Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6667
2026-09-11
Civiel recht
12105966 \ AC EXPL 26-391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Non-conformiteit en ongedaanmaking. De koopovereenkomst is door eiser terecht ontbonden en gedaagde moet aan eiser het aankoopbedrag van € 2.000 terugbetalen en de inruilauto teruggeven. Ook moet gedaagd de schade van eiser vergoeden.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1338 Hoge Raad 15-04-1994
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.964 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12105966 \ AC EXPL 26-391
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 11 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.S. Bosch,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Coskun.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door M.A. Overmars, kantonrechter, bijgestaan door mr. E. Tak als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer J.L. [eiser]
- mr. R.S. Bosch
- de heer [A] (directeur en indirect bestuurder van [gedaagde] )
- mr. D. Coskun.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 11
de conclusie van antwoord.
1.2
Partijen hebben op de zitting van 11 september 2026 hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in de paragrafen 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2Waar gaat de zaak over?
2.1
[eiser] heeft een tweedehands BMW gekocht van [gedaagde] . [eiser] heeft de BMW gekocht voor een koopprijs van € 6.000,00. De koopprijs heeft hij betaald door het inruilen van een Audi, waarvan de waarde door partijen op € 4.000 is vastgesteld, en betaling van € 2.000.
2.2
Binnen twee dagen na de verkoop constateerde [eiser] verschillende gebreken aan de motor van de auto. Zo viel de motor uit tijdens het rijden, raakte de motor verhit en knipperden motorstoringslampjes op het dashboard. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen in de gelegenheid gesteld om deze gebreken op te lossen, maar de gebreken zijn niet verholpen.
3De beoordeling
De belangrijkste beslissingen
3.1
De koopovereenkomst is door [eiser] terecht (dus: rechtsgeldig) ontbonden en [gedaagde] moet aan [eiser] het aankoopbedrag van € 2.000 terugbetalen en de Audi teruggeven. Ook moet [gedaagde] de schade van [eiser] van € 258,50 vergoeden.
De BMW beantwoordde bij levering niet aan de koopovereenkomst
3.2
[eiser] heeft op 3 juni 2025 als consument van [gedaagde] een BMW uit 2002 gekocht. Bij een consumentenkoop heeft de koper de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden als de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. De bevoegdheid om te ontbinden, ontstaat pas als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, of de verkoper tekort is geschoten in zijn verplichting om binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.3
Een afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden, dat wil zeggen moet aan de gerechtvaardigde verwachting van de koper voldoen. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. De gerechtvaardigde verwachting wordt ingekleurd door de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper heeft gedaan. Als een (tweedehands) auto wordt gekocht waarvan de verkoper weet dat deze wordt gekocht om daarmee aan het verkeer deel te nemen, beantwoordt de auto in principe niet aan de overeenkomst als door een gebrek aan de auto (dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld) het gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. De auto is dan ‘non-conform’.
3.4
Het staat vast dat de motor van de BMW niet goed functioneert en de BMW daardoor niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. Zo is de motor meerdere malen uitgevallen tijdens het rijden. [eiser] heeft zijn stelling dat de motor slecht functioneert, onderbouwd met het rapport van DEKRA. Daaruit blijkt dat de motor zo slecht functioneert dat DEKRA het niet heeft aangedurfd om er een proefrit mee te maken.
Dit gebrek aan de motor kan niet op eenvoudige wijze worden ontdekt door [eiser] en hersteld. Dat blijkt wel uit het feit dat [gedaagde] twee keer geprobeerd heeft de motorproblemen te verhelpen, maar dit niet is gelukt.
3.5
[gedaagde] betwist dat de problemen aan de motor bij levering van de BMW aanwezig waren. Maar deze in algemene woorden gedane betwisting is onvoldoende. Gelet op de technische kennis die bij een autogarage verwacht mag worden aanwezig te zijn, had [gedaagde] haar betwisting moeten concretiseren. Bovendien bepaalt de wet bij een consumentenkoop dat een zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord als het gebrek zich binnen één jaar na levering openbaart. De motorproblemen hebben zich ruim binnen één jaar na levering geopenbaard.
3.6
Kortom, de BMW beantwoordde bij de levering niet aan de koopovereenkomst.
