Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6642
2026-08-26
Civiel recht
C/16/600346 / HA ZA 25-490
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Totstandkoming en uitleg van bemiddelingsovereenkomst art. 7:425 BW. Courtage. Geen sprake van bekrachtiging door de opgerichte BV ex artikel 2:203 BW.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1995:ZC1869 Hoge Raad 03-11-1995
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.843 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600346 / HA ZA 25-490
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam]
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Boor,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. L.C. de Jong,
en
2
2. [gedaagde sub 2] .,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. I.A.M. Zoutberg,
Gedaagden in conventie worden hierna tezamen genoemd: [gedaagden c.s]
1De procedure
1.1
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
de dagvaarding met producties 1 t/m 22;
de beslagstukken van [eiser] ;
de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ;
de akte van [eiser] met producties 23 t/m 28;
de conclusie van antwoord in conventie van [gedaagde sub 2] en eis in reconventie met producties 1 t/m 8;
de akte van [eiser] met producties 29 t/m 34;
de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] , met producties 35 t/m 39.
1.2
Op 1 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was daarbij aanwezig met mr. Boor. [gedaagde sub 1] was er met mr. De Jong. Namens [gedaagde sub 2] was aanwezig: de heer [A] (middellijk bestuurder van [gedaagde sub 2] ), bijgestaan door mr. Zoutberg. Namens [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Ook namens [gedaagde sub 2] zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen hebben geantwoord op de vragen van de rechter en hebben op elkaar kunnen reageren. Hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. Helaas is dat vonnis veel later gekomen dan op de zitting was aangekondigd. Daarvoor verontschuldigt de rechtbank zich.
2De kern van het geschil
2.1
[eiser] wil in deze procedure betaling van zijn facturen voor bemiddeling bij de koop van onroerend goed in Wapenveld (€ 192.843,75) en Katwijk (€ 121.000,00). [gedaagde sub 1] heeft in april 2025 namens een B.V. in oprichting (later genaamd: [gedaagde sub 2] ) de koopovereenkomst voor het onroerend goed in Wapenveld getekend. De levering daarvan ging niet door, want de financiering kwam niet rond. [A] nam daarna de door [gedaagde sub 1] inmiddels opgerichte B.V. (deels) over en in augustus 2025 werd het onroerend goed in Katwijk geleverd aan [gedaagde sub 2] als koper. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] menen [eiser] niets verschuldigd te zijn, omdat het onroerend goed in Wapenveld niet geleverd is en [eiser] bij de koop van het onroerend goed in Katwijk niet heeft bemiddeld. [eiser] krijgt gelijk voor Wapenveld ten aanzien van [gedaagde sub 1] en ongelijk voor Katwijk. Zijn vorderingen worden dus deels toegewezen. De vorderingen van [gedaagde sub 2] in reconventie - tot een schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht en onrechtmatig beslag - worden afgewezen. Wel moet het conservatoire beslag dat [eiser] heeft gelegd, worden opgeheven.
3Het geschil
In conventie
3.1
[eiser] vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 313.843,75 aan hem. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen tot betaling van € 192.843,75 aan [eiser] . Voor het overige wijst de rechtbank de vordering van [eiser] af. Hieronder volgt eerst de toelichting waarom [gedaagde sub 1] dit bedrag aan [eiser] moet betalen. Daarna volgt waarom het overige deel van de vordering wordt afgewezen.
De provisie voor de koop van Wapenveld is verschuldigd
3.2
Aan [eiser] is een provisie van € 192.843,75 verschuldigd voor de koop van Wapenveld. Dat volgt uit de provisie-afspraak die [gedaagde sub 1] en [eiser] met elkaar zijn overeengekomen. Tussen hen beiden is niet in geschil dat [gedaagde sub 1] in 2024 aan [eiser] opdracht heeft gegeven voor hem te bemiddelen bij de aankoop van onroerend goed, voor een provisie van 1,25% van de koopsom te vermeerderen met 21% btw. In tegenstelling tot [gedaagde sub 1] betwist [gedaagde sub 2] , met [A] als middellijk bestuurder, het bestaan van de provisie-afspraak voor Wapenveld. Maar, omdat [gedaagde sub 2] met [A] als bestuurder niet betrokken was bij de totstandkoming van de provisie-afspraak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] , en [gedaagde sub 1] wel, staat met de erkenning van [gedaagde sub 1] het bestaan van de afspraak voor Wapenveld vast.
3.3
Niet in geschil is dat [eiser] heeft bemiddeld bij de koop van Wapenveld tussen [gedaagde sub 1] en de verkoper: (een vennootschap van) [B] . Partijen twisten over de vraag wat zij hebben afgesproken over de voorwaarden waaronder de opdrachtgever de provisie verschuldigd wordt aan [eiser] ; al bij het sluiten van de koopovereenkomst of pas bij de levering.
3.4
De rechtbank volgt [eiser] in zijn uitleg van de provisie-afspraak, omdat deze overeen komt de regeling zoals die in de wet is vastgelegd. In artikel 7:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de tussenpersoon recht heeft op loon zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde tot stand is gekomen. Partijen kunnen een van de wet afwijkende afspraak hierover overeenkomen en volgens [gedaagden c.s] is dat gebeurd. Zij stellen namelijk dat de provisie pas na levering verschuldigd werd. Dat die afwijkende afspraak is gemaakt, hebben zij echter op geen enkele wijze onderbouwd.
