Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6620
2026-09-16
Civiel recht
12230147 \ MC EXPL 26-2563 AW/1583
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
betaling factuur toegewezen. geen gevolgen verbonden aan verweer dat geleverde niet correct is.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.364 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12230147 \ MC EXPL 26-2563 AW/1583
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [.] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] heeft op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst aan [gedaagde] kozijnen geleverd. [gedaagde] heeft na de levering bij [eiseres] aangegeven dat er sprake was van transportschade en later heeft zij gemeld dat de maatvoering van één van de kozijnen niet correct was. Omdat [gedaagde] de kozijnen daarna toch heeft geplaatst in de woning van haar klant wil [eiseres] dat [gedaagde] de overeenkomst nakomt en een bedrag van € 7.270,23 voor de kozijnen betaald, vermeerderd met rente en incassokosten. De vordering van [eiseres] wordt toegewezen, behalve voor zover dit ziet op btw over de incassokosten.
3De beoordeling
3.1
Vaststaat dat [eiseres] op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst op 2 juli 2025 kozijnen heeft geleverd. [eiseres] heeft daarvoor op 16 november 2025 een factuur gestuurd waarbij zij aanspraak maakt op betaling van € 7.270,23 voor 50% van de te leveren kozijnen en kosten hijskraan. [gedaagde] betwist niet dat de kozijnen zijn geleverd en dat zij het gevorderde bedrag zijn overeengekomen. [gedaagde] moet in beginsel dan ook het bedrag van € 7.270,23 betalen.
3.2
[gedaagde] heeft de factuur van [eiseres] niet betaald omdat bij levering al bleek van schade aan een kozijn en tijdens de montage bleek dat één kozijn niet correct op maat was geleverd. [gedaagde] heeft van de schade direct telefonisch melding gemaakt bij [eiseres] . Het geleverde product voldeed volgens [gedaagde] niet aan de overeenkomst.
3.3
[eiseres] erkent dat [gedaagde] telefonisch melding heeft gemaakt van de schade. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] daarbij niet aangegeven dat zij herstel of vervanging van het kozijn wilde. Volgens [eiseres] had [gedaagde] als zij had aangegeven dat zij het kozijn niet accepteerde, een vervangend kozijn geleverd. [gedaagde] heeft echter het kozijn behouden en geplaatst en daarmee geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de kozijnen te herstellen of te vervangen. Door het kozijn te plaatsen in de woning heeft [gedaagde] dit ook onmogelijk gemaakt. [eiseres] betwist dus niet dat het geleverde kozijn beschadigd was en niet aan de overeenkomst voldeed.
3.4
Artikel 7:21 BW bepaalt dat als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, de koper herstel of vervanging kan eisen (lid 1). De verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, deze verplichting na te komen (lid 3).
3.5
[eiseres] stelt dat zij tijdens het telefoongesprek aan [gedaagde] heeft aangegeven het kozijn niet in ontvangst te nemen en direct retour te sturen met de transporteur zodat zij voor vervangende kozijnen kon zorgen. Dat wordt door [gedaagde] weliswaar betwist, maar [gedaagde] maakt niet kenbaar wat zij wel van [eiseres] wenst, herstel of vervanging. [gedaagde] plaatst daarentegen het kozijn bij haar opdrachtgever. Daarmee maakt [gedaagde] het voor [eiseres] onmogelijk om het kozijn te herstellen of te vervangen. [gedaagde] heeft daarmee verhinderd dat [eiseres] alsnog correct na kon komen. Volgens [gedaagde] kon zij niet anders omdat de afbouw van de woning door moest gaan. Uitstel van montage was voor haar geen reële optie. Daar gaat de kantonrechter echter niet in mee. Het kozijn is immers niet direct geplaatst. De kozijnen zijn geleverd op 2 juli 2025. De voor plaatsing benodigde kraan is pas 9 dagen later, op verzoek van [gedaagde] , door [eiseres] besteld. [gedaagde] vraagt op 11 juli 2025 of het nog gelukt is met het bestellen van de kraan. Zij geeft daarbij totaal niet aan dat het kozijn niet kan worden geplaatst en danwel wat de schade is. De kraan was er op 16 juli 2026 en [gedaagde] heeft de kozijnen geplaatst. Zij is toen ook tot de ontdekking gekomen dat een kozijn niet de juiste maat had. Zij maakt daarvan geen melding maar plaatst het kozijn. Pas op 18 juli, nadat [eiseres] vraagt of het gelukt is met de kozijnen, meldt zij dit aan [eiseres] . De situatie waarin [eiseres] als verkoper is tekortgeschoten in een verplichting tot aflevering van het ontbrekende, of herstel of vervanging van het geleverde, doet zich in deze situatie dan ook niet voor. Er is, met andere woorden, aan de zijde van [eiseres] geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen.
