Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6655

2026-09-07 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht UTR 26/6092
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/6092
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BNT. Wmo. De ingebrekestelling is te vroeg ingediend. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.016 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/6092


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Wevers),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder




Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 18 december 2025 voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.



Overwegingen

3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

5. Uit de systematiek van de Wmo volgt dat een belanghebbende in eerste instantie bij verweerder een melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna verweerder binnen zes weken een onderzoek uitvoert. Als het onderzoek is afgerond en verweerder daarin geen aanleiding heeft gezien om een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de belanghebbende een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen. Dit recht komt de belanghebbende ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, waarna hij een aanvraag kan indienen zonder de afronding van het onderzoek af te wachten. Zodra een aanvraag is gedaan moet verweerder, gelet op artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo, binnen twee weken beslissen op de aanvraag.

6. Eiseres voert aan dat zij op 25 juni 2025 een melding voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van de Wmo heeft gedaan.

Op 7 juli 2025 is de melding aangevuld en op 18 december 2025 heeft eiseres een aanvraag voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding ingediend, zo stelt zij. Op
7 januari 2026 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.


7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij via het Buurtteam op 12 januari 2026 brieven per post van de gemachtigde van eiseres ontving. Dit waren de meldingen van

25 juni 2025 en 7 juli 2025 en de aanvraag van 18 december 2025. Verweerder stelt dat hij deze brieven niet vóór 12 januari 2026 heeft ontvangen. Naar aanleiding van de meldingen en de aanvraag is na 12 januari 2026 een nieuwe maatwerkaanvraag gestart. Op
16 april 2026 is het nieuwe maatwerkplan aan eiseres gemaild. Ondanks herinneringen heeft eiseres niet op dit bericht gereageerd. Verweerder heeft de aanvraag daarom buiten behandeling gesteld.




Heeft verweerder te laat beslist op de aanvraag van eiseres?



8. Tussen partijen is in geschil of verweerder niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van eiseres, omdat verweerder de meldingen van 25 juni 2025 en
7 juli 2025 en de aanvraag van 18 december 2025 niet heeft ontvangen.

9. De rechtbank overweegt als volgt. De bewijslast van de verzending van een niet-aangetekende aanvraag ligt bij eiseres. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 12 augustus 2026 verzocht om binnen twee weken na dagtekening van de brief aanvullende informatie te overleggen over de verzending van de meldingen en de aanvraag. De gemachtigde van eiseres heeft buiten de gestelde termijn geantwoord. In dat antwoord is geen nader bewijs geleverd waaruit aannemelijk is geworden dat de melding daadwerkelijk is gedaan op 25 juni 2025, aangevuld op 7 juli 2025 en de aanvraag op 18 december 2025.

10. Nu eiseres er niet in is geslaagd de verzending van de meldingen en de aanvraag aannemelijk te maken, gaat de rechtbank ervanuit dat de meldingen en de aanvraag niet vóór 12 januari 2026 bij verweerder zijn ingediend.

11. Dit betekent dat de ingebrekestelling van eiseres van 7 januari 2026 te vroeg is ingediend en dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

12. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.












Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door van mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.



Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.


Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.


CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2250


CRvB 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:283, r.o. 4.4.