3.5
[gedaagde sub 1] heeft wel aangevoerd dat die afwijkende afspraak logisch was, omdat hij zelf geen geld had om de koop te financieren hetgeen [eiser] wist. De koop van Wapenveld zou gefinancierd worden met geleend geld. Daardoor kon ook pas een provisie na het moment van de overdracht en levering van Wapenveld bij de notaris worden betaald. De rechtbank merkt op dat in de koopovereenkomst die op 28 maart 2025 is gesloten, geen financieringsvoorbehoud kende. [gedaagde sub 1] ging er dus vanuit dat financiering geen belemmering meer zou zijn voor de levering. Daarom hoefde [eiser] er ook geen rekening mee te houden dat de verkoop na het sluiten van de koopovereenkomst toch niet door zou gaan en er dan ook geen geld was om zijn provisie te betalen. Deze inkleuring van de afspraak door de door [gedaagden c.s] voorgestane logische uitleg, faalt dus.
3.6
[eiser] heeft ook nog verwezen naar een e-mail van 3 april 2025 van hem aan [gedaagde sub 1] , waarin hij vraagt wanneer hij zijn courtagenota kan sturen en wat het KvK-nummer is van de kopende vennootschap. Dat was dus een paar dagen nadat [gedaagde sub 1] namens de B.V. in oprichting de koopovereenkomst voor Wapenveld tekende. [gedaagde sub 1] antwoordde diezelfde dag per e-mail dat hij inschatte dat de oprichting van de B.V. op 10 april 2025 zou plaatsvinden en dat daarna het KVK-nummer bekend zou zijn. Uit deze vraag van [eiser] volgt dat hij ervan uitgaat dat de voorwaarde voor de provisie in vervulling is gegaan. Hij wordt hierin niet gecorrigeerd door [gedaagde sub 1] . Dat past bij de afspraak dat de provisie verschuldigd wordt bij de totstandkoming van bemiddelde overeenkomst.
3.7
Anders dan [gedaagden c.s] betogen, is de provisie voor Wapenveld niet komen te vervallen, doordat de koopovereenkomst voor Wapenveld is ontbonden. Die ontbinding tast niet de provisie-afspraak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] aan. Die afspraak blijft in stand.
De provisie moet betaald worden door [gedaagde sub 1] en niet door [gedaagde sub 2]
3.8
Partijen twisten ook over de vraag wie de provisie voor Wapenveld moet betalen; [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] of beiden. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] tot betaling veroordelen, niet [gedaagde sub 2] . Anders dan [eiser] heeft betoogd, is niet komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde sub 2] in oprichting (toen: [naam] in oprichting) een bemiddelingsopdracht zijn overeengekomen, waaruit de verplichting tot betaling van de provisie voortvloeit. Dat wordt namelijk betwist door [gedaagden c.s] en [eiser] heeft verder geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit de bemiddelingsopdracht van [gedaagde sub 2] in oprichting aan [eiser] volgt.
3.9
Omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] bemiddelde in opdracht van [gedaagde sub 2] in oprichting, kan [gedaagde sub 2] na de oprichting niet door bekrachtiging gebonden zijn aan de verplichtingen uit die bemiddelingsopdracht. Dat volgt uit de wet. In artikel 2:203 lid 1 BW is bepaald dat de BV na oprichting door bekrachtiging gebonden kan worden aan rechtshandelingen, die voor de oprichting zijn verricht namens de op te richten vennootschap. Hiervoor is nodig dat de BV in oprichting waarvoor de rechtshandelingen zijn verricht, bij het aangaan van deze rechtshandeling voldoende identiteit heeft. Het moet duidelijk zijn dat degene die handelt van plan is de vennootschap te binden, nadat deze is opgericht. Voor bedoelde identiteit is onvoldoende dat er een algemeen voornemen bestaat tot oprichting van een BV. Het is vereist dat de plannen tot oprichting een begin van concretisering hebben gevonden. Daarvan is niet gebleken bij de opdrachtverstrekking voor bemiddeling aan [eiser] .
3.10
In 2024 zijn [gedaagde sub 1] en [eiser] de bemiddelingsopdracht met de provisie-afspraak overeengekomen. Het plan van [gedaagde sub 1] in 2024 was dat onroerend goed zou worden gekocht door een door [gedaagde sub 1] voor dat doel op te richten vennootschap. Deze opzet blijkt ook uit het Whatsapp-gesprek tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] in juli 2024. Hieruit volgt dat bij de opdrachtverstrekking van [gedaagde sub 1] aan [eiser] tot bemiddeling er nog geen vennootschap in beeld was. Het zou ‘een’ vennootschap zijn. Op enig moment is concreet geworden dat [gedaagde sub 2] (toen: [naam] ) zou worden opgericht en heeft [gedaagde sub 1] namens deze B.V. in oprichting de koopovereenkomst voor Wapenveld getekend. Maar, nergens uit blijkt dat daaraan vooraf ging dat vanuit [gedaagde sub 2] in oprichting de bemiddelingsopdracht met de provisie-afspraak is gegeven aan [eiser] of dat deze (mede-)contractspartij is geworden door overname van de bemiddelingsopdracht tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] . Dat een e-mailwisseling van [gedaagde sub 1] en [eiser] in juni en juli 2024 de titel aanduiding ‘ [naam] ’ heeft, laat zich verklaren doordat het onroerend goed in Wapenveld de naam [naam] draagt. Daarmee is niet bedoeld de vennootschap in oprichting aan te duiden, zodat dat geen aanwijzing is voor de concretisering van die vennootschap.
