Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6628
2026-09-16
Civiel recht
11921030 \ MC EXPL 25-5621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vernietiging overeenkomst op grond van dwaling. Terugbetaling aankoopbedrag met rente. Afwijzing vordering aanvullende schadevergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.898 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11921030 \ MC EXPL 25-5621
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Kegreisz,
tegen
[gedaagde] BV,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B.D. van Tuil.
1De procedure
1.1.
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding met 9 producties,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek met 1 productie,
- de door [eiser] nagezonden producties 12 en 13.
1.2.
Op 17 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het eind van de zitting heeft de rechter bepaald dat vandaag een uitspraak zal worden gedaan.
2De kern
2.1.
[eiser] heeft in september 2024 bij [gedaagde] een tweedehands Audi RSQ8 gekocht (hierna: de auto). De koopprijs van de auto was € 129.995,00. In april 2025 is [eiser] bekend geworden met het schadeverleden van de auto. Hij is toen in het bezit gekomen van een Voertuig Historie Rapport van [onderneming 1] (hierna: het [onderneming 1] -rapport) waarin staat dat in augustus 2022 een schade aan de auto is gerapporteerd met geschatte reparatiekosten tussen de € 84.000,00 en € 85.000,00 en daarbij de vermelding ‘Total loss’. [eiser] vordert in deze procedure, kort samengevat, terugbetaling van de volledige koopprijs en aanvullende schadevergoeding. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . De kantonrechter wijst de vordering tot terugbetaling van de koopprijs toe en de vordering tot vergoeding van aanvullende schade af.
3De achtergrond
3.1.
In het [onderneming 1] -rapport staat het volgende:
3.2.
[eiser] heeft naast het [onderneming 1] -rapport een rapport van [onderneming 2] (hierna: het [onderneming 2] -rapport) als productie ingediend. In dat rapport staat het volgende:
3.3.
Het [onderneming 2] -rapport bevat veertien foto’s van de schade zoals gemeld in het rapport. Op die foto’s is te zien dat de auto zowel aan de buitenkant als de binnenkant ernstige beschadigingen had:
4De beoordeling
De gevorderde verklaring voor recht bevat een kennelijke verschrijving
4.1.
[eiser] vordert in het petitum van de dagvaarding een verklaring voor recht dat hij de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft ontbonden op grond van dwaling dan wel non-conformiteit. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de formulering van de vordering. Uit het lichaam van de dagvaarding maakt de kantonrechter namelijk op dat [eiser] primair heeft bedoeld te vorderen een verklaring voor recht dat hij de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van dwaling en subsidiair een verklaring voor recht dat hij deze overeenkomst heeft ontbonden op grond van non-conformiteit. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] dat bevestigd en heeft [gedaagde] verklaard dat hij de vordering ook zo heeft begrepen. De kantonrechter ziet aanleiding om hierna eerst het beroep op dwaling te beoordelen.
De vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling is rechtsgeldig
4.2.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan. Dit geldt tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Het tweede lid van artikel 6:228 BW bepaalt dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.
4.3.
[eiser] stelt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet bekend was met het schadeverleden van de auto zoals gerapporteerd in het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport en dat [gedaagde] hem daarover niet heeft ingelicht. [eiser] stelt een marktconforme prijs te hebben betaald voor een voertuig zonder schadeverleden. Het schadeverleden van de auto is volgens [eiser] een essentiële eigenschap van de auto die de waarde en verhandelbaarheid daarvan substantieel beïnvloedt. [eiser] meent namelijk dat de auto door het schadeverleden veel minder waard was dan de koopprijs die hij heeft betaald en bovendien daalt de restwaarde hierdoor harder. Dat laatste heeft volgens [eiser] tot gevolg dat de auto dus minder goed te verhandelen is als hij deze op enig moment weer wil doorverkopen. [eiser] stelt om deze redenen dat hij, als hij afwist van het schadeverleden van de auto, de overeenkomst niet, althans niet voor de overeengekomen prijs, zou hebben gesloten.
4.4.
