Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6605
2026-09-16
Civiel recht
C/16/605946 / HL ZA 26-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Curator is q.q. aansprakelijk voor het leggen van een beslag zonder grondslag. Aansprakelijkheid pro se wordt afgewezen. Schadevergoeding wordt afgewezen.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:1992:ZC0512 Hoge Raad 21-02-1992
- ECLI:NL:HR:1965:AC4076 Hoge Raad 15-04-1965
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2047 Hoge Raad 19-04-1996
- ECLI:NL:HR:2011:BU4204 Hoge Raad 16-12-2011
- ECLI:NL:HR:2018:2067 Hoge Raad 09-11-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.603 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/605946 / HL ZA 26-26
Vonnis van 16 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
JD INFRA TEXEL B.V.,
te Texel,
eisende partij,
hierna te noemen: JD Infra,
advocaat: mr. M.H. van Hooft en mr. A.J.A. Jansen,
tegen
1. [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Photonic Networks General Contractors B.V.,
te Almere,2. [gedaagde], pro se,
te Almere,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. V. Terlouw.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met producties 1 tot en met 26;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;
- de akte van JD Infra met aanvullende productie 27;
- de akte van JD Infra met eiswijziging;
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2026 was [gedaagde] aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Terlouw. Namens JD Infra was haar [functie] , de heer [A] , aanwezig. JD Infra werd bijgestaan door mr. Hooft en mr. Jansen. Mr. Terlouw en mr. Hooft hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De rechtbank heeft die spreekaantekeningen aan het dossier gevoegd.
1.3
De rechtbank heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.
2De kern van het geschil
2.1
JD Infra meent dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Photonic (q.q.) en in persoon (pro se). JD Infra legt hieraan ten grondslag dat i) [gedaagde] het reeds door Photonic gelegde beslag op de glsvezelnetwerken heeft gehandhaafd, ii) [gedaagde] aanvullend beslag heeft gelegd, iii) [gedaagde] de voorzieningenrechter niet goed dan wel onvolledig heeft geïnformeerd in het beslagrekest voor het aanvullende beslag en iv) [gedaagde] in een eerdere procedure bij de rechtbank Amsterdam niet is ingegaan op het aanbod van de rechter om een voorlopig oordeel te geven. JD Infra verzoekt de rechtbank in deze procedure voor recht te verklaren dat [gedaagde] q.q. en pro se onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. Daarnaast vordert JD Infra dat [gedaagde] q.q. en pro se hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] voert verweer.
2.2
De rechtbank wijst de verklaring voor recht dat [gedaagde] q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra toe ten aanzien van het leggen van het aanvullende beslag onder (ii). Het overige wordt afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3De beoordeling
JD Infra heeft haar eis gewijzigd
3.1
JD Infra heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij haar eis wil wijzigen. Zij vordert niet langer € 117.028,58 aan schadevergoeding, maar € 115.511,95. [gedaagde] heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt. Op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechtbank de eiswijziging toelaten.
[gedaagde] heeft q.q. onrechtmatig gehandeld
3.2
JD Infra stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Hieraan is met name ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een door Photonic gelegd beslag heeft gehandhaafd en een aanvullend beslag heeft laten leggen, zonder dat Photonic een vordering had op JD Infra. [gedaagde] voert verweer. Volgens hem had Photonic wel een vordering op JD Infra.
3.3
De vraag of een curator in hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor zover de gestelde onrechtmatigheid is gelegen in het leggen van beslag, geldt als uitgangspunt dat de beslaglegger op eigen risico handelt. Indien achteraf komt vast te staan dat het beslag ten onrechte is gelegd, is het leggen van beslag in beginsel onrechtmatig jegens degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Dat geldt ook als de beslaglegger op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht is overtuigd en bij het leggen van beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Dit wordt niet anders indien het gaat om het handhaven van een voor het faillissement gelegd beslag door de curator. Het handelen van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator ten aanzien van (i) het handhaven en (ii) het leggen van aanvullend beslag moet dus aan de hand van dit kader worden beoordeeld.
3.4
In een eerdere procedure tussen partijen heeft de rechtbank Amsterdam bindend geoordeeld over de rechtsverhouding tussen Photonic en Kabeltex Infra B.V. (voorheen de statutaire naam van JD Infra). Photonic was op dat moment al gefailleerd en [gedaagde] had als curator van Photonic besloten de procedure bij de rechtbank Amsterdam over te nemen en door te zetten. In het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam is gebleken dat Photonic een vordering had op Kabeltex van € 199.210,80. Tegen dit vonnis hebben beide partijen geen hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat met het voornoemde vonnis is komen vast te staan dat er een grondslag bestond voor het door Photonic gelegde en door [gedaagde] gehandhaafde beslag. Voor het gehandhaafde beslag onder (i) is namelijk een deel van de vordering toegewezen. [gedaagde] heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door dit beslag te handhaven.
3.5
Dat is anders voor het door [gedaagde] gelegde aanvullende beslag van € 1.386.283,00 onder (ii). De schadevergoedingsvordering waarvoor dit aanvullende beslag is gelegd, vloeide voort uit de door Photonic ingeroepen partiële ontbinding van de overeenkomst tussen Photonic en Kabeltex als gevolg van het tekortschieten door Kabeltex. De rechtbank Amsterdam heeft in haar tussenvonnis echter geoordeeld dat Photonic geen beroep toekwam op partiële ontbinding. De vordering tot schadevergoeding is daarom in het geheel afgewezen. Dit betekent ten aanzien van (ii) dat er dus geen grondslag bestond voor [gedaagde] om aanvullend beslag te leggen, waarmee vaststaat dat [gedaagde] q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. De rechtbank zal de verklaring voor recht op dit punt toewijzen.
[gedaagde] heeft niet pro se onrechtmatig gehandeld
3.6
JD Infra heeft verder gesteld dat [gedaagde] ook pro se aansprakelijk moet worden gehouden voor zijn handelen. Als maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van de curator geldt dat de curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzicht verricht (de Maclou-norm). Voor zover de curator bij de uitoefening van zijn taak niet gebonden is aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Bij deze vrijheid past dan ook een terughoudende toetsing. Voor zover de curator wel gebonden is aan regels, heeft hij de hiervoor genoemde beleidsvrijheid niet. Als hij die regels niet nakomt, zal hij in beginsel op die grond persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen met de belangen van wie hij bij de naleving van die regels rekening diende te houden. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] pro se niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. Hierna legt zij uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] heeft geen regel geschonden
3.7
Volgens JD Infra is sprake van een schending van een regel door [gedaagde] waardoor niet getoetst zou moeten worden aan de Maclou-norm. Door zijn wederpartij Kabeltex is namelijk in de procedure bij de rechtbank Amsterdam een beroep gedaan op verrekening (artikel 6:127 BW), omdat, kort samengevat, Kabeltex meende recht te hebben op schadevergoeding vanwege het niet goed verrichten van de werkzaamheden op grond van de overeenkomst. De schade van Kabeltex was hoger dan de vordering van Photonic, waardoor de vordering van Photonic bij een geslaagd beroep op verrekening teniet zou gaan. In de kern komt het verwijt van JD Infra erop neer dat [gedaagde] het rechtsgevolg van verrekening heeft genegeerd door het beslag van Photonic te handhaven, aanvullend beslag te leggen en verder te gaan met de procedure bij de rechtbank Amsterdam, terwijl hier geen grondslag voor bestond. De rechtbank maakt hieruit op dat JD Infra zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] het beroep van zijn wederpartij op verrekening zonder meer als slagend had moeten inschatten en dus honoreren. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. De enkele omstandigheid dat JD Infra zich op verrekening heeft beroepen, brengt immers niet mee dat [gedaagde] zonder meer gehouden was om dat beroep als juist te aanvaarden en ervan uit te gaan dat de vordering van Photonic teniet zou gaan. [gedaagde] heeft in de onderhavige procedure voldoende gesteld waarom hij een andere inschatting kon en mocht maken. Het stond [gedaagde] als curator daarmee vrij om ter verzekering van verhaal van de vordering van Photonic en in het belang van de boedel het beslag te handhaven. Dat de rechtbank Amsterdam vervolgens heeft beslist dat het beroep op verrekening slaagt (na een uitgebreid deskundigenbericht, zie hierna), maakt dat niet anders en leidt niet tot schending van een regel.
3.8
Hiernaast heeft JD Infra aangevoerd dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. [gedaagde] zou de voorzieningenrechter namelijk niet volledig en naar waarheid hebben geïnformeerd in het beslagrekest voor het aanvullende beslag. Volgens JD Infra heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter niet geïnformeerd over het beroep op verrekening en ook niet over het aanbod van JD Infra om vervangende zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie. Uit het beslagrekest volgt echter dat [gedaagde] de voorgaande punten wel degelijk heeft benoemd. Het op de mondelinge behandeling aangevoerde standpunt dat [gedaagde] nog veel meer informatie had moeten verstrekken bij het beslagrekest, kan niet worden gevolgd.
3.9
Verder verwijt JD Infra [gedaagde] dat hij tijdens de mondelinge behandeling, die heeft geleid tot het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam, niet instemde met een voorlopig oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat JD Infra dit heeft aangehaald ter illustratie van haar standpunt dat [gedaagde] geen rekening heeft gehouden met de belangen van JD Infra. De rechtbank wil hierover opmerken dat het instemmen met een voorlopig oordeel geen verplichting is en dat het weigeren hiervan dus ook geen schending van een regel oplevert.
[gedaagde] heeft niet in strijd met de Maclou-norm gehandeld
3.10
Het bovenstaande betekent dat het handelen van [gedaagde] getoetst moet worden aan de Maclou-norm. Ook bij die beoordeling is het door JD Infra gedane beroep op verrekening van belang. De rechtbank begrijpt het verwijt van JD Infra zo dat zij meent dat een redelijk handelend en over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator de goede en kwade kansen van het beroep op verrekening en de kansen voor de boedel zo had moeten inschatten dat hij de procedure bij de rechtbank Amsterdam niet had voortgezet en evenmin aanvullend beslag had gelegd. De rechtbank merkt op dat het aanvullende beslag niet samenhangt met het beroep op verrekening. Aan het aanvullende beslag lag immers een andere vordering ten grondslag, waarvan de rechtbank Amsterdam heeft vastgesteld dat deze niet bestond. Het gehandhaafde beslag was echter gebaseerd op de vordering die deels is toegewezen en vervolgens door verrekening teniet is gegaan. Zoals reeds is geoordeeld, leidt het leggen van het aanvullende beslag tot aansprakelijkheid q.q. van [gedaagde] . De Maclou-norm is hiermee echter niet geschonden. Wat het beroep op verrekening betreft, kan de rechtbank niet volgen dat het voor [gedaagde] zonneklaar had moeten zijn dat dit beroep hoe dan ook zou worden toegewezen door de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam heeft immers een deskundige moeten benoemen om de schade vast te stellen die JD Infra ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op verrekening. Bovendien heeft de deskundige expliciet benoemd dat uit de documentatie niet duidelijk is wat de afspraken tussen Photonic en Kabeltex waren en wat er exact geleverd is. Ook zijn er kennelijk naderhand (vaak mondeling) aanvullende afspraken gemaakt die niet duidelijk waren voor de deskundige. Het was dus zelfs voor de deskundige lastig om vast te stellen of het werk wel of niet goed was uitgevoerd door Photonic en of Kabeltex een vordering op haar had. Dit maakt dan ook dat het standpunt dat [gedaagde] zowel bij het handhaven van het beslag als bij het inschatten van kansen in de procedure bij de rechtbank Amsterdam anders had moeten handelen een oordeel is met de wijsheid van nu en niet kan leiden tot aansprakelijkheid pro se.
3.11
Hiernaast heeft JD Infra aangevoerd dat [gedaagde] in strijd met de Maclou-norm heeft gehandeld door niet in te gaan op het aanbod van vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie en wel over te gaan tot het leggen van aanvullend beslag. Ook wordt [gedaagde] verweten dat het voor hem evident was dat JD Infra door het beslag aanzienlijke schade zou lijden. De rechtbank onderkent dat het niet reageren op het aanbod van vervangende zekerheid en ondertussen aanvullend beslag leggen invoelbaar vervelend is voor JD Infra, maar acht dit onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] in strijd met de Maclou-norm heeft gehandeld. [gedaagde] heeft een inschatting gemaakt en het is de rechtbank niet gebleken dat hij dat niet op deze manier had mogen doen. Verder kan de rechtbank JD Infra niet volgen in haar stelling dat het voor [gedaagde] evident was dat zij aanzienlijke schade zou lijden door het beslag. Volgens JD Infra heeft het (aanvullende) beslag de overname van haar glasvezelnetwerken in het kader van een verkoop vertraagd, waardoor JD Infra schade heeft geleden. Dit is echter pas op 7 augustus 2025 aan [gedaagde] medegedeeld, terwijl het aanvullende beslag op 18 augustus 2023 is gelegd en Kabeltex op 24 juli 2023 al wist dat opheffing van de beslagen voor de koper gold als een voorwaarde voor de overname. Tijdens de mondelinge behandeling in de Procedure merkte JD Infra hierover op dat zij dit niet eerder met [gedaagde] heeft gedeeld vanwege een geheimhoudingsclausule in de overeenkomst met de koper. De rechtbank overweegt – zoals tijdens de mondelinge behandeling ook is meegegeven – dat JD Infra wel in algemene bewoordingen haar belang aan [gedaagde] duidelijk had kunnen maken. Dat JD Infra ervoor heeft gekozen om dat niet te doen, kan nu niet aan [gedaagde] worden verweten nu hij dit belang simpelweg niet kon weten en daarmee ook niet kon meewegen.
3.12
De rechtbank oordeelt dat het bovenstaande geen schending van de Maclou-norm oplevert. Al het overig gestelde kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat de verklaring voor recht dat [gedaagde] pro se onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra wordt afgewezen.
De schadevergoedingsvordering wordt afgewezen
3.13
JD Infra vordert dat [gedaagde] q.q. en pro se hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. De schade die JD Infra stelt te hebben geleden, bestaat uit advocaatkosten, de kosten voor de bankgarantie en de handelsrente over de bankgarantie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft JD Infra toegelicht dat zij, anders dan in haar dagvaarding staat, geen handelsrente vordert, maar dat zij dit percentage enkel heeft gebruikt als maatstaf voor de begroting van de schade.
3.14
De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van JD Infra af. [gedaagde] heeft dan wel q.q. onrechtmatig gehandeld door voor € 1.386.283,00 aanvullend conservatoir beslag te leggen voor een vordering die niet bestond, maar dit is op zichzelf onvoldoende om [gedaagde] q.q. te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade. Hiervoor is op grond van artikel 6:162 BW onder meer vereist dat sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de schade. Dit verband ontbreekt. De bankgarantie die JD Infra heeft afgegeven, hing immers samen met een vordering van Photonic die wél bestond. Dit heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld in haar tussenvonnis en eindvonnis. De kosten van de bankgarantie en de gevorderde handelsrente komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Ook de gevorderde advocaatkosten worden afgewezen. JD Infra heeft immers niet toegelicht welk deel van de kosten het gevolg is van het onrechtmatig gelegde aanvullende beslag. Bovendien is in de procedure die bij de rechtbank Amsterdam liep al een forfaitaire vergoeding van deze kosten toegekend. Deze kosten kunnen niet nogmaals worden toegewezen.
3.15
Omdat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld pro se, kan hij reeds daarom niet pro se worden veroordeeld tot vergoeding van de gestelde schade.
Proceskosten
3.16
[gedaagde] is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat enkel een verklaring voor recht is toegewezen en de schadevergoedingsvordering is afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om voor de begroting van de proceskosten aan te sluiten bij de tarieven die horen bij een vordering van onbepaalde waarde. De proceskosten van JD Infra worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.306
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.349,40
3.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra door het leggen van het aanvullende beslag op 18 augustus 2023,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. in de proceskosten van € 2.349,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
6004
HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0512; HR 15 april 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4076.
Vonnis van 9 april 2025, C/ 13/7 18028 / HA ZA 22-423.
Vonnis van 29 november 2023, C/13/7 18028 / HA ZA 22-423.
HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047.
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204.
HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2067.
Productie 2 conclusie van antwoord onder iii, iv en v.
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/605946 / HL ZA 26-26
Vonnis van 16 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
JD INFRA TEXEL B.V.,
te Texel,
eisende partij,
hierna te noemen: JD Infra,
advocaat: mr. M.H. van Hooft en mr. A.J.A. Jansen,
tegen
1. [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Photonic Networks General Contractors B.V.,
te Almere,2. [gedaagde], pro se,
te Almere,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. V. Terlouw.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met producties 1 tot en met 26;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;
- de akte van JD Infra met aanvullende productie 27;
- de akte van JD Infra met eiswijziging;
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2026 was [gedaagde] aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Terlouw. Namens JD Infra was haar [functie] , de heer [A] , aanwezig. JD Infra werd bijgestaan door mr. Hooft en mr. Jansen. Mr. Terlouw en mr. Hooft hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De rechtbank heeft die spreekaantekeningen aan het dossier gevoegd.
1.3
De rechtbank heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.
2De kern van het geschil
2.1
JD Infra meent dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Photonic (q.q.) en in persoon (pro se). JD Infra legt hieraan ten grondslag dat i) [gedaagde] het reeds door Photonic gelegde beslag op de glsvezelnetwerken heeft gehandhaafd, ii) [gedaagde] aanvullend beslag heeft gelegd, iii) [gedaagde] de voorzieningenrechter niet goed dan wel onvolledig heeft geïnformeerd in het beslagrekest voor het aanvullende beslag en iv) [gedaagde] in een eerdere procedure bij de rechtbank Amsterdam niet is ingegaan op het aanbod van de rechter om een voorlopig oordeel te geven. JD Infra verzoekt de rechtbank in deze procedure voor recht te verklaren dat [gedaagde] q.q. en pro se onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. Daarnaast vordert JD Infra dat [gedaagde] q.q. en pro se hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] voert verweer.
2.2
De rechtbank wijst de verklaring voor recht dat [gedaagde] q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra toe ten aanzien van het leggen van het aanvullende beslag onder (ii). Het overige wordt afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3De beoordeling
JD Infra heeft haar eis gewijzigd
3.1
JD Infra heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij haar eis wil wijzigen. Zij vordert niet langer € 117.028,58 aan schadevergoeding, maar € 115.511,95. [gedaagde] heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt. Op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechtbank de eiswijziging toelaten.
[gedaagde] heeft q.q. onrechtmatig gehandeld
3.2
JD Infra stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Hieraan is met name ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een door Photonic gelegd beslag heeft gehandhaafd en een aanvullend beslag heeft laten leggen, zonder dat Photonic een vordering had op JD Infra. [gedaagde] voert verweer. Volgens hem had Photonic wel een vordering op JD Infra.
3.3
De vraag of een curator in hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor zover de gestelde onrechtmatigheid is gelegen in het leggen van beslag, geldt als uitgangspunt dat de beslaglegger op eigen risico handelt. Indien achteraf komt vast te staan dat het beslag ten onrechte is gelegd, is het leggen van beslag in beginsel onrechtmatig jegens degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Dat geldt ook als de beslaglegger op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht is overtuigd en bij het leggen van beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Dit wordt niet anders indien het gaat om het handhaven van een voor het faillissement gelegd beslag door de curator. Het handelen van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator ten aanzien van (i) het handhaven en (ii) het leggen van aanvullend beslag moet dus aan de hand van dit kader worden beoordeeld.
3.4
In een eerdere procedure tussen partijen heeft de rechtbank Amsterdam bindend geoordeeld over de rechtsverhouding tussen Photonic en Kabeltex Infra B.V. (voorheen de statutaire naam van JD Infra). Photonic was op dat moment al gefailleerd en [gedaagde] had als curator van Photonic besloten de procedure bij de rechtbank Amsterdam over te nemen en door te zetten. In het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam is gebleken dat Photonic een vordering had op Kabeltex van € 199.210,80. Tegen dit vonnis hebben beide partijen geen hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat met het voornoemde vonnis is komen vast te staan dat er een grondslag bestond voor het door Photonic gelegde en door [gedaagde] gehandhaafde beslag. Voor het gehandhaafde beslag onder (i) is namelijk een deel van de vordering toegewezen. [gedaagde] heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door dit beslag te handhaven.
3.5
Dat is anders voor het door [gedaagde] gelegde aanvullende beslag van € 1.386.283,00 onder (ii). De schadevergoedingsvordering waarvoor dit aanvullende beslag is gelegd, vloeide voort uit de door Photonic ingeroepen partiële ontbinding van de overeenkomst tussen Photonic en Kabeltex als gevolg van het tekortschieten door Kabeltex. De rechtbank Amsterdam heeft in haar tussenvonnis echter geoordeeld dat Photonic geen beroep toekwam op partiële ontbinding. De vordering tot schadevergoeding is daarom in het geheel afgewezen. Dit betekent ten aanzien van (ii) dat er dus geen grondslag bestond voor [gedaagde] om aanvullend beslag te leggen, waarmee vaststaat dat [gedaagde] q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. De rechtbank zal de verklaring voor recht op dit punt toewijzen.
[gedaagde] heeft niet pro se onrechtmatig gehandeld
3.6
JD Infra heeft verder gesteld dat [gedaagde] ook pro se aansprakelijk moet worden gehouden voor zijn handelen. Als maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van de curator geldt dat de curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzicht verricht (de Maclou-norm). Voor zover de curator bij de uitoefening van zijn taak niet gebonden is aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Bij deze vrijheid past dan ook een terughoudende toetsing. Voor zover de curator wel gebonden is aan regels, heeft hij de hiervoor genoemde beleidsvrijheid niet. Als hij die regels niet nakomt, zal hij in beginsel op die grond persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen met de belangen van wie hij bij de naleving van die regels rekening diende te houden. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] pro se niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra. Hierna legt zij uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] heeft geen regel geschonden
3.7
Volgens JD Infra is sprake van een schending van een regel door [gedaagde] waardoor niet getoetst zou moeten worden aan de Maclou-norm. Door zijn wederpartij Kabeltex is namelijk in de procedure bij de rechtbank Amsterdam een beroep gedaan op verrekening (artikel 6:127 BW), omdat, kort samengevat, Kabeltex meende recht te hebben op schadevergoeding vanwege het niet goed verrichten van de werkzaamheden op grond van de overeenkomst. De schade van Kabeltex was hoger dan de vordering van Photonic, waardoor de vordering van Photonic bij een geslaagd beroep op verrekening teniet zou gaan. In de kern komt het verwijt van JD Infra erop neer dat [gedaagde] het rechtsgevolg van verrekening heeft genegeerd door het beslag van Photonic te handhaven, aanvullend beslag te leggen en verder te gaan met de procedure bij de rechtbank Amsterdam, terwijl hier geen grondslag voor bestond. De rechtbank maakt hieruit op dat JD Infra zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] het beroep van zijn wederpartij op verrekening zonder meer als slagend had moeten inschatten en dus honoreren. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. De enkele omstandigheid dat JD Infra zich op verrekening heeft beroepen, brengt immers niet mee dat [gedaagde] zonder meer gehouden was om dat beroep als juist te aanvaarden en ervan uit te gaan dat de vordering van Photonic teniet zou gaan. [gedaagde] heeft in de onderhavige procedure voldoende gesteld waarom hij een andere inschatting kon en mocht maken. Het stond [gedaagde] als curator daarmee vrij om ter verzekering van verhaal van de vordering van Photonic en in het belang van de boedel het beslag te handhaven. Dat de rechtbank Amsterdam vervolgens heeft beslist dat het beroep op verrekening slaagt (na een uitgebreid deskundigenbericht, zie hierna), maakt dat niet anders en leidt niet tot schending van een regel.
3.8
Hiernaast heeft JD Infra aangevoerd dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. [gedaagde] zou de voorzieningenrechter namelijk niet volledig en naar waarheid hebben geïnformeerd in het beslagrekest voor het aanvullende beslag. Volgens JD Infra heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter niet geïnformeerd over het beroep op verrekening en ook niet over het aanbod van JD Infra om vervangende zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie. Uit het beslagrekest volgt echter dat [gedaagde] de voorgaande punten wel degelijk heeft benoemd. Het op de mondelinge behandeling aangevoerde standpunt dat [gedaagde] nog veel meer informatie had moeten verstrekken bij het beslagrekest, kan niet worden gevolgd.
3.9
Verder verwijt JD Infra [gedaagde] dat hij tijdens de mondelinge behandeling, die heeft geleid tot het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam, niet instemde met een voorlopig oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat JD Infra dit heeft aangehaald ter illustratie van haar standpunt dat [gedaagde] geen rekening heeft gehouden met de belangen van JD Infra. De rechtbank wil hierover opmerken dat het instemmen met een voorlopig oordeel geen verplichting is en dat het weigeren hiervan dus ook geen schending van een regel oplevert.
[gedaagde] heeft niet in strijd met de Maclou-norm gehandeld
3.10
Het bovenstaande betekent dat het handelen van [gedaagde] getoetst moet worden aan de Maclou-norm. Ook bij die beoordeling is het door JD Infra gedane beroep op verrekening van belang. De rechtbank begrijpt het verwijt van JD Infra zo dat zij meent dat een redelijk handelend en over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator de goede en kwade kansen van het beroep op verrekening en de kansen voor de boedel zo had moeten inschatten dat hij de procedure bij de rechtbank Amsterdam niet had voortgezet en evenmin aanvullend beslag had gelegd. De rechtbank merkt op dat het aanvullende beslag niet samenhangt met het beroep op verrekening. Aan het aanvullende beslag lag immers een andere vordering ten grondslag, waarvan de rechtbank Amsterdam heeft vastgesteld dat deze niet bestond. Het gehandhaafde beslag was echter gebaseerd op de vordering die deels is toegewezen en vervolgens door verrekening teniet is gegaan. Zoals reeds is geoordeeld, leidt het leggen van het aanvullende beslag tot aansprakelijkheid q.q. van [gedaagde] . De Maclou-norm is hiermee echter niet geschonden. Wat het beroep op verrekening betreft, kan de rechtbank niet volgen dat het voor [gedaagde] zonneklaar had moeten zijn dat dit beroep hoe dan ook zou worden toegewezen door de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam heeft immers een deskundige moeten benoemen om de schade vast te stellen die JD Infra ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op verrekening. Bovendien heeft de deskundige expliciet benoemd dat uit de documentatie niet duidelijk is wat de afspraken tussen Photonic en Kabeltex waren en wat er exact geleverd is. Ook zijn er kennelijk naderhand (vaak mondeling) aanvullende afspraken gemaakt die niet duidelijk waren voor de deskundige. Het was dus zelfs voor de deskundige lastig om vast te stellen of het werk wel of niet goed was uitgevoerd door Photonic en of Kabeltex een vordering op haar had. Dit maakt dan ook dat het standpunt dat [gedaagde] zowel bij het handhaven van het beslag als bij het inschatten van kansen in de procedure bij de rechtbank Amsterdam anders had moeten handelen een oordeel is met de wijsheid van nu en niet kan leiden tot aansprakelijkheid pro se.
3.11
Hiernaast heeft JD Infra aangevoerd dat [gedaagde] in strijd met de Maclou-norm heeft gehandeld door niet in te gaan op het aanbod van vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie en wel over te gaan tot het leggen van aanvullend beslag. Ook wordt [gedaagde] verweten dat het voor hem evident was dat JD Infra door het beslag aanzienlijke schade zou lijden. De rechtbank onderkent dat het niet reageren op het aanbod van vervangende zekerheid en ondertussen aanvullend beslag leggen invoelbaar vervelend is voor JD Infra, maar acht dit onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] in strijd met de Maclou-norm heeft gehandeld. [gedaagde] heeft een inschatting gemaakt en het is de rechtbank niet gebleken dat hij dat niet op deze manier had mogen doen. Verder kan de rechtbank JD Infra niet volgen in haar stelling dat het voor [gedaagde] evident was dat zij aanzienlijke schade zou lijden door het beslag. Volgens JD Infra heeft het (aanvullende) beslag de overname van haar glasvezelnetwerken in het kader van een verkoop vertraagd, waardoor JD Infra schade heeft geleden. Dit is echter pas op 7 augustus 2025 aan [gedaagde] medegedeeld, terwijl het aanvullende beslag op 18 augustus 2023 is gelegd en Kabeltex op 24 juli 2023 al wist dat opheffing van de beslagen voor de koper gold als een voorwaarde voor de overname. Tijdens de mondelinge behandeling in de Procedure merkte JD Infra hierover op dat zij dit niet eerder met [gedaagde] heeft gedeeld vanwege een geheimhoudingsclausule in de overeenkomst met de koper. De rechtbank overweegt – zoals tijdens de mondelinge behandeling ook is meegegeven – dat JD Infra wel in algemene bewoordingen haar belang aan [gedaagde] duidelijk had kunnen maken. Dat JD Infra ervoor heeft gekozen om dat niet te doen, kan nu niet aan [gedaagde] worden verweten nu hij dit belang simpelweg niet kon weten en daarmee ook niet kon meewegen.
3.12
De rechtbank oordeelt dat het bovenstaande geen schending van de Maclou-norm oplevert. Al het overig gestelde kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat de verklaring voor recht dat [gedaagde] pro se onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra wordt afgewezen.
De schadevergoedingsvordering wordt afgewezen
3.13
JD Infra vordert dat [gedaagde] q.q. en pro se hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. De schade die JD Infra stelt te hebben geleden, bestaat uit advocaatkosten, de kosten voor de bankgarantie en de handelsrente over de bankgarantie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft JD Infra toegelicht dat zij, anders dan in haar dagvaarding staat, geen handelsrente vordert, maar dat zij dit percentage enkel heeft gebruikt als maatstaf voor de begroting van de schade.
3.14
De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van JD Infra af. [gedaagde] heeft dan wel q.q. onrechtmatig gehandeld door voor € 1.386.283,00 aanvullend conservatoir beslag te leggen voor een vordering die niet bestond, maar dit is op zichzelf onvoldoende om [gedaagde] q.q. te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade. Hiervoor is op grond van artikel 6:162 BW onder meer vereist dat sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de schade. Dit verband ontbreekt. De bankgarantie die JD Infra heeft afgegeven, hing immers samen met een vordering van Photonic die wél bestond. Dit heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld in haar tussenvonnis en eindvonnis. De kosten van de bankgarantie en de gevorderde handelsrente komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Ook de gevorderde advocaatkosten worden afgewezen. JD Infra heeft immers niet toegelicht welk deel van de kosten het gevolg is van het onrechtmatig gelegde aanvullende beslag. Bovendien is in de procedure die bij de rechtbank Amsterdam liep al een forfaitaire vergoeding van deze kosten toegekend. Deze kosten kunnen niet nogmaals worden toegewezen.
3.15
Omdat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld pro se, kan hij reeds daarom niet pro se worden veroordeeld tot vergoeding van de gestelde schade.
Proceskosten
3.16
[gedaagde] is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat enkel een verklaring voor recht is toegewezen en de schadevergoedingsvordering is afgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om voor de begroting van de proceskosten aan te sluiten bij de tarieven die horen bij een vordering van onbepaalde waarde. De proceskosten van JD Infra worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.306
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.349,40
3.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens JD Infra door het leggen van het aanvullende beslag op 18 augustus 2023,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. in de proceskosten van € 2.349,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid van curator q.q. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
6004
HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0512; HR 15 april 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4076.
Vonnis van 9 april 2025, C/ 13/7 18028 / HA ZA 22-423.
Vonnis van 29 november 2023, C/13/7 18028 / HA ZA 22-423.
HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047.
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204.
HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2067.
Productie 2 conclusie van antwoord onder iii, iv en v.