[gedaagde] heeft de BMW niet binnen een redelijke termijn hersteld
3.7
[eiser] heeft de BMW twee keer naar [gedaagde] gebracht om de motor van de auto te herstellen, namelijk op 9 juni 2025 en 19 september 2025. Beide keren is de motor van de BMW niet hersteld. Daarmee is [gedaagde] tekort geschoten in haar verplichting om de BMW binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.8
[eiser] heeft de koopovereenkomst dan ook op 26 januari 2026 terecht buitengerechtelijk ontbonden.
[gedaagde] moet de Audi aan [eiser] teruggeven en € 2.000 aan [eiser] terugbetalen
3.9
De ontbinding van 26 januari 2026 bevrijdt [eiser] en [gedaagde] van de daardoor getroffen verbintenissen. Dit betekent dat:
de BMW terug moet naar [gedaagde] , wat ook al is gebeurd,
de Audi terug moet naar [eiser] ,
[gedaagde] aan [eiser] € 2.000 moet terugbetalen.
3.10
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de waarde van de BMW inmiddels is verminderd. Deze waardevermindering zou moeten worden verrekend met het hiervoor genoemde bedrag van € 2.000. Dat wijst de kantonrechter af. De waardevermindering van de BMW wordt door [eiser] betwist en [gedaagde] heeft deze waardevermindering niet gemotiveerd en onderbouwd. Dat had zij wel moeten en kunnen doen. Zij had een concreet bedrag voor de waardevermindering moeten noemen en had een rapport kunnen overleggen waaruit de waardevermindering van de BMW blijkt. De BMW staat namelijk bij [gedaagde] .
3.11
Ook de factuur van [gedaagde] van € 544,26 voor de onderzoekskosten aan de Audi worden niet verrekend met het bedrag van € 2.000. Volgens [gedaagde] is de grondslag voor de gevorderde onderzoekskosten een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De Audi voldeed volgens [gedaagde] niet aan de koopovereenkomst. Maar voor toewijzing van een dergelijke vordering is verzuim van [eiser] vereist en daarover heeft [gedaagde] niets gesteld. [gedaagde] heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] door [gedaagde] in gebreke is gesteld en hem een mogelijkheid tot herstel is geboden.
3.12
Verder beroept [gedaagde] zich voor de verrekening van de factuur van € 544,26 voor de onderzoekskosten aan de Audi op dwaling. Ook dit beroep op dwaling slaagt niet. [gedaagde] heeft namelijk niet gedwaald door inlichtingen van [eiser] , wat wel vereist is voor een geslaagd beroep op dwaling. [eiser] heeft toen hij de Audi bij [gedaagde] inleverde, niet gezegd dat de Audi in goede staat was. [eiser] heeft gezegd dat er een paar lampjes op het dashboard brandden. Andere gebreken kende hij niet. [gedaagde] mocht er dan op grond van de mededelingen van [eiser] er niet van uitgaan dat de Audi in goede staat was.
3.13
Tot slot wordt ook de door [gedaagde] gestelde gebruikersvergoeding voor de BMW, niet met het bedrag van € 2.000 verrekend. [eiser] betwist dat hij een gebruikersvergoeding voor de BMW aan [gedaagde] moet betalen. [gedaagde] had daarom deze vergoeding moeten onderbouwen, zeker omdat de BMW niet of nauwelijks gebruikt kon worden door de gebreken aan de motor. Dat heeft zij niet gedaan.
[gedaagde] moet over het bedrag van € 2.000 wettelijke rente betalen
3.14
[gedaagde] moet over het bedrag van € 2.000 vanaf 6 februari 2026 wettelijke rente betalen. [eiser] heeft recht op deze € 2.000 omdat [gedaagde] [eiser] betaling ongedaan moet maken. [gedaagde] is vanaf 1 februari 2026 in verzuim met deze terugbetalingsverplichting. In de e-mail van 26 januari 2026 wordt namelijk de koopovereenkomst terecht ontbonden en krijgt [gedaagde] tot en met 30 januari 2026 de tijd om de koopsom terug te betalen. [eiser] vordert vanaf 11 juli 2025, of anders vanaf de datum van de dagvaarding (6 februari 2026) de wettelijke rente over de koopsom. Aangezien [gedaagde] op 11 juli 2025 nog niet in verzuim was, wordt de wettelijke rente over het bedrag van € 2.000 vanaf 6 februari 2026 toegewezen.
