Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6598
2026-09-15
Civiel recht; Arbeidsrecht
12291824 \ UE VERZ 26-287
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Achterstallige loonaanspraken na einde arbeidsovereenkomst worden toegewezen met wettelijke verhoging. Fout in verzoekschrift wordt door de kantonrechter aangepast, omdat werkneemster in redelijkheid kon twijfelen over wie haar werkgever was.
Citeert (6)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3856 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-09-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2022:140 Gerechtshof Den Haag 15-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2402 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-07-2022
- ECLI:NL:HR:2019:203 Hoge Raad 08-02-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1734 Gerechtshof Den Haag 02-09-2025
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2606 Hoge Raad 06-03-1998
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.006 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12291824 \ UE VERZ 26-287
Beschikking van 15 september 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. S.B. de Jong,
tegen
de vennootschap onder firma
[verweerster]
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [naam] ,
gemachtigde: mr. T. van Liempd.
1De procedure
1.1
[verzoekster] heeft op 25 juni 2026 een verzoekschrift ingediend. Op 13 augustus 2026 heeft [naam] een verweerschrift ingediend. Kort voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2026 heeft [verzoekster] een aanvullend productie ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. Bij de mondelinge behandeling is [verzoekster] samen met mr. De Jong verschenen. Namens [naam] is verschenen de heer [A] (hierna: [A] ), vennoot van [naam] . Hij was per Teams-verbinding aanwezig en werd bijgestaan door mr. Van Liepmd, die in de zittingszaal aanwezig was. Mr. De Jong heeft tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoekster] is op 28 maart 2023 voor bepaalde tijd van een jaar bij [naam] in dienst getreden als ambulant begeleider. In 2024 en 2025 is haar arbeidsovereenkomst telkens met een jaar verlengd. Op 1 augustus 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Het oorspronkelijke advies van de bedrijfsarts was om mediation in te schakelen. Nadat een nieuwe bedrijfsarts op 3 februari 2026 met [verzoekster] had gesproken, oordeelde zij dat [verzoekster] 3 keer 3,5 uur per week kon werken. [naam] heeft haar vervolgens op 4 februari 2026 opgeroepen om te komen werken en op 5 februari 2026 een loonstop opgelegd, toen [verzoekster] dat weigerde. Op 12 februari 2026 heeft [naam] het einde van het dienstverband aangezegd, waardoor dat op 27 maart 2026 is geëindigd. [verzoekster] zegt dat [naam] haar nog loon en andere vergoedingen verschuldigd is. [naam] zegt dat [verzoekster] de verkeerde partij heeft aangesproken. De vorderingen van [verzoekster] worden grotendeels toegewezen.
3De beoordeling
[verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoeken
3.1
[naam] zegt dat [verzoekster] de verkeerde partij heeft aangesproken en daarom niet-ontvankelijk is. Zij wijst erop dat [verzoekster] zich in haar verzoekschrift heeft gericht tot [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ). [onderneming 1] hanteert weliswaar ook de handelsnaam [naam] , maar was volgens [naam] niet de werkgever van [verzoekster] . Dat was namelijk de vennootschap onder firma [naam] (hierna: de VOF).
3.2
De kantonrechter neemt van [naam] aan dat niet [onderneming 1] , maar de VOF de werkgever van [verzoekster] was. Het is daarom niet nodig om haar een brief te laten overleggen om dat te onderbouwen, zoals zij tijdens de zitting heeft aangeboden. Dat betekent weliswaar dat [verzoekster] zich in haar verzoekschrift tot de verkeerde partij heeft gewend, maar dat kan [verzoekster] niet worden aangerekend. Mogelijk met uitzondering van de brief waar [naam] naar verwijst, blijkt uit geen enkele van de door [naam] aan [verzoekster] gestuurde documenten welke entiteit haar werkgever was. In alle documenten wordt namelijk alleen de handelsnaam ‘ [naam] ’ genoemd. Die handelsnaam wordt gebruikt door [onderneming 1] , de VOF en de eenmanszaak [naam] . [A] is de eigenaar en beleidsbepaler van al die entiteiten, die bovendien allemaal hetzelfde adres hebben, zich bezighouden met dezelfde activiteiten, dezelfde website gebruiken, en bijgestaan worden door dezelfde advocaat. Het is begrijpelijk dat daardoor verwarring bij [verzoekster] is ontstaan over wie haar werkgever was en zij [onderneming 1] heeft aangesproken in plaats van de VOF.