Volgens [gedaagde] heeft haar medewerker [A] (hierna: [A] ) tijdens het verkoopproces met [eiser] gesproken over de aanwezigheid van ‘strak gemaakte delen’ en is daarvoor een korting van € 5.000,00 gegeven op het aankoopbedrag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht wat zij met ‘strak gemaakte delen’ bedoelt: ‘Delen die zijn overspoten. Delen die zijn hersteld. (...). De info die wij hebben gehad is dat de auto strak gemaakte delen heeft. Dat betekent dat het in het verleden inderdaad schade heeft gehad, maar dat het is hersteld en netjes is hersteld.’ [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de factuur waarop staat: ‘Klantkorting -5.000,00’. Ook verwijst hij naar een schriftelijke verklaring van [A] waarin, voor zover van belang, het volgende staat: ‘Verkoopprijs vóór korting: € 134.995,00 (...) Bedrag korting: € 5.000,00 (...) Verkoopprijs na korting: € 129.995,00 (...) Reden van korting: Strak gemaakte delen besproken’.
4.5.
[gedaagde] stelt dat zij haar informatie over auto’s vergaart via Autotelex en dat daaruit de in het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport gerapporteerde schade aan de auto niet is gebleken. Volgens [gedaagde] is het [onderneming 1] -rapport niet betrouwbaar. [gedaagde] voert aan dat [onderneming 1] slechts een dataverzamelaar is, dat zij volstrekt afhankelijk is van informatie van derden en dat zij ontvangen informatie niet verifieert op de juistheid ervan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [gedaagde] naar de website van [onderneming 1] , waarop zou staan: ‘ [onderneming 1] does neither guarantee nor warrant the correctness or completeness of VHRs and does not assume any liability’ en ‘The [onderneming 1] report is not suitable to be used as evidence in legal proceedings’. Wat betreft het [onderneming 2] -rapport, voert [gedaagde] aan dat op de foto’s in het rapport schade is te zien aan delen van de auto die bij herstel kunnen worden verwijderd en vervangen en dat de begroting van de reparatiekosten in het rapport volgens haar onjuist is.
4.6.
De kantonrechter overweegt over deze standpunten van partijen het volgende. De kantonrechter volgt [eiser] in zijn stelling dat de auto in het jaar 2022 – dus voorafgaand aan de koop – een omvangrijke schade heeft gehad waarvan de reparatiekosten tussen de € 80.000,- en € 85.000,- lagen en met een ‘Total loss’ verklaring tot gevolg. [eiser] heeft die stelling voldoende onderbouwd met het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport. Dat het schade betreft die volgens [gedaagde] is hersteld, doet daaraan niet af. Het gaat in deze discussie namelijk niet over de vraag of de auto bij de verkoop gebreken had. Verder is van belang dat [gedaagde] geen stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar betwisting van de in de rapporten genoemde reparatiekosten, zodat de kantonrechter geen aanknopingspunten heeft om uit te gaan van lagere reparatiekosten.
4.7.
In navolging hiervan is van belang dat tussen partijen niet ter discussie staat dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst geen weet had van het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport en de daarin gerapporteerde schade. Op grond van het voorgaande is daarom voldoende vast komen te staan dat [eiser] op dat moment een onjuiste voorstelling van zaken had. En omdat [gedaagde] zelf ook niet bekend was met deze rapporten en de daarin gerapporteerde schade, betekent dit dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als [eiser] is uitgegaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat partijen wederzijds hebben gedwaald.
4.8.
De kantonrechter is verder van oordeel dat vast is komen te staan dat [eiser] – als hij afwist van het schadeverleden van de auto – de overeenkomst niet, althans niet voor de overeengekomen prijs, zou hebben gesloten. [eiser] heeft namelijk, zoals hiervoor uiteengezet, toegelicht waarom het schadeverleden in dit geval voor hem zo van belang was en dat is door [gedaagde] onvoldoende weersproken. De enkele stelling van [gedaagde] dat de schade kennelijk hersteld zou zijn, is hiervoor niet genoeg. Het schadeverleden bestaat namelijk niet uit enkele krasjes of geringe cosmetische schade, maar uit een omvangrijke schade aan de voorzijde van de auto die tot een ‘Total loss’ verklaring heeft geleid. Dat [eiser] tijdens het verkoopproces geen vraag over het schadeverleden heeft gesteld, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Die omstandigheid is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het schadeverleden voor [eiser] niet relevant was. Bovendien is niet gebleken van een aanleiding voor [eiser] om hierover een specifieke vraag te stellen, zoals hierna verder zal worden toegelicht.