3.11
Dat [gedaagde sub 2] na oprichting op 9 april 2025 per e-mail aan [eiser] meedeelt dat hij zijn courtagenota mag sturen aan [gedaagde sub 2] , geldt dus niet als bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan dat alleen als partijen voor oprichting concreet voor ogen hadden dat [gedaagde sub 2] in oprichting contractspartij was bij de bemiddelingsopdracht en de bedoeling hadden deze te binden aan de bemiddelingsopdracht na de oprichting. Dat is niet komen vast te staan.
Geen provisie verschuldigd voor de koop van Katwijk
3.12
De rechtbank wijst de door [eiser] gevorderde provisie voor de koop van Katwijk af. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
3.13
Het onroerend goed in Katwijk was van dezelfde verkoper als Wapenveld en ten tijde van het sluiten van de bemiddelingsovereenkomst was het idee van [gedaagde sub 1] om meerdere objecten van deze verkoper te kopen. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] is niet in geschil dat zij spraken over de koop van Katwijk door [gedaagde sub 1] en dat [eiser] informatie van de verkoper met [gedaagde sub 1] deelde. Nadat de financiering van Wapenveld was komen te ontvallen, heeft [gedaagde sub 1] deze plannen verder niet kunnen realiseren. [gedaagde sub 1] speelde na de afwikkeling van de ontbinding van de koopovereenkomst van Wapenveld in mei 2025 geen rol meer als kandidaat-koper. De werkzaamheden die [eiser] ter voorbereiding voor de eventuele aankoop van Katwijk door [gedaagde sub 1] heeft verricht geven geen aanspraak op de provisie. Dat zijn partijen niet overeengekomen.
3.14
[gedaagde sub 1] heeft toen hij zijn plannen niet kon uitvoeren zijn contact [A] benaderd en die bleek er wel voor te voelen om het onroerend goed in Katwijk te kopen. Ergens eind mei, begin juni 2025 had [A] een bespreking met de verkoper over de koop van meerdere objecten onroerend goed, waaronder Katwijk. Daarbij aanwezig waren onder andere [eiser] en [gedaagde sub 1] . Na deze bespreking heeft hij aan [eiser] meegedeeld dat hij niet van zijn diensten gebruik wilde maken, zo heeft hij verklaard op de mondelinge behandeling. [eiser] heeft aangevoerd dat hij zich die mededeling niet kan herinneren, wel de bespreking. Niettemin, sluit deze verklaring van [A] aan bij het feit dat na dit gesprek door [eiser] geen werkzaamheden meer zijn verricht met betrekking tot het onroerend goed in Katwijk en bij de inhoud van het Whatsappbericht van [gedaagde sub 1] aan [eiser] van 16 augustus 2025. Daarin heeft [gedaagde sub 1] geschreven (geparafraseerd) aan [eiser] dat ‘met de komst van Henk (..). Henk geen rol voor hem wilde.’ Partijen zijn het erover dat met ‘Henk’ [A] is bedoeld.
3.15
[A] wilde Katwijk niet zelf als koper afnemen, maar via een vennootschap. [gedaagde sub 1] had de vennootschap [naam] opgericht voor Wapenveld, maar die koop was niet door gegaan. [A] heeft, via een vennootschap van hem, de vennootschap [naam] van [gedaagde sub 1] overgenomen en nadien de naam laten wijzingen in [gedaagde sub 2] . Daarna werd [gedaagde sub 2] naar voren geschoven als koper van Katwijk. Op 15 augustus 2025 is het eigendom van Katwijk geleverd aan [gedaagde sub 2] .
3.16
[gedaagde sub 2] is geen provisie verschuldigd, omdat zij geen bemiddelingsovereenkomst met [eiser] had en [gedaagde sub 1] is geen provisie verschuldigd omdat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen met [gedaagde sub 1] voor het onroerend goed in Katwijk.
Geen reden voor matiging
3.17
Het verzoek van [gedaagde sub 1] tot matiging, bij toewijzing van de provisie, wijst de rechtbank af. De provisie-afspraak is een contractuele verbintenis die [gedaagde sub 1] en [eiser] met elkaar zijn overeen gekomen. [gedaagde sub 1] heeft onvoldoende feiten gesteld voor matiging. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de door [eiser] verrichte, en niet gespecificeerde werkzaamheden niet in verhouding staan tot de provisie. Dat is in dit geval geen omstandigheid die tot matiging moet leiden, omdat dit voorzienbaar was voor partijen bij het maken van de afspraak. Dat partijen dit niet zo zouden hebben bedoeld, heeft [gedaagde sub 1] niet gesteld, laat staan onderbouwd.
3.18
Ook [gedaagde sub 2] heeft gevraagd, bij toewijzing van de provisie, om matiging van de gevorderde provisie. Maar [gedaagde sub 2] wordt niet veroordeeld tot betaling van de provisie en daarom komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek van [gedaagde sub 2] .