3.3
De kantonrechter ziet daarom reden om de fout in de tenaamstelling te herstellen en een beschikking te wijzen tegen [naam] VOF, zoals [verzoekster] heeft verzocht. Een werkgever is verplicht om zijn werknemers een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van zijn eigen identiteit. Het komt daarom voor rekening en risico van de werkgever als de werknemer redelijkerwijs kan twijfelen over wie zijn werkgever is. In tegenstelling tot wat [naam] aanvoert, wordt dat niet anders doordat [onderneming 1] pas na het dienstverband van [verzoekster] is opgericht.
3.4
De VOF had daarnaast moeten begrijpen dat het verzoekschrift eigenlijk aan haar was gericht, omdat het verzoekschrift duidelijk is gericht aan de werkgever van [verzoekster] . Aangezien [A] op de hoogte was van de inhoud van het verzoekschrift, volgt daaruit dat de VOF daar ook van wist. [A] is namelijk vennoot van de VOF en enig bestuurder van de andere vennoot van de VOF, [onderneming 2] B.V. Hij heeft, met bijstand van mr. Van Liempd, in deze procedure inhoudelijk verweer gevoerd namens de werkgever van [verzoekster] , dus kennelijk namens de VOF. De VOF wordt daarom niet in haar belangen geschaad door het herstel van de tenaamstelling, terwijl een niet-ontvankelijkverklaring zou betekenen dat [verzoekster] vanwege de wettelijke vervaltermijn geen aanspraak meer zou kunnen maken op een transitievergoeding. De kantonrechter verklaart [verzoekster] daarom ontvankelijk in haar verzoeken.
[naam] moet [verzoekster] een transitievergoeding van € 2.572,56 betalen
3.5
[verzoekster] wil dat [naam] haar een transitievergoeding betaalt van € 2.572,56 bruto. Het uitganspunt is dat [verzoekster] daar recht op heeft, omdat [naam] haar arbeidsovereenkomst niet opnieuw heeft verlengd. [naam] zegt dat zij geen transitievergoeding hoeft te betalen, omdat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door herhaaldelijk redelijke voorschriften over haar re-integratie niet op te volgen. [naam] wijst erop dat [verzoekster] op 5 februari 2026 en ook daarna niet is komen werken, terwijl de nieuwe bedrijfsarts had geoordeeld dat zij daartoe in staat was en zij daarvoor op 4 februari 2026 was opgeroepen.
3.6
Het verweer van [naam] gaat niet op. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het handelen van een werknemer ernstig verwijtbaar zijn en ertoe leiden dat hij geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat kan bijvoorbeeld als de werknemer zonder deugdelijke grond herhaaldelijk adviezen van de bedrijfsarts en oproepen van de werkgever om mee te werken aan zijn re-integratie, naast zich neerlegt. Daarvan is hier geen sprake. Uit het dossier blijkt dat de ziekte van [verzoekster] (deels) werkgerelateerd is. De eerste bedrijfsarts, [onderneming 3] , heeft daarom op 24 november 2025 geadviseerd om mediation in te schakelen, zodat [verzoekster] daarna mogelijk zou kunnen gaan re-integreren. Hoewel [naam] tijdens de zitting heeft gezegd dat zij gevolg heeft gegeven aan dat advies en mediation heeft aangeboden, blijkt dat nergens uit. Op enig moment is [naam] van bedrijfsarts gewisseld, waarna de nieuwe bedrijfsarts, [onderneming 4] , op 4 februari 2026 een nieuw advies heeft opgesteld. Uit dat advies blijkt dat [onderneming 4] wist dat er eerder al adviezen waren gegeven, maar zij die niet tot haar beschikking had. Ondanks dat gebrek aan informatie over het ziekteverloop en de oorzaken daarvan, heeft zij een advies voor gedeeltelijke werkhervatting afgegeven. Gelet op die gang van zaken, had [verzoekster] deugdelijke grond om bezwaar te maken tegen het nieuwe advies en de oproep om de volgende dag te komen werken, zoals haar gemachtigde gemotiveerd heeft gedaan. [verzoekster] heeft ook meteen om een second opinion gevraagd. Weliswaar mocht [naam] uitgaan van het laatste advies van de bedrijfsarts en was [verzoekster] in beginsel gehouden om mee te werken aan haar re-integratie, maar onder deze omstandigheden is de weigering om te komen werken niet ernstig verwijtbaar. Dat geldt ook voor de weigering om op 12 en 13 februari 2026 te komen werken. De situatie was toen immers ongewijzigd, zodat van een herhaalde weigering geen sprake is.
