Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6564
2026-09-14
Civiel recht
C/16/616968 / KL ZA 26-234 BW 31650
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
executiegeschil, geen juridische misslag, geen nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot misbruik van recht of een noodtoestand
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.366 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/616968 / KL ZA 26-234 BW 31650
Vonnis in kort geding van 14 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.J. de Vries,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaten: mr. F. Laagland en mr. P. Jansen.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1
In verband met de spoedeisendheid van deze zaak is op 3 september 2026 in verkorte vorm vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking. De beslissing zoals in dit vonnis is opgenomen, betreft dus een herhaling van de beslissing zoals vermeld in het verkorte vonnis van 3 september 2026 en bevat dus geen nieuwe proceskostenveroordeling.
2De achtergrond van deze zaak
2.1
Medio december 2022 heeft Rabobank de bancaire relatie met [eiser] opgezegd tegen 2 maart 2023. Onderdeel van die relatie was een hypothecaire geldlening met een bouwdepot. Deze lening was in 2019 aan [eiser] verstrekt voor de bouw van een nieuwe woning te Almere. Tijdens de bouw van de woning heeft de gemeente Almere handhavend opgetreden en een bouwstop afgekondigd. Het op dit moment gerealiseerde bouwwerk voldoet niet aan de vergunningseisen. Op 1 april 2026 is een last onder bestuursdwang ten aanzien van het perceel [adres] te [plaats] (hierna: het perceel) ingeschreven in de openbare registers.
2.2
De opzegging en opeising van de hypothecaire lening, heeft geleid tot het door Rabobank starten van het traject om tot openbare verkoop van de woning van [eiser] te komen. Partijen zijn vanaf september 2023 met elkaar in overleg geraakt over de wijze waarop zij hun relatie konden beëindigen. De voorgenomen verkoop van de woning door Rabobank heeft om die reden toen geen doorgang gehad.
2.3
In 2023 heeft [eiser] een mantelzorgunit gekocht en laten plaatsen op zijn perceel voor zijn volwassen zoon [A] . De unit heeft een eigen douche, toilet en kitchenette en is doormiddel van een regenslang en elektriciteitsdraad aangesloten op de woning op het perceel.
2.4
Begin juni 2024 heeft Rabobank aan [eiser] laten weten de openbare verkoop (de executie) weer te zullen opstarten, omdat partijen er onderling niet uitkwamen. De openbare verkoop (de executieveiling) zou plaatsvinden op 12 november 2024.
2.5
In oktober 2024 hebben partijen alsnog met elkaar afspraken kunnen maken over de wijze waarop zij definitief afscheid zouden nemen van elkaar. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 11 november 2024 (hierna: de VSO). Bij het sluiten van deze VSO had [eiser] bijstand van een advocaat. In de VSO is onder meer opgenomen dat [eiser] eind september 2025 een bedrag van zo’n € 25.000,- moet betalen aan Rabobank (de kosten die Rabobank al had gemaakt voor het tot twee keer toe opstarten van het openbare verkooptraject). Verder zou de bancaire relatie tussen partijen per 1 november 2025 eindigen. Daarvoor diende [eiser] uiterlijk op 31 oktober 2025 de volledige openstaande (hypothecaire) schuld aan Rabobank te voldoen. Verder hadden partijen afgesproken dat [eiser] tot dat moment alle lopende verplichtingen stipt moest nakomen, dat hij zijn lopende klachten zou intrekken en dat hij geen nieuwe klachtprocedures meer zou beginnen. Rabobank zou alle externe registraties van [eiser] uiterlijk op 15 augustus 2025 verwijderen.
2.6
[eiser] heeft niet voldaan aan zijn eerste betalingsverplichting van ongeveer € 25.000,- uit de VSO. [eiser] heeft op 31 oktober 2025 ook niets ingelost op zijn totale schuld aan Rabobank van op dat moment zo’n € 287.000,-. Daarop heeft Rabobank een notaris opgedragen om de openbare verkoop van de woning van [eiser] weer op te starten. De executieveiling zou plaatsvinden op 26 maart 2026.