4.9.
Het is vervolgens de vraag of de dwaling op basis van de omstandigheden van het geval voor rekening van [eiser] moet blijven. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Het is in dit verband van belang dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] tijdens het verkoopproces is gewezen op ‘strak gemaakte delen’. Volgens [gedaagde] volgt hieruit dat [eiser] wist dat de auto in ieder geval geen schadevrij verleden had en had dit voor hem aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen hiernaar. De kantonrechter gaat niet mee in dat standpunt. De reden hiervoor is dat niet is vast komen te staan dat [eiser] tijdens het verkoopproces over enige schade uit het verleden is ingelicht. Dat [A] volgens [gedaagde] met [eiser] heeft gesproken over strak gemaakte delen wordt door [eiser] weersproken en is door [gedaagde] onvoldoende toegelicht en onderbouwd. In de verklaring van [A] staat slechts dat ‘strak gemaakte delen’ zijn besproken. Waar en wanneer dat is besproken, hoe dat aan [eiser] is gecommuniceerd en hoe daar door [eiser] op is gereageerd, staat niet in de verklaring. In haar processtukken en tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] hierover ook geen aanvullende informatie gegeven. Verder is niet vast komen te staan dat de verleende korting op de oorspronkelijke koopprijs met het schadeverleden van de auto verband hield. Volgens [eiser] was die korting het gevolg van reguliere prijsonderhandelingen en op de factuur waarnaar [gedaagde] heeft verwezen staat geen reden voor de korting genoemd. De verklaring van [A] is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de korting is verleend in verband met het schadeverleden.
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft kunnen vernietigen. Dat heeft [eiser] gedaan bij zijn e-mail van 24 april 2025. De gevorderde verklaring voor recht kan daarom worden toegewezen. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dit in het licht van wat in dit vonnis reeds is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden. Gelet op deze uitkomst heeft [eiser] geen belang meer bij de behandeling van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de ontbinding van de overeenkomst op grond van non-conformiteit.
[gedaagde] moet € 129.995,00 met rente aan [eiser] betalen
4.11.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 129.995,00 binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis met rente vanaf de dag van betaling tot de dag van volledige terugbetaling. [gedaagde] heeft de gevolgen van een eventuele vernietiging van de overeenkomst niet in haar verweer betrokken.
4.12.
Het gevolg van de vernietiging van de overeenkomst is overeenkomstig artikel 3:53 lid 1 BW dat de betaling van € 129.995,00 door [eiser] onverschuldigd is geworden, omdat de onderliggende verbintenis met terugwerkende kracht is vervallen. Dat betekent dat [gedaagde] dat bedrag aan [eiser] moet terugbetalen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan binnen de termijn van veertien dagen die [eiser] daarvoor in zijn e-mail van 24 april 2025 heeft gesteld, wat betekent dat zij haar verbintenis tot teruggave niet (op tijd) is nagekomen in de zin van artikel 6:74 BW en op grond van artikel 6:81 en 6:82 BW in verzuim is geraakt. Zowel de gevorderde hoofdsom als de wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals nader in het dictum van dit vonnis omschreven.
[gedaagde] hoeft geen aanvullende schadevergoeding te betalen
4.13.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullende schadevergoeding voor door [eiser] te betalen en reeds betaalde verzekeringspremies en wegenbelasting en overige schade. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de auto naar behoren functioneert en dat [eiser] de auto daadwerkelijk heeft gebruikt. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij omstreeks 30.000 kilometer met de auto heeft gereden. Daarom is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een situatie dat [eiser] door de genoten voordelen voor de kosten van de verzekeringspremies en wegenbelasting schadeloos is gesteld. Dat [eiser] overige schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, is door [eiser] onvoldoende gesteld. Het lag op de weg van [eiser] om toe te lichten welke overige schade [eiser] door de vernietiging van de overeenkomst lijdt en waarom deze schade voor vergoeding in aanmerking moet komen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De gevorderde aanvullende schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.14.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 2.074,95 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
3.030,00
(3 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.054,04
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst door [eiser] is vernietigd op grond van dwaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 129.995,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 9 mei 2025 tot de dag van volledige (terug)betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.074,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.054,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
5932
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11921030 \ MC EXPL 25-5621
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Kegreisz,
tegen
[gedaagde] BV,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B.D. van Tuil.