[gedaagde] moet de schade van [eiser] van € 258,50 vergoeden
3.15
Als bij een consumentenkoop de geleverde zaak non-conform is, heeft de koper op grond van de wet recht op schadevergoeding. [eiser] heeft schadevergoeding gevorderd van € 229,40 voor de onderzoekskosten die hij aan DEKRA heeft betaald en € 29,10 voor het schorsen van het kenteken van de BMW, omdat hij niet aan het verkeer kon deelnemen. [gedaagde] heeft deze kosten niet betwist. De kantonrechter wijst dan ook een bedrag van in totaal € 258,50 toe.
[gedaagde] moet over de schade wettelijke rente betalen
3.16
[gedaagde] moet vanaf 6 februari 2026 (de datum van dagvaarding) de wettelijke rente over de schade van € 258,50 vergoeden. [eiser] vordert de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 11 juli 2025 maar de gevorderde schade was door [eiser] toen nog niet geleden. De kosten waren toen door [eiser] namelijk nog niet gemaakt. De eerstvolgende gevorderde datum voor het betalen van de wettelijke rente is de datum van dagvaarding.
De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
3.17
[eiser] vordert € 832,39 aan buitengerechtelijke kosten. Deze vordering is gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, maar dat is hier niet van toepassing. Het gaat namelijk niet om een vordering tot nakoming van een handels- of consumentenovereenkomst, maar om een vordering op grond van ongedaanmaking. Dan is vereist dat er meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan aanmaningen of andere eenvoudige brieven. Dit is niet gesteld door [eiser] .
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.18
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,67
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.285,67
3.19
De kantonrechter zei op zitting dat de proceskosten zonder nakosten € 1.159,67 waren, maar heeft daarbij een rekenfout gemaakt. De proceskosten en nakosten zijn hierboven berekend conform het liquidatietarief. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.20
De kantonrechter zal, met uitzondering van de verklaring voor recht, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
verklaart voor recht dat [eiser] de koopovereenkomst op 26 januari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om de Audi terug te leveren aan [eiser] ,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 6 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 258,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 6 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.285,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling,
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de betekening tot de dag van volledige betaling.
4.7
verklaart 4.2 tot en met 4.6 uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.A. Overmars en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Artikel 7:22 lid 1 BW.
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338, NJ 1995/614 (Schirmeister/De Heus).
Artikel 7:18a lid 2 BW.
Artikel 6:74 lid 1 BW.
Artikel 7:17 BW.
Artikel 6:74 lid 2 BW.
Artikel 6:228 BW.
Artikel 6:228 lid 1 onder a BW.
Artikel 6:119 BW.
Artikel 7:24 lid 1 BW.
Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12105966 \ AC EXPL 26-391
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 11 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.S. Bosch,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Coskun.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door M.A. Overmars, kantonrechter, bijgestaan door mr. E. Tak als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer J.L. [eiser]
- mr. R.S. Bosch
- de heer [A] (directeur en indirect bestuurder van [gedaagde] )
- mr. D. Coskun.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 11
de conclusie van antwoord.
1.2
Partijen hebben op de zitting van 11 september 2026 hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in de paragrafen 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2Waar gaat de zaak over?
2.1
[eiser] heeft een tweedehands BMW gekocht van [gedaagde] . [eiser] heeft de BMW gekocht voor een koopprijs van € 6.000,00. De koopprijs heeft hij betaald door het inruilen van een Audi, waarvan de waarde door partijen op € 4.000 is vastgesteld, en betaling van € 2.000.
2.2
Binnen twee dagen na de verkoop constateerde [eiser] verschillende gebreken aan de motor van de auto. Zo viel de motor uit tijdens het rijden, raakte de motor verhit en knipperden motorstoringslampjes op het dashboard. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen in de gelegenheid gesteld om deze gebreken op te lossen, maar de gebreken zijn niet verholpen.
3De beoordeling
De belangrijkste beslissingen
3.1
De koopovereenkomst is door [eiser] terecht (dus: rechtsgeldig) ontbonden en [gedaagde] moet aan [eiser] het aankoopbedrag van € 2.000 terugbetalen en de Audi teruggeven. Ook moet [gedaagde] de schade van [eiser] van € 258,50 vergoeden.
