Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6626

2026-09-16 Civiel recht C/16/605905 / HL ZA 26-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-27
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/605905 / HL ZA 26-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling geldleningen. Gedaagde woont in Dubai (IPR). Brengschuld. Verstek

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.820 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Lelystad



Zaaknummer: C/16/605905 / HL ZA 26-25




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.G. Hees,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1
De procedure is aanhangig gemaakt met dagvaarding van 20 januari 2026 met producties (1-14). Vervolgens is vonnis bepaald.





2De beoordeling



De betekening van de dagvaarding en verstekverlening




2.1

[eiser] stelt dat [gedaagde] geen bekende woonplaats heeft in Nederland en volgens de registratie als niet-ingezetene in Spanje zou wonen maar dat deze gegevens verouderd zijn. Volgens [eiser] blijkt uit de verklaring van erfrecht uit 2023 dat [gedaagde] in [plaats] woont (Verenigde Arabische Emiraten).



2.2
Op 20 januari 2026 is de dagvaarding (met een Arabische vertaling) aan het OM betekend en ook naar het adres van [gedaagde] in [plaats] gestuurd. De dagvaarding is (inclusief alle stukken met vertaling) ook via de email aan [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft de ontvangst daarvan bevestigd (productie 12).



2.3


[gedaagde] is niet verschenen, heeft geen uitstel verzocht en heeft evenmin op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting van 22 juli 2026 geantwoord. Tegen [gedaagde] wordt daarom verstek verleend.

De rechtbank is bevoegd





2.4
Het gaat om een zaak met een internationaal aspect, nu [eiser] in Nederland woont en aangenomen wordt dat [gedaagde] in de Verenigde Arabische Emiraten woont. Daarom moet ambtshalve worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.



2.5
De Verenigde Arabische Emiraten is geen lidstaat van de Europese Unie en geen partij bij het Haags betekeningsverdrag (1965). Dit betekent dat de bevoegdheid moet worden vastgesteld aan de hand van de artikelen 1-14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).



2.6

[eiser] vordert terugbetaling van diverse aan [gedaagde] verstrekte geldleningen. Krachtens artikel 6:116 BW is dan sprake van een brengschuld, zodat de verbintenis tot terugbetaling van de geldleningen in Nederland moet worden uitgevoerd. De Nederlandse rechter (in casu deze rechtbank) is op de voet van artikel 6 onder a. Rv bevoegd.



Nederlands recht is van toepassing





2.7
Het op de overeenkomst van partijen toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Verordening 593/2008 (Rome-I). Op grond van artikel 4 lid 2 van deze verordening geldt dat de diverse (geldleen)overeenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar degene die de voor die overeenkomst kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat bij geldleningen het verstrekken van de lening de meest karakteristieke prestatie is, en [eiser] in Nederland woont, is Nederlands recht van toepassing op de overeenkomsten tussen partijen.



De vorderingen worden toegewezen





2.8

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 57.600,00 aan hoofdsom en € 1.351,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het conservatoir beslag en de proceskosten. Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.



2.9
De vordering tot betaling van € 57.600,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als hierna vermeld worden toegewezen.



2.10
De vordering van de buitengerechtelijk kosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten . Aan de wettelijke eisen voor vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.351,00 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.



2.11
Ook de gevorderde beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 3.111,70 voor kosten deurwaardersexploten (inclusief vertalingen), € 331,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.290,00), totaal € 4.732,70. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten zal ook worden toegewezen.



2.12

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,02







- griffierecht


€


1.083,00







- overige kosten


€


1.600,00







- salaris advocaat


€


1.290,00


(1 punt × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.315,02











2.13
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank



3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 57.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf 7 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,



3.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.351,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de vijftiende dag na de datum van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



3.3
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.732,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.315,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.7
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.






4428