De gevorderde handelsrente over de provisie voor Wapenveld wordt toegewezen
3.19
De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar over de toegewezen provisie van € 192.843,75 vanaf 18 mei 2025. De wettelijke handelsrente is namelijk toewijsbaar, wanneer er sprake is van een handelsovereenkomst en de schuldenaar in verzuim is met de betaling. Aan die eisen is voldaan. [gedaagde sub 1] handelde bij het geven van de bemiddelingsopdracht beroepsmatig. Dat is niet in geschil tussen partijen. [gedaagde sub 1] was op 18 mei 2025 in verzuim, omdat hij de factuur van [eiser] voor de provisie met uiterste betaaldatum op 17 mei 2025 onbetaald heeft gelaten. [eiser] heeft de factuur verstuurd op 9 april 2025 zowel per e-mail aan [gedaagde sub 1] als per e-mail aan [naam] , t.a.v. de heer [gedaagde sub 1] .
[gedaagde sub 1] moet een bedrag van € 2.703,44 aan buitengerechtelijke kosten betalen aan [eiser]
3.20
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze van [gedaagde sub 2] gevorderde kosten worden afgewezen, omdat voor die partij de grondslag voor het vergoeden van de buitengerechtelijke incassokosten als schade ontbreekt. De hoofdvordering tegen [gedaagde sub 2] is namelijk afgewezen.
3.21
De door [eiser] van [gedaagde sub 1] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen gebaseerd op de toegewezen hoofdsom. Omdat het gaat over een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortkomt uit een overeenkomst, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Onder de toepassing van het Besluit geldt dat de schuldeiser (die geen consument is, zoals hier het geval) recht heeft op een vergoeding van het in de staffel bij het Besluit bepaalde tarief, als de schuldeiser in redelijkheid incassokosten heeft gemaakt doordat ze incassowerkzaamheden heeft laten verrichten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding van € 2.703,44 conform de staffel bij het Besluit.
[eiser] en [gedaagde sub 1] moeten de proceskosten betalen
3.22
[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.831,02
3.23
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.24
Tegenover [gedaagde sub 2] is [eiser] in het ongelijk gesteld en daarom moet [eiser] de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde sub 2] betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
7.062,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.021,00
3.25
[eiser] vordert [gedaagden c.s] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering wordt afgewezen, omdat zijn vordering waarvoor hij beslag heeft laten leggen ten laste van [gedaagde sub 2] is afgewezen.
in reconventie
De voorwaarde voor de voorwaardelijke tegenvordering is niet ingetreden
3.26
Onder de voorwaarde dat in conventie een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] wordt aangenomen, heeft [gedaagde sub 2] als tegenvordering ingesteld een verklaring voor recht dat [eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst. De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze tegenvordering, omdat de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan.
Het conservatoir beslag wordt opgeheven
3.27
Het conservatoir beslag vervalt van rechtswege, wanneer de eis in de hoofdzaak is afgewezen én deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter kan op vordering van beslagene tot een onmiddellijke opheffing van het gelegde conservatoir beslag beslissen. Bij de beoordeling van die vordering moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Dat de vordering waarvoor beslag is gelegd door de rechtbank is afgewezen speelt een rol, maar is niet bij voorbaat doorslaggevend. Alleen hebben beide partijen geen aanvullende belangen naar voren gebracht. Dat betekent dat het feit dat er geen vorderingsrecht is vastgesteld in dit geval wel doorslaggevend is en het beslag moet worden opgeheven. De rechtbank zal daarvoor een termijn geven van 14 dagen en gaat ervanuit dat [eiser] daaraan zal voldoen en zal daar geen dwangsom aan koppelen.
[gedaagde sub 2] heeft onvoldoende gesteld over de schade
3.28
De door [gedaagde sub 2] gevorderde schadevergoeding nader op te maken bij staat wordt afgewezen. Voor deze vorderingen heeft [gedaagde sub 2] te weinig gesteld: er is geen begin van schade aannemelijk gemaakt die zij zou hebben geleden als gevolg van het gelegde beslag. Dat was wel nodig. Een conservatoir gelegd beslag hoeft niet vanzelfsprekend schade tot gevolg te hebben voor de beslagene. Bij de verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen, wordt [gedaagde sub 2] dan ook geacht onvoldoende belang te hebben.
Proceskosten gecompenseerd
3.29
Nu in reconventie beide partijen in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
In conventie en reconventie
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.30
De vorderingen om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren worden, waar mogelijk, toegewezen. Dat betekent dat de veroordelingen direct moeten worden nagekomen en dat het vonnis zijn werking behoudt als hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep iets anders heeft beslist.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 10 dagen na heden aan [eiser] te betalen een bedrag van € 192.843,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.703,44 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 8.831,02, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 13.021,00 te betalen aan [gedaagde sub 2] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.8
gebiedt [eiser] het ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde beslag binnen 14 dagen op te heffen,
4.9
compenseert de proceskosten tussen beide partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt,
4.10
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
5340
ECLI:NL:HR:1995:ZC1869, HR 3 november 1995, NJ 1996, 41(Infokab).
Een afschrift van dat gesprek is overgelegd als productie 36 bij conclusie van antwoord in reconventie.
Overgelegd als producties 29 en 30 van [eiser] .
