Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6661

2026-09-11 Bestuursrecht UTR 26/5405
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/5405
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WHT. Dwangsom. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.635 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/5405


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),


en


Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).




Procesverloop

1. Eiser vindt dat hij met de brief van 9 april 2024 een aanvraag heeft gedaan om compensatie op grond van de ex-partnerregeling van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). Volgens eiser heeft Dienst Toeslagen daarop niet op tijd beslist. Daarom heeft hij Dienst Toeslagen met de brief van 14 augustus 2025 in gebreke gesteld.

2. Met het besluit van 26 september 2025 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen de door eiser verzochte dwangsom afgewezen, omdat Dienst Toeslagen vindt dat eiser pas op 10 maart 2025 een aanvraag heeft gedaan en Dienst Toeslagen tot 10 maart 2026 de tijd had om te beslissen op eisers aanvraag. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

3. Met het besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

4. De zaak is behandeld ter zitting op 11 augustus 2026. De gemachtigde van Dienst Toeslagen heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.



Overwegingen

5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist, kan het zijn dat hij dwangsommen verbeurt. Daarvoor is wel vereist dat degene die om een beslissing vraagt, het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Een ingebrekestelling kan pas na afloop van de beslistermijn bij het bestuursorgaan worden ingediend.

6. Tussen partijen is in geschil of Dienst Toeslagen terecht heeft beslist dat eiser geen recht heeft op een dwangsom.


Bestuurlijke dwangsom primair besluit


7. Eiser voert aan dat hij met de brief van 9 april 2024 bij Dienst Toeslagen een aanvraag heeft gedaan om compensatie op grond van de ex-partnerregeling. Eiser heeft Dienst Toeslagen met de brief van 14 augustus 2025 in gebreke gesteld. Omdat Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag, vindt eiser dat hij recht heeft op de bestuurlijke dwangsom.

8. De rechtbank overweegt dat een ex-partner van een erkend gedupeerde tot 4 december 2024 alleen een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.14h, tweede lid, van de Wht kon doen na ontvangst van een brief van de Dienst Toeslagen met een uitnodiging om dit te doen (het briefvereiste). Niet is gebleken uit het dossier of uit door eiser overgelegde stukken dat eiser een uitnodiging heeft ontvangen van Dienst Toeslagen om een aanvraag te doen. Op grond van de wettelijke regeling kon eiser dus op 9 april 2024 nog geen aanvraag voor compensatie doen op grond van artikel 2.14h Wht. Daarbij verwijst eiser in zijn brief van 9 april 2024 naar de ‘partnerregeling’ en is de brief gestuurd naar de afdeling UHT-ITPS. Dit betreft een andere regeling en een andere afdeling, namelijk in het kader van private schulden. De brief van 9 april 2024 kon om deze twee redenen niet worden aangemerkt als een aanvraag op grond van de ex-partnerregeling van de Wht.

9. Ten aanzien van de aanvraag van 10 maart 2025 heeft Dienst Toeslagen de beslistermijn met de brief van 4 augustus 2025 verlengd tot 10 maart 2026. Op
14 augustus 2025 was de beslistermijn van die aanvraag nog niet verstreken

10. Nu de brief van 9 april 2024 niet kon worden aangemerkt als een aanvraag en nu de beslistermijn van de aanvraag van 10 maart 2025 nog niet was verstreken ten tijde van de ontvangst van de ingebrekestelling van 14 augustus 2025, heeft Dienst Toeslagen geen dwangsom verbeurd. De beroepsgrond slaagt niet.


Bestuurlijke dwangsom beslissing op bezwaar


11. Eiser voert verder aan dat aan Dienst Toeslagen ten onrechte aan hem geen dwangsom heeft toegekend op grond van het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het primaire besluit (het afwijzen van de dwangsom).

12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en van de Centrale Raad van Beroep is geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Dienst Toeslagen stelt zich daarom terecht op het standpunt dat ook op dit punt geen dwangsom verschuldigd is. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.A.A. Mulder, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht.


Staatsblad. 2024, 371, p. 2.


Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht.


Zie bijvoorbeeld ABRvS van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448.


Zie bijvoorbeeld CRvB van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815