1De procedure
1.1.
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding met 9 producties,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek met 1 productie,
- de door [eiser] nagezonden producties 12 en 13.
1.2.
Op 17 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het eind van de zitting heeft de rechter bepaald dat vandaag een uitspraak zal worden gedaan.
2De kern
2.1.
[eiser] heeft in september 2024 bij [gedaagde] een tweedehands Audi RSQ8 gekocht (hierna: de auto). De koopprijs van de auto was € 129.995,00. In april 2025 is [eiser] bekend geworden met het schadeverleden van de auto. Hij is toen in het bezit gekomen van een Voertuig Historie Rapport van [onderneming 1] (hierna: het [onderneming 1] -rapport) waarin staat dat in augustus 2022 een schade aan de auto is gerapporteerd met geschatte reparatiekosten tussen de € 84.000,00 en € 85.000,00 en daarbij de vermelding ‘Total loss’. [eiser] vordert in deze procedure, kort samengevat, terugbetaling van de volledige koopprijs en aanvullende schadevergoeding. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . De kantonrechter wijst de vordering tot terugbetaling van de koopprijs toe en de vordering tot vergoeding van aanvullende schade af.
3De achtergrond
3.1.
In het [onderneming 1] -rapport staat het volgende:
3.2.
[eiser] heeft naast het [onderneming 1] -rapport een rapport van [onderneming 2] (hierna: het [onderneming 2] -rapport) als productie ingediend. In dat rapport staat het volgende:
3.3.
Het [onderneming 2] -rapport bevat veertien foto’s van de schade zoals gemeld in het rapport. Op die foto’s is te zien dat de auto zowel aan de buitenkant als de binnenkant ernstige beschadigingen had:
4De beoordeling
De gevorderde verklaring voor recht bevat een kennelijke verschrijving
4.1.
[eiser] vordert in het petitum van de dagvaarding een verklaring voor recht dat hij de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft ontbonden op grond van dwaling dan wel non-conformiteit. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de formulering van de vordering. Uit het lichaam van de dagvaarding maakt de kantonrechter namelijk op dat [eiser] primair heeft bedoeld te vorderen een verklaring voor recht dat hij de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van dwaling en subsidiair een verklaring voor recht dat hij deze overeenkomst heeft ontbonden op grond van non-conformiteit. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] dat bevestigd en heeft [gedaagde] verklaard dat hij de vordering ook zo heeft begrepen. De kantonrechter ziet aanleiding om hierna eerst het beroep op dwaling te beoordelen.
De vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling is rechtsgeldig
4.2.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan. Dit geldt tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Het tweede lid van artikel 6:228 BW bepaalt dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.
4.3.
[eiser] stelt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet bekend was met het schadeverleden van de auto zoals gerapporteerd in het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport en dat [gedaagde] hem daarover niet heeft ingelicht. [eiser] stelt een marktconforme prijs te hebben betaald voor een voertuig zonder schadeverleden. Het schadeverleden van de auto is volgens [eiser] een essentiële eigenschap van de auto die de waarde en verhandelbaarheid daarvan substantieel beïnvloedt. [eiser] meent namelijk dat de auto door het schadeverleden veel minder waard was dan de koopprijs die hij heeft betaald en bovendien daalt de restwaarde hierdoor harder. Dat laatste heeft volgens [eiser] tot gevolg dat de auto dus minder goed te verhandelen is als hij deze op enig moment weer wil doorverkopen. [eiser] stelt om deze redenen dat hij, als hij afwist van het schadeverleden van de auto, de overeenkomst niet, althans niet voor de overeengekomen prijs, zou hebben gesloten.
4.4.