Zie productie 13 bij dagvaarding.
Zie productie 11 bij dagvaarding en productie 5 bij conclusie van antwoord.
Artikel 704 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering.
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600346 / HA ZA 25-490
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam]
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Boor,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. L.C. de Jong,
en
2
2. [gedaagde sub 2] .,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. I.A.M. Zoutberg,
Gedaagden in conventie worden hierna tezamen genoemd: [gedaagden c.s]
1De procedure
1.1
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
de dagvaarding met producties 1 t/m 22;
de beslagstukken van [eiser] ;
de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ;
de akte van [eiser] met producties 23 t/m 28;
de conclusie van antwoord in conventie van [gedaagde sub 2] en eis in reconventie met producties 1 t/m 8;
de akte van [eiser] met producties 29 t/m 34;
de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] , met producties 35 t/m 39.
1.2
Op 1 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was daarbij aanwezig met mr. Boor. [gedaagde sub 1] was er met mr. De Jong. Namens [gedaagde sub 2] was aanwezig: de heer [A] (middellijk bestuurder van [gedaagde sub 2] ), bijgestaan door mr. Zoutberg. Namens [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Ook namens [gedaagde sub 2] zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen hebben geantwoord op de vragen van de rechter en hebben op elkaar kunnen reageren. Hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. Helaas is dat vonnis veel later gekomen dan op de zitting was aangekondigd. Daarvoor verontschuldigt de rechtbank zich.
2De kern van het geschil
2.1
[eiser] wil in deze procedure betaling van zijn facturen voor bemiddeling bij de koop van onroerend goed in Wapenveld (€ 192.843,75) en Katwijk (€ 121.000,00). [gedaagde sub 1] heeft in april 2025 namens een B.V. in oprichting (later genaamd: [gedaagde sub 2] ) de koopovereenkomst voor het onroerend goed in Wapenveld getekend. De levering daarvan ging niet door, want de financiering kwam niet rond. [A] nam daarna de door [gedaagde sub 1] inmiddels opgerichte B.V. (deels) over en in augustus 2025 werd het onroerend goed in Katwijk geleverd aan [gedaagde sub 2] als koper. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] menen [eiser] niets verschuldigd te zijn, omdat het onroerend goed in Wapenveld niet geleverd is en [eiser] bij de koop van het onroerend goed in Katwijk niet heeft bemiddeld. [eiser] krijgt gelijk voor Wapenveld ten aanzien van [gedaagde sub 1] en ongelijk voor Katwijk. Zijn vorderingen worden dus deels toegewezen. De vorderingen van [gedaagde sub 2] in reconventie - tot een schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht en onrechtmatig beslag - worden afgewezen. Wel moet het conservatoire beslag dat [eiser] heeft gelegd, worden opgeheven.
3Het geschil
In conventie
3.1
[eiser] vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 313.843,75 aan hem. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen tot betaling van € 192.843,75 aan [eiser] . Voor het overige wijst de rechtbank de vordering van [eiser] af. Hieronder volgt eerst de toelichting waarom [gedaagde sub 1] dit bedrag aan [eiser] moet betalen. Daarna volgt waarom het overige deel van de vordering wordt afgewezen.
De provisie voor de koop van Wapenveld is verschuldigd
3.2
Aan [eiser] is een provisie van € 192.843,75 verschuldigd voor de koop van Wapenveld. Dat volgt uit de provisie-afspraak die [gedaagde sub 1] en [eiser] met elkaar zijn overeengekomen. Tussen hen beiden is niet in geschil dat [gedaagde sub 1] in 2024 aan [eiser] opdracht heeft gegeven voor hem te bemiddelen bij de aankoop van onroerend goed, voor een provisie van 1,25% van de koopsom te vermeerderen met 21% btw. In tegenstelling tot [gedaagde sub 1] betwist [gedaagde sub 2] , met [A] als middellijk bestuurder, het bestaan van de provisie-afspraak voor Wapenveld. Maar, omdat [gedaagde sub 2] met [A] als bestuurder niet betrokken was bij de totstandkoming van de provisie-afspraak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] , en [gedaagde sub 1] wel, staat met de erkenning van [gedaagde sub 1] het bestaan van de afspraak voor Wapenveld vast.
3.3
Niet in geschil is dat [eiser] heeft bemiddeld bij de koop van Wapenveld tussen [gedaagde sub 1] en de verkoper: (een vennootschap van) [B] . Partijen twisten over de vraag wat zij hebben afgesproken over de voorwaarden waaronder de opdrachtgever de provisie verschuldigd wordt aan [eiser] ; al bij het sluiten van de koopovereenkomst of pas bij de levering.
3.4
De rechtbank volgt [eiser] in zijn uitleg van de provisie-afspraak, omdat deze overeen komt de regeling zoals die in de wet is vastgelegd. In artikel 7:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de tussenpersoon recht heeft op loon zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde tot stand is gekomen. Partijen kunnen een van de wet afwijkende afspraak hierover overeenkomen en volgens [gedaagden c.s] is dat gebeurd. Zij stellen namelijk dat de provisie pas na levering verschuldigd werd. Dat die afwijkende afspraak is gemaakt, hebben zij echter op geen enkele wijze onderbouwd.