3.7
De conclusie is daarom dat [naam] [verzoekster] een transitievergoeding moet betalen. Aangezien [naam] het verzochte bedrag niet heeft betwist, zal dat bedrag worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 27 april 2026.
[verzoekster] moet de verzochte wettelijke verhogingen betalen
3.8
[verzoekster] wil verder dat [naam] haar de wettelijke verhoging betaald over de loonwaarde van haar niet genoten vakantie-uren. Daarnaast wil zij dat [naam] haar de vakantiebijslag van 8% en eindejaarsuitkering van 8,33% daarover uitbetaald, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Ook die verzoeken worden toegewezen.
3.9
Een werknemer heeft recht op de wettelijke verhoging als het aan de werkgever kan worden toegerekend dat (een deel van) zijn loon te laat wordt betaald. Partijen zijn het er over eens dat [verzoekster] aan het eind van het dienstverband 122,84 niet genoten verlofuren uitbetaald moest krijgen. [verzoekster] zegt dat zij nog vakantiebijslag en eindejaarsuitkering van in totaal € 471,74 bruto moet ontvangen over het daarvoor uitbetaalde bedrag van € 2.894,11. Daarnaast zegt zij dat dat bedrag van € 2.894,11 pas eind juni 2026 is uitbetaald, terwijl dat uiterlijk eind april 2026 had moeten gebeuren. Dat alles heeft [naam] niet weersproken. Daaruit volgt dat [verzoekster] recht heeft op het bedrag van € 471,74, een wettelijke verhoging van € 235,86 daarover, en een wettelijke verhoging van € 1.447,06 over het al uitbetaalde bedrag. Anders dan [naam] zegt, gaat het bij al die bedragen namelijk om te late loonbetalingen waarover wettelijke verhoging verschuldigd is.
3.10
In tegenstelling tot wat [naam] heeft betoogd, ziet de kantonrechter geen reden om de wettelijke verhogingen te matigen. Het is aan de werkgever om te zorgen voor een correcte loonadministratie en tijdige loonbetalingen. [naam] zegt dat de late uitbetalingen het gevolg zijn van een administratieve fout aan haar kant. Dat komt voor haar eigen rekening en risico en is geen reden voor matiging.
3.11
De wettelijke rente over het ontbrekende bedrag aan vakantiebijslag en eindejaarsuitkering wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 27 april 2026. De wettelijke rente over de wettelijke verhogingen wordt toegewezen vanaf de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, dus vanaf 25 juni 2026.
[naam] moet [verzoekster] specificaties verstrekken van de genoemde bedragen
3.12
[verzoekster] wil verder dat [naam] haar binnen vijf dagen specificaties verstrekt van de hiervoor besproken bedragen. Daarnaast wil [verzoekster] dat [naam] haar binnen vijf dagen de verlofuren-administratie over de jaren 2023 tot en met 2026 met daarin het overzicht van het aantal opgebouwde uren en het aantal opgenomen uren met datum van opname geeft. [verzoekster] wil dat [naam] een dwangsom van € 250,00 per dag moet betalen als zij dat niet (op tijd) doet.
