond slaagt en het besluit zal daarom worden vernietigd.



4.4.

De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten omdat de belangenafweging in het verweerschrift en op de zitting duidelijk en toereikend is toegelicht.

Overige beroepsgronden

5. Eiser heeft ten slotte nog aangevoerd dat hem geen zienswijze is gevraagd voordat het bestreden besluit is genomen, dat de locoburgemeester niet bevoegd was het besluit te ondertekenen en hij heeft verzocht om een schadevergoeding voor de kosten die hij heeft gemaakt tijdens het huisverbod.




5.1.
De rechtbank oordeelt allereerst dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit bij Veilig Thuis en de politie is gehoord. In dat gesprek heeft eiser zijn kant van het verhaal kunnen doen. Hiermee is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven. Daarnaast blijkt uit de RiGH dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit is gevraagd wat hij van het voornemen vond om hem een tijdelijk huisverbod op te leggen. Ook daar heeft eiser dus zijn zienswijze naar voren kunnen brengen.



5.2.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat de locoburgemeester op grond van artikel 77 van de Gemeentewet bevoegd was het besluit te nemen.



5.3.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om een schadevergoeding af omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege het motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van dat besluit worden in stand gelaten. Dat betekent ook dat het tijdelijk huisverbod dus niet onrechtmatig is opgelegd en eiser daarom geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding.



5.4.
Deze beroepsgronden slagen niet.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel omdat de belangen in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk zijn afgewogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de belangenafweging later in de procedure duidelijk is toegelicht.



6.1.
Omdat het beroep gegrond is vanwege het motiveringsgebrek, moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 september 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.




De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 7:1, eerste lid, onder g, en Bijlage 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat rechtstreeks beroep open tegen een besluit genomen op basis van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2290, r.o. 7.2.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2290, r.o. 7.3.


Uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2520, r.o. 2.3.