3.5
[gedaagde sub 1] heeft wel aangevoerd dat die afwijkende afspraak logisch was, omdat hij zelf geen geld had om de koop te financieren hetgeen [eiser] wist. De koop van Wapenveld zou gefinancierd worden met geleend geld. Daardoor kon ook pas een provisie na het moment van de overdracht en levering van Wapenveld bij de notaris worden betaald. De rechtbank merkt op dat in de koopovereenkomst die op 28 maart 2025 is gesloten, geen financieringsvoorbehoud kende. [gedaagde sub 1] ging er dus vanuit dat financiering geen belemmering meer zou zijn voor de levering. Daarom hoefde [eiser] er ook geen rekening mee te houden dat de verkoop na het sluiten van de koopovereenkomst toch niet door zou gaan en er dan ook geen geld was om zijn provisie te betalen. Deze inkleuring van de afspraak door de door [gedaagden c.s] voorgestane logische uitleg, faalt dus.
3.6
[eiser] heeft ook nog verwezen naar een e-mail van 3 april 2025 van hem aan [gedaagde sub 1] , waarin hij vraagt wanneer hij zijn courtagenota kan sturen en wat het KvK-nummer is van de kopende vennootschap. Dat was dus een paar dagen nadat [gedaagde sub 1] namens de B.V. in oprichting de koopovereenkomst voor Wapenveld tekende. [gedaagde sub 1] antwoordde diezelfde dag per e-mail dat hij inschatte dat de oprichting van de B.V. op 10 april 2025 zou plaatsvinden en dat daarna het KVK-nummer bekend zou zijn. Uit deze vraag van [eiser] volgt dat hij ervan uitgaat dat de voorwaarde voor de provisie in vervulling is gegaan. Hij wordt hierin niet gecorrigeerd door [gedaagde sub 1] . Dat past bij de afspraak dat de provisie verschuldigd wordt bij de totstandkoming van bemiddelde overeenkomst.
3.7
Anders dan [gedaagden c.s] betogen, is de provisie voor Wapenveld niet komen te vervallen, doordat de koopovereenkomst voor Wapenveld is ontbonden. Die ontbinding tast niet de provisie-afspraak tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] aan. Die afspraak blijft in stand.
De provisie moet betaald worden door [gedaagde sub 1] en niet door [gedaagde sub 2]
3.8
Partijen twisten ook over de vraag wie de provisie voor Wapenveld moet betalen; [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] of beiden. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] tot betaling veroordelen, niet [gedaagde sub 2] . Anders dan [eiser] heeft betoogd, is niet komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde sub 2] in oprichting (toen: [naam] in oprichting) een bemiddelingsopdracht zijn overeengekomen, waaruit de verplichting tot betaling van de provisie voortvloeit. Dat wordt namelijk betwist door [gedaagden c.s] en [eiser] heeft verder geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit de bemiddelingsopdracht van [gedaagde sub 2] in oprichting aan [eiser] volgt.
3.9
Omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] bemiddelde in opdracht van [gedaagde sub 2] in oprichting, kan [gedaagde sub 2] na de oprichting niet door bekrachtiging gebonden zijn aan de verplichtingen uit die bemiddelingsopdracht. Dat volgt uit de wet. In artikel 2:203 lid 1 BW is bepaald dat de BV na oprichting door bekrachtiging gebonden kan worden aan rechtshandelingen, die voor de oprichting zijn verricht namens de op te richten vennootschap. Hiervoor is nodig dat de BV in oprichting waarvoor de rechtshandelingen zijn verricht, bij het aangaan van deze rechtshandeling voldoende identiteit heeft. Het moet duidelijk zijn dat degene die handelt van plan is de vennootschap te binden, nadat deze is opgericht. Voor bedoelde identiteit is onvoldoende dat er een algemeen voornemen bestaat tot oprichting van een BV. Het is vereist dat de plannen tot oprichting een begin van concretisering hebben gevonden. Daarvan is niet gebleken bij de opdrachtverstrekking voor bemiddeling aan [eiser] .
3.10
In 2024 zijn [gedaagde sub 1] en [eiser] de bemiddelingsopdracht met de provisie-afspraak overeengekomen. Het plan van [gedaagde sub 1] in 2024 was dat onroerend goed zou worden gekocht door een door [gedaagde sub 1] voor dat doel op te richten vennootschap. Deze opzet blijkt ook uit het Whatsapp-gesprek tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] in juli 2024. Hieruit volgt dat bij de opdrachtverstrekking van [gedaagde sub 1] aan [eiser] tot bemiddeling er nog geen vennootschap in beeld was. Het zou ‘een’ vennootschap zijn. Op enig moment is concreet geworden dat [gedaagde sub 2] (toen: [naam] ) zou worden opgericht en heeft [gedaagde sub 1] namens deze B.V. in oprichting de koopovereenkomst voor Wapenveld getekend. Maar, nergens uit blijkt dat daaraan vooraf ging dat vanuit [gedaagde sub 2] in oprichting de bemiddelingsopdracht met de provisie-afspraak is gegeven aan [eiser] of dat deze (mede-)contractspartij is geworden door overname van de bemiddelingsopdracht tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] . Dat een e-mailwisseling van [gedaagde sub 1] en [eiser] in juni en juli 2024 de titel aanduiding ‘ [naam] ’ heeft, laat zich verklaren doordat het onroerend goed in Wapenveld de naam [naam] draagt. Daarmee is niet bedoeld de vennootschap in oprichting aan te duiden, zodat dat geen aanwijzing is voor de concretisering van die vennootschap.