3.13
Voor zover het gaat om de specificaties, wordt het verzoek toegewezen. Ook de verzochte dwangsom daarover wordt toegewezen, maar die wordt wel gemaximeerd tot € 2.500,00. Voor zover het gaat om de verlofuren-administratie, wordt het verzoek afgewezen. [verzoekster] heeft niet gesteld dat zij aanleiding heeft om te denken dat [naam] een onjuist aantal niet genoten vakantie-uren aan haar heeft uitbetaald. De kantonrechter ziet daarom niet in wat haar belang is bij dat deel van het verzoek.
[naam] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.14
[verzoekster] wil ten slotte dat [naam] haar een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw van € 558,27 betaalt. Dat verzoek wordt afgewezen, omdat [verzoekster] niet heeft gesteld of onderbouwd dat zij die kosten heeft gemaakt.
[naam] moet de proceskosten van [verzoekster] betalen
3.15
De proceskosten komen voor rekening van [naam] , omdat [naam] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 986,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als [naam] nog in hoger beroep kan gaan of al is gegaan.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [naam] om aan [verzoekster] een transitievergoeding van € 2.572,56 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2026 tot aan de dag van betaling,
4.2
veroordeelt [naam] om [verzoekster] een bedrag van € 471,74 bruto aan vakantiebijslag en eindejaarsuitkering te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2026 tot aan de dag van betaling,
4.3
veroordeelt [naam] om [verzoekster] een bedrag van € 1.447,06 bruto en € 235,86 bruto aan wettelijke verhoging over de te laat betaalde verlofuren te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2026 tot aan de dag van betaling,
4.4
veroordeelt [naam] om [verzoekster] binnen vijf dagen na vandaag bruto/netto specificaties van de hiervoor genoemde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00,
4.5
veroordeelt [naam] in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Artikel 7:655 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 7 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3856, Hof Den Haag 15 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:140 en Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2402.
Zie artikel 7:868a lid 4 sub b BW.
Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW.
Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW.
Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203.
Hof Den Haag 2 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1734.
Artikel 7:625 BW.
Artikel 7:641 BW.
Hoge Raad 6 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2606.
Artikel 3:303 BW.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12291824 \ UE VERZ 26-287
Beschikking van 15 september 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. S.B. de Jong,
tegen
de vennootschap onder firma
[verweerster]
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [naam] ,
gemachtigde: mr. T. van Liempd.
1De procedure
1.1
[verzoekster] heeft op 25 juni 2026 een verzoekschrift ingediend. Op 13 augustus 2026 heeft [naam] een verweerschrift ingediend. Kort voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2026 heeft [verzoekster] een aanvullend productie ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. Bij de mondelinge behandeling is [verzoekster] samen met mr. De Jong verschenen. Namens [naam] is verschenen de heer [A] (hierna: [A] ), vennoot van [naam] . Hij was per Teams-verbinding aanwezig en werd bijgestaan door mr. Van Liepmd, die in de zittingszaal aanwezig was. Mr. De Jong heeft tijdens de zitting een pleitnota gebruikt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoekster] is op 28 maart 2023 voor bepaalde tijd van een jaar bij [naam] in dienst getreden als ambulant begeleider. In 2024 en 2025 is haar arbeidsovereenkomst telkens met een jaar verlengd. Op 1 augustus 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Het oorspronkelijke advies van de bedrijfsarts was om mediation in te schakelen. Nadat een nieuwe bedrijfsarts op 3 februari 2026 met [verzoekster] had gesproken, oordeelde zij dat [verzoekster] 3 keer 3,5 uur per week kon werken. [naam] heeft haar vervolgens op 4 februari 2026 opgeroepen om te komen werken en op 5 februari 2026 een loonstop opgelegd, toen [verzoekster] dat weigerde. Op 12 februari 2026 heeft [naam] het einde van het dienstverband aangezegd, waardoor dat op 27 maart 2026 is geëindigd. [verzoekster] zegt dat [naam] haar nog loon en andere vergoedingen verschuldigd is. [naam] zegt dat [verzoekster] de verkeerde partij heeft aangesproken. De vorderingen van [verzoekster] worden grotendeels toegewezen.