2.7
In de loop van 2025 is [eiser] een procedure gestart tegen zijn aannemer. Daarin vordert hij een door de aannemer te betalen schadevergoeding. Volgens [eiser] heeft de aannemer fouten gemaakt bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Op 16 september 2026 wordt het vonnis verwacht.
2.8
Op 2 februari 2026 vond een mondelinge behandeling plaats in een door [eiser] gestart kort geding tegen de (destijds aanstaande) executieveiling van zijn woning op 26 maart 2026. Hiertoe heeft [eiser] aangevoerd dat het voeren van een executieveiling door Rabobank misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW zou opleveren. De voorzieningenrechter heeft op 2 februari 2026 mondeling uitspraak gedaan en geoordeeld dat (i) er geen sprake was van misbruik van recht en (ii) dat er geen onevenredigheid in de belangen van Rabobank en [eiser] is die een schorsing van de executie rechtvaardigt. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen.
2.9
De woning van [eiser] is vervolgens voor een bedrag van € 211.000,- geveild. [eiser] heeft daarna de mantelzorgunit van zijn perceel verwijderd. De koper heeft op 8 april 2026 laten weten af te zien van de koop, omdat [eiser] de mantelzorgunit van het perceel heeft verwijderd. Op 13 april 2026 heeft een deurwaarder op het perceel van [eiser] geconstateerd dat [eiser] een beslaglegging niet toestond, omdat hij de mantelzorgunit had verplaatst. [eiser] wilde niet vertellen waar de mantelzorgunit op dat moment was en heeft toen verklaard dat hij de mantelzorgunit in brand zou hebben gestoken.
2.10
De voorzieningenrechter heeft op 22 juli 2026 in zijn beschikking Rabobank toegestaan (na het inroepen van een zogeheten beheer- en huurbeding in de hypotheekakte) om het registergoed aan de [adres] te [plaats] in beheer en onder zich te nemen. Ook is [eiser] veroordeeld om tot ontruiming over te gaan. Tegen deze beschikking heeft geen van partijen hoger beroep aangetekend.
2.11
Op dit moment staat de vierde veilig van de woning gepland op 8 september 2026. In dit kort geding vordert [eiser] dat het Rabobank primair wordt verboden om het perceel, de woning en de mantelzorgunit te laten ontruimen en deze in beheer te nemen. In subsidiaire zin wordt hetzelfde gevorderd zolang het perceel, de woning en de mantelzorgunit niet onherroepelijk zijn verkocht en aan een koper worden geleverd. Ook verzoekt [eiser] om het Rabobank te verbieden om tot de veiling over te gaan al dan niet voor zover er nog geen onherroepelijke omgevingsvergunning voor het perceel is verleend. Ten slotte wordt verzocht het Rabobank te verbieden om de mantelzorgunit te verkopen, alles op straffe van een dwangsom met veroordeling van Rabobank in de proceskosten, nakosten en de wettelijke rente.
3De beoordeling
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering. Het beheer en ontruiming van de woning stonden gepland op 3 september 2026 (de datum waarop het kort geding plaatsvond) en de executie op 8 september 2026.
Toetsingskader
3.2
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis of beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
3.3
In dit executie kort geding gaat het over de vraag of de tenuitvoerlegging van de beschikking van 22 juli 2026 (hierna: de beschikking) gestaakt of geschorst moet worden. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat er (i) sprake is van een juridische misslag in de beschikking en omdat (ii) een nieuwe belangenafweging er toe zou moeten leiden dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer Rabobank tot executie van het perceel zou overgaan.
Geen sprake van een juridische misslag
3.4
Anders dan [eiser] heeft betoogd is er geen sprake van een juridische misslag in de beschikking. In overweging 3.6. van de beschikking is de juiste juridische maatstaf opgenomen voor de beoordeling van het verzoek van Rabobank. Die maatstaf staat als volgt vermeld in de beschikking: “Uit artikel 3:267 lid 1 BW volgt dat in de hypotheekakte kan worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is om het verhypothekeerde goed in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn verplichtingen jegens hem in ernstige mate tekort schiet en de voorzieningenrechter van de rechtbank hem machtiging verleent.”