3.11
Dat [gedaagde sub 2] na oprichting op 9 april 2025 per e-mail aan [eiser] meedeelt dat hij zijn courtagenota mag sturen aan [gedaagde sub 2] , geldt dus niet als bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan dat alleen als partijen voor oprichting concreet voor ogen hadden dat [gedaagde sub 2] in oprichting contractspartij was bij de bemiddelingsopdracht en de bedoeling hadden deze te binden aan de bemiddelingsopdracht na de oprichting. Dat is niet komen vast te staan.
Geen provisie verschuldigd voor de koop van Katwijk
3.12
De rechtbank wijst de door [eiser] gevorderde provisie voor de koop van Katwijk af. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
3.13
Het onroerend goed in Katwijk was van dezelfde verkoper als Wapenveld en ten tijde van het sluiten van de bemiddelingsovereenkomst was het idee van [gedaagde sub 1] om meerdere objecten van deze verkoper te kopen. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] is niet in geschil dat zij spraken over de koop van Katwijk door [gedaagde sub 1] en dat [eiser] informatie van de verkoper met [gedaagde sub 1] deelde. Nadat de financiering van Wapenveld was komen te ontvallen, heeft [gedaagde sub 1] deze plannen verder niet kunnen realiseren. [gedaagde sub 1] speelde na de afwikkeling van de ontbinding van de koopovereenkomst van Wapenveld in mei 2025 geen rol meer als kandidaat-koper. De werkzaamheden die [eiser] ter voorbereiding voor de eventuele aankoop van Katwijk door [gedaagde sub 1] heeft verricht geven geen aanspraak op de provisie. Dat zijn partijen niet overeengekomen.
3.14
[gedaagde sub 1] heeft toen hij zijn plannen niet kon uitvoeren zijn contact [A] benaderd en die bleek er wel voor te voelen om het onroerend goed in Katwijk te kopen. Ergens eind mei, begin juni 2025 had [A] een bespreking met de verkoper over de koop van meerdere objecten onroerend goed, waaronder Katwijk. Daarbij aanwezig waren onder andere [eiser] en [gedaagde sub 1] . Na deze bespreking heeft hij aan [eiser] meegedeeld dat hij niet van zijn diensten gebruik wilde maken, zo heeft hij verklaard op de mondelinge behandeling. [eiser] heeft aangevoerd dat hij zich die mededeling niet kan herinneren, wel de bespreking. Niettemin, sluit deze verklaring van [A] aan bij het feit dat na dit gesprek door [eiser] geen werkzaamheden meer zijn verricht met betrekking tot het onroerend goed in Katwijk en bij de inhoud van het Whatsappbericht van [gedaagde sub 1] aan [eiser] van 16 augustus 2025. Daarin heeft [gedaagde sub 1] geschreven (geparafraseerd) aan [eiser] dat ‘met de komst van Henk (..). Henk geen rol voor hem wilde.’ Partijen zijn het erover dat met ‘Henk’ [A] is bedoeld.
3.15
[A] wilde Katwijk niet zelf als koper afnemen, maar via een vennootschap. [gedaagde sub 1] had de vennootschap [naam] opgericht voor Wapenveld, maar die koop was niet door gegaan. [A] heeft, via een vennootschap van hem, de vennootschap [naam] van [gedaagde sub 1] overgenomen en nadien de naam laten wijzingen in [gedaagde sub 2] . Daarna werd [gedaagde sub 2] naar voren geschoven als koper van Katwijk. Op 15 augustus 2025 is het eigendom van Katwijk geleverd aan [gedaagde sub 2] .
3.16
[gedaagde sub 2] is geen provisie verschuldigd, omdat zij geen bemiddelingsovereenkomst met [eiser] had en [gedaagde sub 1] is geen provisie verschuldigd omdat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen met [gedaagde sub 1] voor het onroerend goed in Katwijk.
Geen reden voor matiging
3.17
Het verzoek van [gedaagde sub 1] tot matiging, bij toewijzing van de provisie, wijst de rechtbank af. De provisie-afspraak is een contractuele verbintenis die [gedaagde sub 1] en [eiser] met elkaar zijn overeen gekomen. [gedaagde sub 1] heeft onvoldoende feiten gesteld voor matiging. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de door [eiser] verrichte, en niet gespecificeerde werkzaamheden niet in verhouding staan tot de provisie. Dat is in dit geval geen omstandigheid die tot matiging moet leiden, omdat dit voorzienbaar was voor partijen bij het maken van de afspraak. Dat partijen dit niet zo zouden hebben bedoeld, heeft [gedaagde sub 1] niet gesteld, laat staan onderbouwd.
3.18
Ook [gedaagde sub 2] heeft gevraagd, bij toewijzing van de provisie, om matiging van de gevorderde provisie. Maar [gedaagde sub 2] wordt niet veroordeeld tot betaling van de provisie en daarom komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek van [gedaagde sub 2] .