De BMW beantwoordde bij levering niet aan de koopovereenkomst
3.2
[eiser] heeft op 3 juni 2025 als consument van [gedaagde] een BMW uit 2002 gekocht. Bij een consumentenkoop heeft de koper de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden als de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. De bevoegdheid om te ontbinden, ontstaat pas als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, of de verkoper tekort is geschoten in zijn verplichting om binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.3
Een afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden, dat wil zeggen moet aan de gerechtvaardigde verwachting van de koper voldoen. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. De gerechtvaardigde verwachting wordt ingekleurd door de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper heeft gedaan. Als een (tweedehands) auto wordt gekocht waarvan de verkoper weet dat deze wordt gekocht om daarmee aan het verkeer deel te nemen, beantwoordt de auto in principe niet aan de overeenkomst als door een gebrek aan de auto (dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld) het gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. De auto is dan ‘non-conform’.
3.4
Het staat vast dat de motor van de BMW niet goed functioneert en de BMW daardoor niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. Zo is de motor meerdere malen uitgevallen tijdens het rijden. [eiser] heeft zijn stelling dat de motor slecht functioneert, onderbouwd met het rapport van DEKRA. Daaruit blijkt dat de motor zo slecht functioneert dat DEKRA het niet heeft aangedurfd om er een proefrit mee te maken.
Dit gebrek aan de motor kan niet op eenvoudige wijze worden ontdekt door [eiser] en hersteld. Dat blijkt wel uit het feit dat [gedaagde] twee keer geprobeerd heeft de motorproblemen te verhelpen, maar dit niet is gelukt.
3.5
[gedaagde] betwist dat de problemen aan de motor bij levering van de BMW aanwezig waren. Maar deze in algemene woorden gedane betwisting is onvoldoende. Gelet op de technische kennis die bij een autogarage verwacht mag worden aanwezig te zijn, had [gedaagde] haar betwisting moeten concretiseren. Bovendien bepaalt de wet bij een consumentenkoop dat een zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord als het gebrek zich binnen één jaar na levering openbaart. De motorproblemen hebben zich ruim binnen één jaar na levering geopenbaard.
3.6
Kortom, de BMW beantwoordde bij de levering niet aan de koopovereenkomst.
[gedaagde] heeft de BMW niet binnen een redelijke termijn hersteld
3.7
[eiser] heeft de BMW twee keer naar [gedaagde] gebracht om de motor van de auto te herstellen, namelijk op 9 juni 2025 en 19 september 2025. Beide keren is de motor van de BMW niet hersteld. Daarmee is [gedaagde] tekort geschoten in haar verplichting om de BMW binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.8
[eiser] heeft de koopovereenkomst dan ook op 26 januari 2026 terecht buitengerechtelijk ontbonden.
[gedaagde] moet de Audi aan [eiser] teruggeven en € 2.000 aan [eiser] terugbetalen
3.9
De ontbinding van 26 januari 2026 bevrijdt [eiser] en [gedaagde] van de daardoor getroffen verbintenissen. Dit betekent dat:
de BMW terug moet naar [gedaagde] , wat ook al is gebeurd,
de Audi terug moet naar [eiser] ,
[gedaagde] aan [eiser] € 2.000 moet terugbetalen.
3.10
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de waarde van de BMW inmiddels is verminderd. Deze waardevermindering zou moeten worden verrekend met het hiervoor genoemde bedrag van € 2.000. Dat wijst de kantonrechter af. De waardevermindering van de BMW wordt door [eiser] betwist en [gedaagde] heeft deze waardevermindering niet gemotiveerd en onderbouwd. Dat had zij wel moeten en kunnen doen. Zij had een concreet bedrag voor de waardevermindering moeten noemen en had een rapport kunnen overleggen waaruit de waardevermindering van de BMW blijkt. De BMW staat namelijk bij [gedaagde] .
3.11
Ook de factuur van [gedaagde] van € 544,26 voor de onderzoekskosten aan de Audi worden niet verrekend met het bedrag van € 2.000. Volgens [gedaagde] is de grondslag voor de gevorderde onderzoekskosten een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De Audi voldeed volgens [gedaagde] niet aan de koopovereenkomst. Maar voor toewijzing van een dergelijke vordering is verzuim van [eiser] vereist en daarover heeft [gedaagde] niets gesteld. [gedaagde] heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] door [gedaagde] in gebreke is gesteld en hem een mogelijkheid tot herstel is geboden.
3.12
Verder beroept [gedaagde] zich voor de verrekening van de factuur van € 544,26 voor de onderzoekskosten aan de Audi op dwaling. Ook dit beroep op dwaling slaagt niet. [gedaagde] heeft namelijk niet gedwaald door inlichtingen van [eiser] , wat wel vereist is voor een geslaagd beroep op dwaling. [eiser] heeft toen hij de Audi bij [gedaagde] inleverde, niet gezegd dat de Audi in goede staat was. [eiser] heeft gezegd dat er een paar lampjes op het dashboard brandden. Andere gebreken kende hij niet. [gedaagde] mocht er dan op grond van de mededelingen van [eiser] er niet van uitgaan dat de Audi in goede staat was.