3De beoordeling
[verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoeken
3.1
[naam] zegt dat [verzoekster] de verkeerde partij heeft aangesproken en daarom niet-ontvankelijk is. Zij wijst erop dat [verzoekster] zich in haar verzoekschrift heeft gericht tot [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ). [onderneming 1] hanteert weliswaar ook de handelsnaam [naam] , maar was volgens [naam] niet de werkgever van [verzoekster] . Dat was namelijk de vennootschap onder firma [naam] (hierna: de VOF).
3.2
De kantonrechter neemt van [naam] aan dat niet [onderneming 1] , maar de VOF de werkgever van [verzoekster] was. Het is daarom niet nodig om haar een brief te laten overleggen om dat te onderbouwen, zoals zij tijdens de zitting heeft aangeboden. Dat betekent weliswaar dat [verzoekster] zich in haar verzoekschrift tot de verkeerde partij heeft gewend, maar dat kan [verzoekster] niet worden aangerekend. Mogelijk met uitzondering van de brief waar [naam] naar verwijst, blijkt uit geen enkele van de door [naam] aan [verzoekster] gestuurde documenten welke entiteit haar werkgever was. In alle documenten wordt namelijk alleen de handelsnaam ‘ [naam] ’ genoemd. Die handelsnaam wordt gebruikt door [onderneming 1] , de VOF en de eenmanszaak [naam] . [A] is de eigenaar en beleidsbepaler van al die entiteiten, die bovendien allemaal hetzelfde adres hebben, zich bezighouden met dezelfde activiteiten, dezelfde website gebruiken, en bijgestaan worden door dezelfde advocaat. Het is begrijpelijk dat daardoor verwarring bij [verzoekster] is ontstaan over wie haar werkgever was en zij [onderneming 1] heeft aangesproken in plaats van de VOF.
3.3
De kantonrechter ziet daarom reden om de fout in de tenaamstelling te herstellen en een beschikking te wijzen tegen [naam] VOF, zoals [verzoekster] heeft verzocht. Een werkgever is verplicht om zijn werknemers een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van zijn eigen identiteit. Het komt daarom voor rekening en risico van de werkgever als de werknemer redelijkerwijs kan twijfelen over wie zijn werkgever is. In tegenstelling tot wat [naam] aanvoert, wordt dat niet anders doordat [onderneming 1] pas na het dienstverband van [verzoekster] is opgericht.
3.4
De VOF had daarnaast moeten begrijpen dat het verzoekschrift eigenlijk aan haar was gericht, omdat het verzoekschrift duidelijk is gericht aan de werkgever van [verzoekster] . Aangezien [A] op de hoogte was van de inhoud van het verzoekschrift, volgt daaruit dat de VOF daar ook van wist. [A] is namelijk vennoot van de VOF en enig bestuurder van de andere vennoot van de VOF, [onderneming 2] B.V. Hij heeft, met bijstand van mr. Van Liempd, in deze procedure inhoudelijk verweer gevoerd namens de werkgever van [verzoekster] , dus kennelijk namens de VOF. De VOF wordt daarom niet in haar belangen geschaad door het herstel van de tenaamstelling, terwijl een niet-ontvankelijkverklaring zou betekenen dat [verzoekster] vanwege de wettelijke vervaltermijn geen aanspraak meer zou kunnen maken op een transitievergoeding. De kantonrechter verklaart [verzoekster] daarom ontvankelijk in haar verzoeken.
[naam] moet [verzoekster] een transitievergoeding van € 2.572,56 betalen
3.5
[verzoekster] wil dat [naam] haar een transitievergoeding betaalt van € 2.572,56 bruto. Het uitganspunt is dat [verzoekster] daar recht op heeft, omdat [naam] haar arbeidsovereenkomst niet opnieuw heeft verlengd. [naam] zegt dat zij geen transitievergoeding hoeft te betalen, omdat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door herhaaldelijk redelijke voorschriften over haar re-integratie niet op te volgen. [naam] wijst erop dat [verzoekster] op 5 februari 2026 en ook daarna niet is komen werken, terwijl de nieuwe bedrijfsarts had geoordeeld dat zij daartoe in staat was en zij daarvoor op 4 februari 2026 was opgeroepen.
3.6
Het verweer van [naam] gaat niet op. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het handelen van een werknemer ernstig verwijtbaar zijn en ertoe leiden dat hij geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat kan bijvoorbeeld als de werknemer zonder deugdelijke grond herhaaldelijk adviezen van de bedrijfsarts en oproepen van de werkgever om mee te werken aan zijn re-integratie, naast zich neerlegt. Daarvan is hier geen sprake. Uit het dossier blijkt dat de ziekte van [verzoekster] (deels) werkgerelateerd is. De eerste bedrijfsarts, [onderneming 3] , heeft daarom op 24 november 2025 geadviseerd om mediation in te schakelen, zodat [verzoekster] daarna mogelijk zou kunnen gaan re-integreren. Hoewel [naam] tijdens de zitting heeft gezegd dat zij gevolg heeft gegeven aan dat advies en mediation heeft aangeboden, blijkt dat nergens uit. Op enig moment is [naam] van bedrijfsarts gewisseld, waarna de nieuwe bedrijfsarts, [onderneming 4] , op 4 februari 2026 een nieuw advies heeft opgesteld. Uit dat advies blijkt dat [onderneming 4] wist dat er eerder al adviezen waren gegeven, maar zij die niet tot haar beschikking had. Ondanks dat gebrek aan informatie over het ziekteverloop en de oorzaken daarvan, heeft zij een advies voor gedeeltelijke werkhervatting afgegeven. Gelet op die gang van zaken, had [verzoekster] deugdelijke grond om bezwaar te maken tegen het nieuwe advies en de oproep om de volgende dag te komen werken, zoals haar gemachtigde gemotiveerd heeft gedaan. [verzoekster] heeft ook meteen om een second opinion gevraagd. Weliswaar mocht [naam] uitgaan van het laatste advies van de bedrijfsarts en was [verzoekster] in beginsel gehouden om mee te werken aan haar re-integratie, maar onder deze omstandigheden is de weigering om te komen werken niet ernstig verwijtbaar. Dat geldt ook voor de weigering om op 12 en 13 februari 2026 te komen werken. De situatie was toen immers ongewijzigd, zodat van een herhaalde weigering geen sprake is.
3.7
De conclusie is daarom dat [naam] [verzoekster] een transitievergoeding moet betalen. Aangezien [naam] het verzochte bedrag niet heeft betwist, zal dat bedrag worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 27 april 2026.
[verzoekster] moet de verzochte wettelijke verhogingen betalen
3.8
[verzoekster] wil verder dat [naam] haar de wettelijke verhoging betaald over de loonwaarde van haar niet genoten vakantie-uren. Daarnaast wil zij dat [naam] haar de vakantiebijslag van 8% en eindejaarsuitkering van 8,33% daarover uitbetaald, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Ook die verzoeken worden toegewezen.
3.9
Een werknemer heeft recht op de wettelijke verhoging als het aan de werkgever kan worden toegerekend dat (een deel van) zijn loon te laat wordt betaald. Partijen zijn het er over eens dat [verzoekster] aan het eind van het dienstverband 122,84 niet genoten verlofuren uitbetaald moest krijgen. [verzoekster] zegt dat zij nog vakantiebijslag en eindejaarsuitkering van in totaal € 471,74 bruto moet ontvangen over het daarvoor uitbetaalde bedrag van € 2.894,11. Daarnaast zegt zij dat dat bedrag van € 2.894,11 pas eind juni 2026 is uitbetaald, terwijl dat uiterlijk eind april 2026 had moeten gebeuren. Dat alles heeft [naam] niet weersproken. Daaruit volgt dat [verzoekster] recht heeft op het bedrag van € 471,74, een wettelijke verhoging van € 235,86 daarover, en een wettelijke verhoging van € 1.447,06 over het al uitbetaalde bedrag. Anders dan [naam] zegt, gaat het bij al die bedragen namelijk om te late loonbetalingen waarover wettelijke verhoging verschuldigd is.
3.10
In tegenstelling tot wat [naam] heeft betoogd, ziet de kantonrechter geen reden om de wettelijke verhogingen te matigen. Het is aan de werkgever om te zorgen voor een correcte loonadministratie en tijdige loonbetalingen. [naam] zegt dat de late uitbetalingen het gevolg zijn van een administratieve fout aan haar kant. Dat komt voor haar eigen rekening en risico en is geen reden voor matiging.
3.11
De wettelijke rente over het ontbrekende bedrag aan vakantiebijslag en eindejaarsuitkering wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 27 april 2026. De wettelijke rente over de wettelijke verhogingen wordt toegewezen vanaf de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, dus vanaf 25 juni 2026.
[naam] moet [verzoekster] specificaties verstrekken van de genoemde bedragen
3.12
[verzoekster] wil verder dat [naam] haar binnen vijf dagen specificaties verstrekt van de hiervoor besproken bedragen. Daarnaast wil [verzoekster] dat [naam] haar binnen vijf dagen de verlofuren-administratie over de jaren 2023 tot en met 2026 met daarin het overzicht van het aantal opgebouwde uren en het aantal opgenomen uren met datum van opname geeft. [verzoekster] wil dat [naam] een dwangsom van € 250,00 per dag moet betalen als zij dat niet (op tijd) doet.
3.13
Voor zover het gaat om de specificaties, wordt het verzoek toegewezen. Ook de verzochte dwangsom daarover wordt toegewezen, maar die wordt wel gemaximeerd tot € 2.500,00. Voor zover het gaat om de verlofuren-administratie, wordt het verzoek afgewezen. [verzoekster] heeft niet gesteld dat zij aanleiding heeft om te denken dat [naam] een onjuist aantal niet genoten vakantie-uren aan haar heeft uitbetaald. De kantonrechter ziet daarom niet in wat haar belang is bij dat deel van het verzoek.
[naam] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.14
[verzoekster] wil ten slotte dat [naam] haar een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw van € 558,27 betaalt. Dat verzoek wordt afgewezen, omdat [verzoekster] niet heeft gesteld of onderbouwd dat zij die kosten heeft gemaakt.
[naam] moet de proceskosten van [verzoekster] betalen
3.15
De proceskosten komen voor rekening van [naam] , omdat [naam] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 986,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als [naam] nog in hoger beroep kan gaan of al is gegaan.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [naam] om aan [verzoekster] een transitievergoeding van € 2.572,56 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2026 tot aan de dag van betaling,
4.2
veroordeelt [naam] om [verzoekster] een bedrag van € 471,74 bruto aan vakantiebijslag en eindejaarsuitkering te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2026 tot aan de dag van betaling,
4.3
veroordeelt [naam] om [verzoekster] een bedrag van € 1.447,06 bruto en € 235,86 bruto aan wettelijke verhoging over de te laat betaalde verlofuren te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2026 tot aan de dag van betaling,
4.4
veroordeelt [naam] om [verzoekster] binnen vijf dagen na vandaag bruto/netto specificaties van de hiervoor genoemde bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00,
4.5
veroordeelt [naam] in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Artikel 7:655 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 7 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3856, Hof Den Haag 15 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:140 en Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2402.
Zie artikel 7:868a lid 4 sub b BW.
Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW.
Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW.
Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203.
Hof Den Haag 2 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1734.
Artikel 7:625 BW.
Artikel 7:641 BW.
Hoge Raad 6 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2606.
Artikel 3:303 BW.