3.6
Maar ook als dat wel het geval is, dan kan het enkele feit dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoord en er dus sprake is van wanpresatie, er niet toe leiden dat de vordering van [eiseres] niet hoeft te worden voldaan. Een dergelijke rechtsregel kent het Nederlandse recht niet. Om kwijtgescholden te kunnen worden van betaling van (een deel van) de facturen had [gedaagde] een processueel gevolg aan het gevoerde verweer dat sprake is van wanprestatie moeten verbinden, wilde dat verweer tot het beoogde resultaat - afwijzing van de vordering - kunnen leiden. Kort gezegd had [gedaagde] nakoming kunnen eisen, de overeenkomst met [eiseres] geheel of gedeeltelijk kunnen ontbinden of het gevorderde kunnen verrekenen met een tegenvordering. [gedaagde] heeft echter - buiten rechte of in rechte - geen van deze rechten ingeroepen. Nu [gedaagde] geen processuele gevolgen heeft verbonden aan het verweer dat [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten (wanprestatie heeft gepleegd), kan dit verweer daarom al niet leiden tot afwijzing van het gevorderde.
3.7
Voor het geval [gedaagde] door niet tot betaling over te gaan vanwege de schade aan het kozijn en de verkeerde maat van een kozijn, een beroep heeft willen doen op een opschortingsrecht, geldt het volgende. Naar zijn aard draagt een opschortingsrecht een tijdelijk karakter: het wordt gedaan in afwachting van nakoming/herstel door de wederpartij (in dit geval [eiseres] ), dan wel in afwachting van schadevergoeding of verrekening dan wel ter inleiding op ontbinding. [gedaagde] heeft, zoals hiervoor al is gebleken, daartoe ook geen actie ondernomen richting [eiseres] anders dan dat zij niet akkoord is gegaan met de door [eiseres] voorgestelde compensatie. [gedaagde] heeft geen tegenvoorstel gedaan, noch aangegeven wat de schade is geweest die zij door de verkeerde levering heeft gelden.
3.8
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat hetgeen door [gedaagde] bij wijze van verweer is aangevoerd onvoldoende grond oplevert om tot het oordeel te komen dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] niet hoeft te voldoen. Voor vermindering van de vordering bestaat geen aanleiding nu [gedaagde] niet heeft aangegeven dat zij schade heeft geleden en hoeveel dat is door de verkeerde levering van de kozijnen. De vordering van [eiseres] wordt dan ook toegewezen.
Wettelijke handelsrente
3.9
De gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf de vervaldatum van de factuur, omdat [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Buitengerechtelijke kosten
3.10
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiseres] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 738,51 worden toegewezen.
Proceskosten
3.11
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.551,65
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.12
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.270,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldatum van de factuur, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 738,51 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.551,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken
op 16 september 2026.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12230147 \ MC EXPL 26-2563 AW/1583
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [.] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] heeft op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst aan [gedaagde] kozijnen geleverd. [gedaagde] heeft na de levering bij [eiseres] aangegeven dat er sprake was van transportschade en later heeft zij gemeld dat de maatvoering van één van de kozijnen niet correct was. Omdat [gedaagde] de kozijnen daarna toch heeft geplaatst in de woning van haar klant wil [eiseres] dat [gedaagde] de overeenkomst nakomt en een bedrag van € 7.270,23 voor de kozijnen betaald, vermeerderd met rente en incassokosten. De vordering van [eiseres] wordt toegewezen, behalve voor zover dit ziet op btw over de incassokosten.
3De beoordeling
3.1
Vaststaat dat [eiseres] op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst op 2 juli 2025 kozijnen heeft geleverd. [eiseres] heeft daarvoor op 16 november 2025 een factuur gestuurd waarbij zij aanspraak maakt op betaling van € 7.270,23 voor 50% van de te leveren kozijnen en kosten hijskraan. [gedaagde] betwist niet dat de kozijnen zijn geleverd en dat zij het gevorderde bedrag zijn overeengekomen. [gedaagde] moet in beginsel dan ook het bedrag van € 7.270,23 betalen.
3.2
[gedaagde] heeft de factuur van [eiseres] niet betaald omdat bij levering al bleek van schade aan een kozijn en tijdens de montage bleek dat één kozijn niet correct op maat was geleverd. [gedaagde] heeft van de schade direct telefonisch melding gemaakt bij [eiseres] . Het geleverde product voldeed volgens [gedaagde] niet aan de overeenkomst.
3.3
[eiseres] erkent dat [gedaagde] telefonisch melding heeft gemaakt van de schade. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] daarbij niet aangegeven dat zij herstel of vervanging van het kozijn wilde. Volgens [eiseres] had [gedaagde] als zij had aangegeven dat zij het kozijn niet accepteerde, een vervangend kozijn geleverd. [gedaagde] heeft echter het kozijn behouden en geplaatst en daarmee geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de kozijnen te herstellen of te vervangen. Door het kozijn te plaatsen in de woning heeft [gedaagde] dit ook onmogelijk gemaakt. [eiseres] betwist dus niet dat het geleverde kozijn beschadigd was en niet aan de overeenkomst voldeed.