Volgens [gedaagde] heeft haar medewerker [A] (hierna: [A] ) tijdens het verkoopproces met [eiser] gesproken over de aanwezigheid van ‘strak gemaakte delen’ en is daarvoor een korting van € 5.000,00 gegeven op het aankoopbedrag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht wat zij met ‘strak gemaakte delen’ bedoelt: ‘Delen die zijn overspoten. Delen die zijn hersteld. (...). De info die wij hebben gehad is dat de auto strak gemaakte delen heeft. Dat betekent dat het in het verleden inderdaad schade heeft gehad, maar dat het is hersteld en netjes is hersteld.’ [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de factuur waarop staat: ‘Klantkorting -5.000,00’. Ook verwijst hij naar een schriftelijke verklaring van [A] waarin, voor zover van belang, het volgende staat: ‘Verkoopprijs vóór korting: € 134.995,00 (...) Bedrag korting: € 5.000,00 (...) Verkoopprijs na korting: € 129.995,00 (...) Reden van korting: Strak gemaakte delen besproken’.
4.5.
[gedaagde] stelt dat zij haar informatie over auto’s vergaart via Autotelex en dat daaruit de in het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport gerapporteerde schade aan de auto niet is gebleken. Volgens [gedaagde] is het [onderneming 1] -rapport niet betrouwbaar. [gedaagde] voert aan dat [onderneming 1] slechts een dataverzamelaar is, dat zij volstrekt afhankelijk is van informatie van derden en dat zij ontvangen informatie niet verifieert op de juistheid ervan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [gedaagde] naar de website van [onderneming 1] , waarop zou staan: ‘ [onderneming 1] does neither guarantee nor warrant the correctness or completeness of VHRs and does not assume any liability’ en ‘The [onderneming 1] report is not suitable to be used as evidence in legal proceedings’. Wat betreft het [onderneming 2] -rapport, voert [gedaagde] aan dat op de foto’s in het rapport schade is te zien aan delen van de auto die bij herstel kunnen worden verwijderd en vervangen en dat de begroting van de reparatiekosten in het rapport volgens haar onjuist is.
4.6.
De kantonrechter overweegt over deze standpunten van partijen het volgende. De kantonrechter volgt [eiser] in zijn stelling dat de auto in het jaar 2022 – dus voorafgaand aan de koop – een omvangrijke schade heeft gehad waarvan de reparatiekosten tussen de € 80.000,- en € 85.000,- lagen en met een ‘Total loss’ verklaring tot gevolg. [eiser] heeft die stelling voldoende onderbouwd met het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport. Dat het schade betreft die volgens [gedaagde] is hersteld, doet daaraan niet af. Het gaat in deze discussie namelijk niet over de vraag of de auto bij de verkoop gebreken had. Verder is van belang dat [gedaagde] geen stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar betwisting van de in de rapporten genoemde reparatiekosten, zodat de kantonrechter geen aanknopingspunten heeft om uit te gaan van lagere reparatiekosten.
4.7.
In navolging hiervan is van belang dat tussen partijen niet ter discussie staat dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst geen weet had van het [onderneming 1] -rapport en het [onderneming 2] -rapport en de daarin gerapporteerde schade. Op grond van het voorgaande is daarom voldoende vast komen te staan dat [eiser] op dat moment een onjuiste voorstelling van zaken had. En omdat [gedaagde] zelf ook niet bekend was met deze rapporten en de daarin gerapporteerde schade, betekent dit dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als [eiser] is uitgegaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat partijen wederzijds hebben gedwaald.
4.8.
De kantonrechter is verder van oordeel dat vast is komen te staan dat [eiser] – als hij afwist van het schadeverleden van de auto – de overeenkomst niet, althans niet voor de overeengekomen prijs, zou hebben gesloten. [eiser] heeft namelijk, zoals hiervoor uiteengezet, toegelicht waarom het schadeverleden in dit geval voor hem zo van belang was en dat is door [gedaagde] onvoldoende weersproken. De enkele stelling van [gedaagde] dat de schade kennelijk hersteld zou zijn, is hiervoor niet genoeg. Het schadeverleden bestaat namelijk niet uit enkele krasjes of geringe cosmetische schade, maar uit een omvangrijke schade aan de voorzijde van de auto die tot een ‘Total loss’ verklaring heeft geleid. Dat [eiser] tijdens het verkoopproces geen vraag over het schadeverleden heeft gesteld, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Die omstandigheid is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het schadeverleden voor [eiser] niet relevant was. Bovendien is niet gebleken van een aanleiding voor [eiser] om hierover een specifieke vraag te stellen, zoals hierna verder zal worden toegelicht.
