Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6623

2026-09-16 Civiel recht C/16/610987 / HA ZA 26-225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-27
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/610987 / HA ZA 26-225
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijwaring (art. 210 Rv); Referte.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.576 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/610987 / HA ZA 26-225




Vonnis in incident van 16 september 2026




in de zaak van





1 [procesdeelnemer 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [procesdeelnemer 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] ,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,



tegen




STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
te Utrecht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: SKJ,
advocaat: mr. A.E. Goossens.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 april 2026,
- de akte houdende de producties bij dagvaarding met 27 producties,
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens conclusie van antwoord in het incident/VOVO, tevens incident tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 Rv met 32 producties,
- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident.



1.2
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken in het incident.





2Het geschil en de beoordeling in het incident


2.1
Kort gezegd gaat het geschil in de hoofdzaak over het volgende. [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] zijn werkzaam in de jeugdzorg en moeten om hun functie uit te oefenen ingeschreven staan in het Kwaliteitsregister Jeugd, dat beheerd wordt door SKJ. SKJ heeft de registraties van [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] uit het register verwijderd. In de hoofdzaak vorderen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] dat de besluiten van SKJ tot verwijdering van hen beiden uit het register worden vernietigd.



2.2
In dit incident vordert SKJ toestemming om [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) in vrijwaring te mogen oproepen. SKJ legt hieraan het volgende ten grondslag. Volgens SKJ moet [onderneming] de schade vergoeden indien SKJ in de hoofdzaak veroordeeld wordt tot het vergoeden van de bij [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] ontstane schade. Volgens SKJ is [onderneming] namelijk verantwoordelijk voor het op een deugdelijke wijze afgeven van het ervaringscertificaat, dat vervolgens door SKJ in het register geregistreerd wordt. Ten aanzien van [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] zou zij dit certificaat op ondeugdelijke gronden hebben afgegeven. [onderneming] zou hierdoor onrechtmatig hebben gehandeld (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), aldus SKJ.



2.3

[procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] hebben geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering en laten de beslissing aan het oordeel van de rechtbank over.



2.4
De rechtbank overweegt als volgt. De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Anders dan [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] hebben aangevoerd, is het voldoende dat het incident in de conclusie van antwoord opgeworpen wordt, waarbij niet uitmaakt op welke plaats in de conclusie van antwoord daarop wordt ingegaan. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan een gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat de gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet vast te staan.



2.5
De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.



2.6
Omdat geen van partijen als in het ongelijk gesteld kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



2.7
In het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening is er (voorlopig) een mondelinge behandeling gepland op 21 september 2026 om 13:30 uur.



2.8
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aan.





3De beslissing


De rechtbank




in het vrijwaringsincident




3.1
staat toe dat [onderneming] B.V. door SKJ wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van woensdag 28 oktober 2026,



3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening





3.3
verstaat dat er een mondelinge behandeling bepaald is op 21 september 2026 om 13:30 uur,



in de hoofdzaak





3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.










Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.





!



































































AV(5999)




ECLI:NL:HR:1994:ZC1361, r.o. 3.4.