Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:666

2026-02-16 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 24/2818
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-02-16
Publicatiedatum
2026-02-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 24/2818
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Rioolbelasting; mondelinge uitspraak; eiser is van mening dat het niet gepast is een aanslag op te leggen voor een rioolaansluiten omdat zij er nog geen gebruik van maken; de aanslag rioolheffing is niet ten onrechte opgelegd; er wordt hemelwater afgevoerd. Beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.243 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 24/2818

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,


en


de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: A. Teunissen).




Procesverloop


1.1
In de beschikking van 30 april 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] (in aanbouw) in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 255.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning een aanslag onroerendezaakbelasting, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd, en een aanslag rioolheffing opgelegd.



1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 19 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover het bezwaar ziet op de WOZ-waarde en deze verlaagd naar € 199.000,-. De aanslag rioolheffing blijft gehandhaafd.



1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 16 februari 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen, zonder bericht van verhindering.



1.5
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Overwegingen



Het geschil



2. Het beroep van eiser richt zich tegen de rioolheffing. Niet in geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022.



Beoordeling van het geschil



3. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023 gemeente [gemeente] (de Verordening) wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van onder andere de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater.

4. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit op beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

5. De rechtbank beoordeelt of aan eiser de aanslag rioolheffing terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

6. Het is niet in geschil dat eiser op 1 januari 2023 eigenaar is van het perceel. Het is ook niet in geschil dat van het perceel van eiser hemelwater wordt afgevoerd naar de gemeentelijke riolering.

7. Eiser is van mening dat het niet gepast is een aanslag rioolheffing op te leggen voor een rioolaansluiting waarop zij op dat moment nog niet zijn aangesloten en gebruik van kunnen maken.

8. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat sprake is van opvang en verwering van afvloeiend hemelwater bij het perceel en dat op grond van artikel 2, onder b van de Verordening een aanslag rioolheffing mag worden opgelegd. De heffingsambtenaar verwijst ook naar een uitspraak van deze rechtbank van 15 december 2022 en een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2024 waarin het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar rioolheffing mag heffen ter zake van percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering.

9. Gelet op de toelichting van de heffingsambtenaar is de rechtbank van oordeel dat de aanslag rioolheffing niet ten onrechte is opgelegd. De rechtbank acht het niet onredelijk dat eiser wordt aangeslagen voor de rioolheffing omdat er hemelwater wordt afgevoerd.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
16 februari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5906.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:617.