De gevorderde handelsrente over de provisie voor Wapenveld wordt toegewezen
3.19
De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar over de toegewezen provisie van € 192.843,75 vanaf 18 mei 2025. De wettelijke handelsrente is namelijk toewijsbaar, wanneer er sprake is van een handelsovereenkomst en de schuldenaar in verzuim is met de betaling. Aan die eisen is voldaan. [gedaagde sub 1] handelde bij het geven van de bemiddelingsopdracht beroepsmatig. Dat is niet in geschil tussen partijen. [gedaagde sub 1] was op 18 mei 2025 in verzuim, omdat hij de factuur van [eiser] voor de provisie met uiterste betaaldatum op 17 mei 2025 onbetaald heeft gelaten. [eiser] heeft de factuur verstuurd op 9 april 2025 zowel per e-mail aan [gedaagde sub 1] als per e-mail aan [naam] , t.a.v. de heer [gedaagde sub 1] .
[gedaagde sub 1] moet een bedrag van € 2.703,44 aan buitengerechtelijke kosten betalen aan [eiser]
3.20
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze van [gedaagde sub 2] gevorderde kosten worden afgewezen, omdat voor die partij de grondslag voor het vergoeden van de buitengerechtelijke incassokosten als schade ontbreekt. De hoofdvordering tegen [gedaagde sub 2] is namelijk afgewezen.
3.21
De door [eiser] van [gedaagde sub 1] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen gebaseerd op de toegewezen hoofdsom. Omdat het gaat over een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortkomt uit een overeenkomst, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Onder de toepassing van het Besluit geldt dat de schuldeiser (die geen consument is, zoals hier het geval) recht heeft op een vergoeding van het in de staffel bij het Besluit bepaalde tarief, als de schuldeiser in redelijkheid incassokosten heeft gemaakt doordat ze incassowerkzaamheden heeft laten verrichten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding van € 2.703,44 conform de staffel bij het Besluit.
[eiser] en [gedaagde sub 1] moeten de proceskosten betalen
3.22
[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.831,02
3.23
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.24
Tegenover [gedaagde sub 2] is [eiser] in het ongelijk gesteld en daarom moet [eiser] de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde sub 2] betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
7.062,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.021,00
3.25
[eiser] vordert [gedaagden c.s] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering wordt afgewezen, omdat zijn vordering waarvoor hij beslag heeft laten leggen ten laste van [gedaagde sub 2] is afgewezen.
in reconventie
De voorwaarde voor de voorwaardelijke tegenvordering is niet ingetreden
3.26
Onder de voorwaarde dat in conventie een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] wordt aangenomen, heeft [gedaagde sub 2] als tegenvordering ingesteld een verklaring voor recht dat [eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst. De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze tegenvordering, omdat de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan.
Het conservatoir beslag wordt opgeheven
3.27
Het conservatoir beslag vervalt van rechtswege, wanneer de eis in de hoofdzaak is afgewezen én deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter kan op vordering van beslagene tot een onmiddellijke opheffing van het gelegde conservatoir beslag beslissen. Bij de beoordeling van die vordering moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Dat de vordering waarvoor beslag is gelegd door de rechtbank is afgewezen speelt een rol, maar is niet bij voorbaat doorslaggevend. Alleen hebben beide partijen geen aanvullende belangen naar voren gebracht. Dat betekent dat het feit dat er geen vorderingsrecht is vastgesteld in dit geval wel doorslaggevend is en het beslag moet worden opgeheven. De rechtbank zal daarvoor een termijn geven van 14 dagen en gaat ervanuit dat [eiser] daaraan zal voldoen en zal daar geen dwangsom aan koppelen.
[gedaagde sub 2] heeft onvoldoende gesteld over de schade
3.28
De door [gedaagde sub 2] gevorderde schadevergoeding nader op te maken bij staat wordt afgewezen. Voor deze vorderingen heeft [gedaagde sub 2] te weinig gesteld: er is geen begin van schade aannemelijk gemaakt die zij zou hebben geleden als gevolg van het gelegde beslag. Dat was wel nodig. Een conservatoir gelegd beslag hoeft niet vanzelfsprekend schade tot gevolg te hebben voor de beslagene. Bij de verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen, wordt [gedaagde sub 2] dan ook geacht onvoldoende belang te hebben.
Proceskosten gecompenseerd
3.29
Nu in reconventie beide partijen in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
In conventie en reconventie
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.30
De vorderingen om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren worden, waar mogelijk, toegewezen. Dat betekent dat de veroordelingen direct moeten worden nagekomen en dat het vonnis zijn werking behoudt als hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep iets anders heeft beslist.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 10 dagen na heden aan [eiser] te betalen een bedrag van € 192.843,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.703,44 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 8.831,02, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 13.021,00 te betalen aan [gedaagde sub 2] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.8
gebiedt [eiser] het ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde beslag binnen 14 dagen op te heffen,
4.9
compenseert de proceskosten tussen beide partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt,
4.10
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
5340
ECLI:NL:HR:1995:ZC1869, HR 3 november 1995, NJ 1996, 41(Infokab).
Een afschrift van dat gesprek is overgelegd als productie 36 bij conclusie van antwoord in reconventie.
Overgelegd als producties 29 en 30 van [eiser] .
Zie productie 13 bij dagvaarding.
Zie productie 11 bij dagvaarding en productie 5 bij conclusie van antwoord.
Artikel 704 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering.