Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6604

2026-09-16 Civiel recht C/16/601691 / HL ZA 25-280
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-27
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/601691 / HL ZA 25-280
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Schadevergoeding op grond van wanprestatie. Vorderingen worden afgewezen. Schuldeisersverzuim en geen causaal verband.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.552 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Lelystad



Zaaknummer: C/16/601691 / HL ZA 25-280




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: onttrokken (voorheen mr. [A] ),



tegen





[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D.P. Kant.





1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 oktober 2025 met een incidentele vordering, met producties 1 tot en met 14;
- de akte van [eiser] ter vervanging van productie 11;
- de conclusie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak, met producties 1 tot en met 15;
- het incidenteel vonnis van 25 maart 2026;- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026.


1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 augustus 2026 was [eiser] aanwezig. Zijn advocaat heeft zich ruim twee maanden voor de mondelinge behandeling (op 20 mei 2026) onttrokken. Daarop heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om een nieuwe advocaat te laten stellen. Dat is niet gebeurd. [eiser] heeft vervolgens eind juli 2026 om uitstel van de mondelinge behandeling gevraagd, maar dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling wel de gelegenheid gekregen om zelf het woord te voeren. Hiervan heeft hij gebruik gemaakt. Namens [gedaagde] was haar bestuurder, de heer [B] , aanwezig. [gedaagde] werd bijgestaan door mr. Kant. [eiser] en mr. Kant hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De spreekaantekeningen zijn aan het procesdossier toegevoegd. De bijlagen bij de spreekaantekeningen van [eiser] zijn niet aan het procesdossier toegevoegd, omdat [eiser] zonder advocaat geen proceshandelingen mag verrichten en dus geen nieuwe stukken kan indienen.



1.3
De rechtbank heeft bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.





2De kern van het geschil


2.1

[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [gedaagde] schroeffunderingspalen en twee tijdelijke woonunits op de bouwkavel van [eiser] zou plaatsen. [gedaagde] heeft de schroeffunderingspalen en woonunits geplaatst, maar zij heeft hierbij niet het palenplan aangehouden dat [eiser] met haar had gedeeld. De kantonrechter heeft daarom op 27 oktober 2021 beslist dat [gedaagde] de funderingspalen binnen zes maanden na betekening van het vonnis in overeenstemming met het palenplan moet plaatsen. Dit is niet gebeurd. Volgens [eiser] had [gedaagde] de palen kunnen en moeten (ver)plaatsen. [eiser] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] zijn schade vergoedt. [gedaagde] stelt daartegenover dat het aan [eiser] te wijten is dat [gedaagde] het (herstel)werk niet kon uitvoeren, omdat [eiser] dat feitelijk heeft belet en omdat de gemeente aan [eiser] een bouwstop had opgelegd.



2.2
De rechtbank wijst de schadevordering van [eiser] af.





3De beoordeling



De vordering en eisvermindering van [eiser]



3.1
In zijn dagvaarding heeft [eiser] € 73.687,26 aan vervangende schadevergoeding en € 358.500,00 aan vergoeding van gevolgschade gevorderd, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zijn eis wil verminderen, door af te zien van de gevolgschade.



3.2
De rechtbank concludeert dat deze eisvermindering niet mogelijk is. In beginsel heeft een eiser altijd het recht om zijn eis te verminderen, zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Maar in zaken met een verplichte procesvertegenwoordiging (een advocaat) moet een eisvermindering door de procesvertegenwoordiger (schriftelijk) plaatsvinden bij conclusie of akte. [eiser] kan daarom niet zelf zijn eis wijzigen via een eigen verklaring tijdens de mondelinge behandeling. Daarom zal zijn vordering zoals ingesteld in de dagvaarding worden beoordeeld.



Er is sprake van een tekortkoming




3.3

[eiser] en [gedaagde] hebben in november 2019 een overeenkomst met elkaar gesloten. Zij spraken af dat [gedaagde] schroeffunderingspalen en twee tijdelijke woonunits op het perceel van [eiser] zou plaatsen. Na het plaatsen van de palen en woonunits bleek dat de palen niet op de plek stonden waar zij volgens het palenplan van [eiser] moesten staan.



3.4
Tussen partijen heeft vervolgens een procedure plaatsgevonden. In die procedure heeft de kantonrechter op 27 oktober 2021 - onder meer - beslist dat [gedaagde] meer palen moest plaatsen, op de plekken zoals aangegeven in het palenplan van [eiser] . [gedaagde] heeft zes maanden na betekening van het vonnis de tijd gekregen om deze werkzaamheden uit te voeren en het werk op te leveren.



3.5

[eiser] heeft het vonnis van de kantonrechter op 16 november 2021 betekend aan [gedaagde] . [gedaagde] had dus tot 16 mei 2022 de tijd om de funderingspalen in overeenstemming met het palenplan te plaatsen. Dit heeft zij niet gedaan. Dat betekent dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van een op haar rustende verbintenis, namelijk de uitvoering van de hierboven in 3.4. genoemde herstelwerkzaamheden. Anders dan [eiser] stelt, leidt dat echter niet tot een verplichting om aan [eiser] schadevergoeding te betalen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.



Er is sprake van schuldeisersverzuim




3.6
Als herstel niet wordt uitgevoerd, biedt de wet de mogelijkheid om vervangende schadevergoeding (in plaats van herstel) te vorderen. Om met succes vervangende schadevergoeding te vragen waar nakoming in beginsel nog mogelijk is, is vereist dat [gedaagde] in verzuim is. [eiser] stelt dat [gedaagde] in verzuim is, omdat hij [gedaagde] tevergeefs herhaaldelijk heeft gevraagd om haar verbintenis na te komen en de palen volgens het palenplan te plaatsen. Volgens [gedaagde] is niet zij, maar juist [eiser] in verzuim (dit heet ‘schuldeisersverzuim’), omdat het aan [eiser] te wijten is dat [gedaagde] het werk niet kon uitvoeren zoals in het vonnis van 27 oktober 2021 is beslist. Als gevolg daarvan stelt [gedaagde] dat zij niet in verzuim kan zijn geraakt. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin en legt deze beslissing hierna uit.



3.7
Verzuim treedt onder meer in wanneer de schuldenaar schriftelijk in gebreke wordt gesteld, waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [eiser] stelt dat hij [gedaagde] bij brief van 16 december 2019 al in gebreke heeft gesteld. In het vonnis van 27 oktober 2021 heeft de kantonrechter echter al geoordeeld dat de brief waar [eiser] naar verwijst niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling. [eiser] heeft daarin namelijk geen redelijke termijn voor herstel aan [gedaagde] gegeven. Hij heeft [gedaagde] enkel de gelegenheid geboden om met een financieel voorstel te komen. [gedaagde] is door deze brief dus niet in verzuim geraakt.



Aan [eiser] was een bouwstop opgelegd, zodat [gedaagde] niet verder kon werken




3.8
Zoals hiervoor in 3.5. genoemd, had [gedaagde] tot 16 mei 2022 de tijd om de schroeffunderingspalen te (ver)plaatsen. Voordat deze termijn was verstreken, liet [eiser] echter aan [gedaagde] weten dat aan hem een bouwstop was opgelegd door de gemeente. [gedaagde] kon en mocht vanaf de bouwstop geen werkzaamheden meer uitvoeren. Volgens [eiser] was deze bouwstop te wijten aan de verkeerd geplaatste funderingspalen door [gedaagde] , maar uit de brief van de gemeente blijkt dat dit niet de oorzaak is geweest van de bouwstop. De gemeente schrijft over de redenen van de bouwstop onder meer dat er inwendig geheide stalen buispalen met aangelaste voetplaat hadden moeten worden geplaatst in plaats van de schroeffunderingspalen en verder dat er diverse aanbouwen zijn gerealiseerd waardoor de bruto vloeroppervlakte aanzienlijk meer is dan toegestaan volgens de vergunning. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom dit te maken heeft met de werkzaamheden van [gedaagde] . De bouwstop is dus het gevolg van omstandigheden die aan [eiser] zijn toe te rekenen. Daar kon [gedaagde] niets aan doen.



3.9
De bouwstop is vervolgens op 5 december 2022 ingetrokken en de gemeente heeft [eiser] daarbij een last onder bestuursdwang opgelegd, op grond waarvan hij de situatie uiterlijk op 5 maart 2023 met de omgevingsvergunning in overeenstemming moest brengen. [eiser] heeft geen bewijs aan [gedaagde] verstrekt van de opheffing van de bouwstop, ondanks dat [gedaagde] hierom heeft gevraagd. Pas met de dagvaarding in deze procedure heeft [gedaagde] dat bewijs ontvangen. [eiser] kon redelijkerwijs niet van [gedaagde] verwachten dat zij de funderingspalen zou verplaatsen voordat [gedaagde] met zekerheid wist dat de bouwstop was opgeheven.




[eiser] heeft de bouw zelf voortgezet en daarmee herstel belet




3.10
Maar ook los van het voorgaande, mocht [eiser] naar het oordeel van de rechtbank ook voor en na de bouwstop redelijkerwijs niet van [gedaagde] verwachten dat zij de funderingspalen zou (ver)plaatsen en het werk zou afmaken. Dat komt omdat [eiser] zelf verder heeft gebouwd: zo heeft [eiser] onder meer schuimbeton gestort tegen de schroeffunderingspalen en een bekisting aangebracht. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat het hierdoor feitelijk niet meer mogelijk was (en is) om de funderingspalen tegen aanvaardbare kosten te verplaatsen. De woonunits kunnen namelijk niet meer in één geheel worden gelift en (een deel van) het bouwwerk zou dan moeten worden afgebroken om de funderingspalen te verplaatsen, terwijl dat niet het geval was geweest als [eiser] niet verder had gebouwd. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling weliswaar gezegd dat het schuimbeton eenvoudig kan worden weggehaald, maar dit strookt niet met zijn e-mail van 2 december 2021. Hierin schrijft [eiser] namelijk dat nakoming van het vonnis van 27 oktober 2021 een “enorme kostbare en risicovolle operatie” is en stelt hij voor dat [gedaagde] in plaats daarvan een afkoopsom van € 140.000,00 betaalt.



3.11
Anders gezegd, [eiser] heeft door zijn eigen handelwijze [gedaagde] feitelijk belet om het herstel uit te voeren zoals in het vonnis van 27 oktober 2021 is beslist. Op de mondelinge behandeling gaf [eiser] aan dat hij niet meer weet wanneer hij verder is gegaan met bouwen. Maar zoals [gedaagde] toen terecht aanhaalde, is in een eerdere kortgedingprocedure tussen partijen al gebleken dat [eiser] verder is gegaan met de bouw tijdens de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 oktober 2021. Tijdens die procedure was echter niet bekend dat [eiser] toen al verder had gebouwd, omdat hij dit niet had medegedeeld. Dit komt voor rekening en risico van [eiser] . Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet van [gedaagde] worden verwachten het herstelwerk alsnog uit te voeren.



3.12
De stelling van [eiser] dat hij geen andere keuze had, dan verder te bouwen, maakt de beslissing niet anders. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat het beton moest worden gestort omdat het pand instabiel stond, maar deze instabiliteit is het gevolg van keuzes die [eiser] zelf heeft gemaakt. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] namelijk de instructie gegeven de funderingspalen 60 centimeter boven het maaiveld te plaatsen, waardoor het pand minder stabiel werd. [eiser] heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van deze stelling. Verder heeft [eiser] gesteld dat hij onderdak nodig had. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter aangegeven dat het bijgebouw voor de extra werkzaamheden al bewoonbaar was en dat hij hier ook woonde. De werkzaamheden waren dus ook niet noodzakelijk om [eiser] van onderdak te voorzien. Hiernaast heeft [eiser] nog aangevoerd dat hij verder moest bouwen, omdat zijn zoon bij hem kwam wonen. Dit is niet onderbouwd en de rechtbank kan de noodzaak hiervan daarom niet vaststellen.



3.13
Ten slotte heeft [eiser] aangevoerd dat hij heeft aangeboden het bouwwerk in staat van gereedheid te brengen, zodat [gedaagde] alsnog het herstel volgens het vonnis van 27 oktober 2021 kon uitvoeren. [gedaagde] heeft echter betwist dat [eiser] dat aanbod heeft gedaan en uit de stukken blijkt niet van dit aanbod. Bovendien heeft [eiser] het werk niet daadwerkelijk aangepast.



De vervangende schadevergoeding wordt afgewezen




3.14
Dat [gedaagde] haar verbintenis niet kon nakomen, is dus veroorzaakt door beletselen aan de kant van [eiser] . Dit betekent dat sprake is van schuldeisersverzuim. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] niet in verzuim kan raken. Aangezien geen sprake is van verzuim aan de kant van [gedaagde] , heeft [eiser] geen recht op vervangende schadevergoeding. Die vordering van [eiser] wordt daarom – hoe vervelend dat ook voor hem is – afgewezen.



De vergoeding van de gevolgschade wordt afgewezen




3.15
Naast vervangende schadevergoeding, heeft [eiser] ook € 358.500,00 aan vergoeding van gevolgschade gevorderd, waarvan € 250.000,00 op emotionele schade ziet. Verder heeft de gevolgschade volgens [eiser] betrekking op kosten voor vergunningsaanvragen en leges, kosten voor juridische ondersteuning en gedane investeringen.



3.16

De rechtbank komt tot de conclusie dat de gevorderde vergoeding van gevolgschade niet kan worden toegewezen. De wet vereist namelijk dat die schade het gevolg is van de tekortkoming, oftewel dat er een causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de schade. Als dat verband ontbreekt, bestaat geen verplichting tot schadevergoeding.

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat er een causaal verband bestaat tussen het niet correct plaatsen van de schroeffunderingspalen door [gedaagde] en de kosten voor de vergunningsaanvragen en leges, de kosten voor juridische ondersteuning en de gedane investeringen. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat [eiser] een nieuwe vergunning moest aanvragen (met bijbehorende architect- en legeskosten) of investeringen moest doen ter legalisatie, omdat [gedaagde] was afgeweken van het palenplan. [gedaagde] heeft gemotiveerd en onbetwist aangevoerd dat [eiser] de kosten voor de vergunningsaanvragen en de architect- en legeskosten heeft moeten maken, omdat [eiser] zich niet heeft gehouden aan de bouwvoorschriften. [eiser] vordert verder een vergoeding van de kosten voor juridische ondersteuning. Maar [eiser] heeft niet toegelicht van welke juridische ondersteuning hij precies de kosten vordert en waarom die kosten het gevolg zijn van het handelen van [gedaagde] . De rechtbank kan zich goed voorstellen dat [eiser] juridische kosten heeft gemaakt voor de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 oktober 2021, maar daarin is al in de proceskostenveroordeling over de juridische kosten beslist. Zonder nadere toelichting, die [eiser] niet heeft gegeven, kan [eiser] dan niet opnieuw in deze procedure vergoeding van diezelfde kosten vorderen. De kosten voor de juridische ondersteuning in de onderhavige procedure, kunnen ten slotte niet worden toegewezen omdat [eiser] ongelijk krijgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van [eiser] gelegen het hiervoor genoemde causaal verband tussen de tekortkoming en de schade nader te onderbouwen. [eiser] heeft dit niet gedaan. Dit betekent dat het causaal verband niet is vast komen te staan.




3.17
De gevorderde emotionele schade kan ten slotte ook niet worden toegewezen. De rechtbank kan zich voorstellen dat de afgelopen jaren veel emoties, zorgen en onzekerheid voor [eiser] hebben meegebracht. Hiervoor is echter gebleken dat veel van hetgeen is gebeurd, niet (alleen) komt doordat [gedaagde] de palen onjuist plaatste maar juist door keuzes van [eiser] zelf en aanwijzingen van de gemeente. Het gaat daarom te ver om de aantasting van het woongenot, de psychische belasting en voortdurende stress (volledig) aan [gedaagde] te wijten. Bovendien is de juridische drempel voor het toekennen van immateriële schadevergoeding hoog en in dit geval niet gehaald. Het is namelijk niet gebleken dat [gedaagde] [eiser] bewust nadeel heeft willen toebrengen en ook is niet gebleken dat [eiser] in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast door het handelen van [gedaagde] . Voor immateriële schadevergoeding is gelet op het voorgaande geen ruimte.



De schadevaststellingsmethode van [eiser] leidt niet tot een andere beslissing




3.18
Gelet op het voorgaande kan [gedaagde] niet voor de schade van [eiser] worden aangesproken. Dat betekent ook dat de andere schadevaststellingsmethode van [eiser] , die [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangereikt, niet tot een andere beslissing kan leiden.




[eiser] moet de proceskosten betalen




3.19

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van één van de salarispunten van de advocaat een ander tarief te hanteren, omdat bij de mondelinge behandeling vanwege de voorgestelde eisvermindering de grootste schadevergoedingsvordering niet meer aan de orde is gekomen. De rechtbank zoekt voor dit tarief daarom aansluiting bij het tarief dat hoort bij een vordering van € 73.687,26. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- griffierecht


€


6.861,00







- salaris advocaat


€


5.013,00


(1 punt × € 3.723,00 en 1 punt × € 1.290)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


12.063,00











3.20
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De rechtbank



4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,



4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.063,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.











































6004






Artikel 129 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997.


Artikel 6:61 lid 2 BW.