4.9.
Het is vervolgens de vraag of de dwaling op basis van de omstandigheden van het geval voor rekening van [eiser] moet blijven. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Het is in dit verband van belang dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] tijdens het verkoopproces is gewezen op ‘strak gemaakte delen’. Volgens [gedaagde] volgt hieruit dat [eiser] wist dat de auto in ieder geval geen schadevrij verleden had en had dit voor hem aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen hiernaar. De kantonrechter gaat niet mee in dat standpunt. De reden hiervoor is dat niet is vast komen te staan dat [eiser] tijdens het verkoopproces over enige schade uit het verleden is ingelicht. Dat [A] volgens [gedaagde] met [eiser] heeft gesproken over strak gemaakte delen wordt door [eiser] weersproken en is door [gedaagde] onvoldoende toegelicht en onderbouwd. In de verklaring van [A] staat slechts dat ‘strak gemaakte delen’ zijn besproken. Waar en wanneer dat is besproken, hoe dat aan [eiser] is gecommuniceerd en hoe daar door [eiser] op is gereageerd, staat niet in de verklaring. In haar processtukken en tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] hierover ook geen aanvullende informatie gegeven. Verder is niet vast komen te staan dat de verleende korting op de oorspronkelijke koopprijs met het schadeverleden van de auto verband hield. Volgens [eiser] was die korting het gevolg van reguliere prijsonderhandelingen en op de factuur waarnaar [gedaagde] heeft verwezen staat geen reden voor de korting genoemd. De verklaring van [A] is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de korting is verleend in verband met het schadeverleden.
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft kunnen vernietigen. Dat heeft [eiser] gedaan bij zijn e-mail van 24 april 2025. De gevorderde verklaring voor recht kan daarom worden toegewezen. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dit in het licht van wat in dit vonnis reeds is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden. Gelet op deze uitkomst heeft [eiser] geen belang meer bij de behandeling van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de ontbinding van de overeenkomst op grond van non-conformiteit.
[gedaagde] moet € 129.995,00 met rente aan [eiser] betalen
4.11.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 129.995,00 binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis met rente vanaf de dag van betaling tot de dag van volledige terugbetaling. [gedaagde] heeft de gevolgen van een eventuele vernietiging van de overeenkomst niet in haar verweer betrokken.
4.12.
Het gevolg van de vernietiging van de overeenkomst is overeenkomstig artikel 3:53 lid 1 BW dat de betaling van € 129.995,00 door [eiser] onverschuldigd is geworden, omdat de onderliggende verbintenis met terugwerkende kracht is vervallen. Dat betekent dat [gedaagde] dat bedrag aan [eiser] moet terugbetalen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan binnen de termijn van veertien dagen die [eiser] daarvoor in zijn e-mail van 24 april 2025 heeft gesteld, wat betekent dat zij haar verbintenis tot teruggave niet (op tijd) is nagekomen in de zin van artikel 6:74 BW en op grond van artikel 6:81 en 6:82 BW in verzuim is geraakt. Zowel de gevorderde hoofdsom als de wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals nader in het dictum van dit vonnis omschreven.
[gedaagde] hoeft geen aanvullende schadevergoeding te betalen
4.13.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullende schadevergoeding voor door [eiser] te betalen en reeds betaalde verzekeringspremies en wegenbelasting en overige schade. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de auto naar behoren functioneert en dat [eiser] de auto daadwerkelijk heeft gebruikt. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij omstreeks 30.000 kilometer met de auto heeft gereden. Daarom is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een situatie dat [eiser] door de genoten voordelen voor de kosten van de verzekeringspremies en wegenbelasting schadeloos is gesteld. Dat [eiser] overige schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, is door [eiser] onvoldoende gesteld. Het lag op de weg van [eiser] om toe te lichten welke overige schade [eiser] door de vernietiging van de overeenkomst lijdt en waarom deze schade voor vergoeding in aanmerking moet komen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De gevorderde aanvullende schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.14.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 2.074,95 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
3.030,00
(3 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.054,04
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst door [eiser] is vernietigd op grond van dwaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 129.995,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 9 mei 2025 tot de dag van volledige (terug)betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.074,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.054,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
5932