3.13
Tot slot wordt ook de door [gedaagde] gestelde gebruikersvergoeding voor de BMW, niet met het bedrag van € 2.000 verrekend. [eiser] betwist dat hij een gebruikersvergoeding voor de BMW aan [gedaagde] moet betalen. [gedaagde] had daarom deze vergoeding moeten onderbouwen, zeker omdat de BMW niet of nauwelijks gebruikt kon worden door de gebreken aan de motor. Dat heeft zij niet gedaan.
[gedaagde] moet over het bedrag van € 2.000 wettelijke rente betalen
3.14
[gedaagde] moet over het bedrag van € 2.000 vanaf 6 februari 2026 wettelijke rente betalen. [eiser] heeft recht op deze € 2.000 omdat [gedaagde] [eiser] betaling ongedaan moet maken. [gedaagde] is vanaf 1 februari 2026 in verzuim met deze terugbetalingsverplichting. In de e-mail van 26 januari 2026 wordt namelijk de koopovereenkomst terecht ontbonden en krijgt [gedaagde] tot en met 30 januari 2026 de tijd om de koopsom terug te betalen. [eiser] vordert vanaf 11 juli 2025, of anders vanaf de datum van de dagvaarding (6 februari 2026) de wettelijke rente over de koopsom. Aangezien [gedaagde] op 11 juli 2025 nog niet in verzuim was, wordt de wettelijke rente over het bedrag van € 2.000 vanaf 6 februari 2026 toegewezen.
[gedaagde] moet de schade van [eiser] van € 258,50 vergoeden
3.15
Als bij een consumentenkoop de geleverde zaak non-conform is, heeft de koper op grond van de wet recht op schadevergoeding. [eiser] heeft schadevergoeding gevorderd van € 229,40 voor de onderzoekskosten die hij aan DEKRA heeft betaald en € 29,10 voor het schorsen van het kenteken van de BMW, omdat hij niet aan het verkeer kon deelnemen. [gedaagde] heeft deze kosten niet betwist. De kantonrechter wijst dan ook een bedrag van in totaal € 258,50 toe.
[gedaagde] moet over de schade wettelijke rente betalen
3.16
[gedaagde] moet vanaf 6 februari 2026 (de datum van dagvaarding) de wettelijke rente over de schade van € 258,50 vergoeden. [eiser] vordert de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 11 juli 2025 maar de gevorderde schade was door [eiser] toen nog niet geleden. De kosten waren toen door [eiser] namelijk nog niet gemaakt. De eerstvolgende gevorderde datum voor het betalen van de wettelijke rente is de datum van dagvaarding.
De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
3.17
[eiser] vordert € 832,39 aan buitengerechtelijke kosten. Deze vordering is gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, maar dat is hier niet van toepassing. Het gaat namelijk niet om een vordering tot nakoming van een handels- of consumentenovereenkomst, maar om een vordering op grond van ongedaanmaking. Dan is vereist dat er meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan aanmaningen of andere eenvoudige brieven. Dit is niet gesteld door [eiser] .
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.18
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,67
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.285,67
3.19
De kantonrechter zei op zitting dat de proceskosten zonder nakosten € 1.159,67 waren, maar heeft daarbij een rekenfout gemaakt. De proceskosten en nakosten zijn hierboven berekend conform het liquidatietarief. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.20
De kantonrechter zal, met uitzondering van de verklaring voor recht, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
verklaart voor recht dat [eiser] de koopovereenkomst op 26 januari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om de Audi terug te leveren aan [eiser] ,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 6 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 258,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 6 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.285,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling,
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de betekening tot de dag van volledige betaling.
4.7
verklaart 4.2 tot en met 4.6 uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.A. Overmars en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Artikel 7:22 lid 1 BW.
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338, NJ 1995/614 (Schirmeister/De Heus).
Artikel 7:18a lid 2 BW.
Artikel 6:74 lid 1 BW.
Artikel 7:17 BW.
Artikel 6:74 lid 2 BW.
Artikel 6:228 BW.
Artikel 6:228 lid 1 onder a BW.
Artikel 6:119 BW.
Artikel 7:24 lid 1 BW.
Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.