3.4
Artikel 7:21 BW bepaalt dat als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, de koper herstel of vervanging kan eisen (lid 1). De verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, deze verplichting na te komen (lid 3).
3.5
[eiseres] stelt dat zij tijdens het telefoongesprek aan [gedaagde] heeft aangegeven het kozijn niet in ontvangst te nemen en direct retour te sturen met de transporteur zodat zij voor vervangende kozijnen kon zorgen. Dat wordt door [gedaagde] weliswaar betwist, maar [gedaagde] maakt niet kenbaar wat zij wel van [eiseres] wenst, herstel of vervanging. [gedaagde] plaatst daarentegen het kozijn bij haar opdrachtgever. Daarmee maakt [gedaagde] het voor [eiseres] onmogelijk om het kozijn te herstellen of te vervangen. [gedaagde] heeft daarmee verhinderd dat [eiseres] alsnog correct na kon komen. Volgens [gedaagde] kon zij niet anders omdat de afbouw van de woning door moest gaan. Uitstel van montage was voor haar geen reële optie. Daar gaat de kantonrechter echter niet in mee. Het kozijn is immers niet direct geplaatst. De kozijnen zijn geleverd op 2 juli 2025. De voor plaatsing benodigde kraan is pas 9 dagen later, op verzoek van [gedaagde] , door [eiseres] besteld. [gedaagde] vraagt op 11 juli 2025 of het nog gelukt is met het bestellen van de kraan. Zij geeft daarbij totaal niet aan dat het kozijn niet kan worden geplaatst en danwel wat de schade is. De kraan was er op 16 juli 2026 en [gedaagde] heeft de kozijnen geplaatst. Zij is toen ook tot de ontdekking gekomen dat een kozijn niet de juiste maat had. Zij maakt daarvan geen melding maar plaatst het kozijn. Pas op 18 juli, nadat [eiseres] vraagt of het gelukt is met de kozijnen, meldt zij dit aan [eiseres] . De situatie waarin [eiseres] als verkoper is tekortgeschoten in een verplichting tot aflevering van het ontbrekende, of herstel of vervanging van het geleverde, doet zich in deze situatie dan ook niet voor. Er is, met andere woorden, aan de zijde van [eiseres] geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen.
3.6
Maar ook als dat wel het geval is, dan kan het enkele feit dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoord en er dus sprake is van wanpresatie, er niet toe leiden dat de vordering van [eiseres] niet hoeft te worden voldaan. Een dergelijke rechtsregel kent het Nederlandse recht niet. Om kwijtgescholden te kunnen worden van betaling van (een deel van) de facturen had [gedaagde] een processueel gevolg aan het gevoerde verweer dat sprake is van wanprestatie moeten verbinden, wilde dat verweer tot het beoogde resultaat - afwijzing van de vordering - kunnen leiden. Kort gezegd had [gedaagde] nakoming kunnen eisen, de overeenkomst met [eiseres] geheel of gedeeltelijk kunnen ontbinden of het gevorderde kunnen verrekenen met een tegenvordering. [gedaagde] heeft echter - buiten rechte of in rechte - geen van deze rechten ingeroepen. Nu [gedaagde] geen processuele gevolgen heeft verbonden aan het verweer dat [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten (wanprestatie heeft gepleegd), kan dit verweer daarom al niet leiden tot afwijzing van het gevorderde.
3.7
Voor het geval [gedaagde] door niet tot betaling over te gaan vanwege de schade aan het kozijn en de verkeerde maat van een kozijn, een beroep heeft willen doen op een opschortingsrecht, geldt het volgende. Naar zijn aard draagt een opschortingsrecht een tijdelijk karakter: het wordt gedaan in afwachting van nakoming/herstel door de wederpartij (in dit geval [eiseres] ), dan wel in afwachting van schadevergoeding of verrekening dan wel ter inleiding op ontbinding. [gedaagde] heeft, zoals hiervoor al is gebleken, daartoe ook geen actie ondernomen richting [eiseres] anders dan dat zij niet akkoord is gegaan met de door [eiseres] voorgestelde compensatie. [gedaagde] heeft geen tegenvoorstel gedaan, noch aangegeven wat de schade is geweest die zij door de verkeerde levering heeft gelden.
3.8
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat hetgeen door [gedaagde] bij wijze van verweer is aangevoerd onvoldoende grond oplevert om tot het oordeel te komen dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] niet hoeft te voldoen. Voor vermindering van de vordering bestaat geen aanleiding nu [gedaagde] niet heeft aangegeven dat zij schade heeft geleden en hoeveel dat is door de verkeerde levering van de kozijnen. De vordering van [eiseres] wordt dan ook toegewezen.
Wettelijke handelsrente
3.9
De gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf de vervaldatum van de factuur, omdat [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Buitengerechtelijke kosten
3.10
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [eiseres] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 738,51 worden toegewezen.
Proceskosten
3.11
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.551,65
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.12
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.270,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldatum van de factuur, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 738,51 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.551,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken
op 16 september 2026.