Op die voornoemde maatstaf heeft de voorzieningenrechter vervolgens beslist. Dat in punt 3.7. van de beschikking de woorden “ernstige mate” niet worden herhaald, maakt nog niet dat er sprake zou zijn van een juridische misslag. De voorzieningenrechter heeft onder toepassing van de juiste juridische maatstaf zijn oordeel gegeven, wat er kortweg op neer komt dat het Rabobank wordt toegestaan om het goed in beheer te nemen.
Er is ook geen sprake van een onvoldoende onderbouwing of motivering in de beschikking. De onderbouwing van een oordeel is vanzelfsprekend afhankelijk van alle (relevante) feiten en stellingen die door partijen naar voren zijn gebracht.
Tijdens de zitting in dit kort geding heeft [eiser] nog naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter in zijn beschikking is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, omdat het niet juist zou zijn dat [eiser] de mantelzorgunit in brand heeft gestoken of heeft verwijderd. Dat maakt nog niet dat sprake is van een juridische missslag. Vast staat namelijk dat [eiser] op enig moment na de executieverkoop de unit heeft verwijderd van zijn oorspronkelijke plek en op basis van die omstandigheid heeft de koper de koop ongedaan gemaakt. Dat volgens [eiser] uit de foto’s bij het proces-verbaal van de deurwaarder blijkt dat de mantelzorgunit wel ter plaatse was, maar dat deze aan de achterkant van de woning is geplaatst, maakt dat ook niet anders. Dat kennelijk de unit wel ter plaatse was, verandert namelijk niets aan het feit dat [eiser] de deurwaarder heeft verteld dat hij de unit in brand heeft gestoken danwel heeft verwijderd (hetgeen ook Rabobank en vervolgens ook de koper ter ore kwam) en deze er dus niet meer zou zijn. Dat aan die opmerking veel gewicht is toegekend, is dan ook goed voorstelbaar.
Gelet op de verschillende ingenomen standpunten en de informatie die de voorzieningenrechter bij zijn oordeel tot zich heeft genomen, is de beschikking onderbouwd en gemotiveerd. [eiser] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat dit onvoldoende zou zijn.
Rabobank heeft het recht van parate executie ook op de mantelzorgunit
3.5
In het vonnis van het kort geding van 2 februari 2026 is al bepaald dat Rabobank als hypotheekhouder bevoegd is om tot executieverkoop over te gaan. Dat wordt ook nu niet betwist. Wel betwist [eiser] in dit kort geding dat Rabobank bevoegd is tot executieverkoop van de mantelzorgunit over te gaan. [eiser] vordert dat het Rabobank wordt verboden om de roerende mantelzorgunit die hij in 2023 op het perceel heeft geplaatst voor zijn zoon [A] , te verkopen.
3.6
Het is in dit executie kort geding aan de Rabobank om hoogst aannemelijk te maken dat zij een recht van parate executie heeft op (ook) de mantelzorgunit naast het pand, gelet op de verregaande consequenties voor [eiser] van executie en verkoop van het perceel.
[eiser] zegt dat de mantelzorgunit geen onroerende zaak is en als het een roerende zaak is hier ook geen pandrecht op zou rusten, omdat de unit pas in 2023 op het perceel is geplaatst. Rabobank zegt dat de unit wel als een onroerende zaak is te beschouwen en als het een roerende zaak zou zijn, dat zij daar een pandrecht op heeft.
3.7
De vraag of de mantelzorgunit te beschouwen is als een roerende of onroerende zaak kan hier in het midden blijven. Wanneer de mantelzorgunit moet worden aangemerkt als onroerende zaak, dan valt het onder het recht van hypotheek en heeft Rabobank het recht van parate executie. Maar ook als de mantelzorgunit een roerende zaak is, heeft de Rabobank een pandrecht en valt het eveneens onder het recht van parate executie. Dat zit zo.
In de hypotheekakte van 7 november 2019 is niet alleen een hypotheekrecht op het registergoed gevestigd, maar zijn ook pandrechten aan Rabobank verleend. De akte bepaalt dat [eiser] aan Rabobank verpandt: “alle roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn of bestemd zullen worden om het onderpand duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen”, alsmede:“alle roerende zaken die van het onderpand worden losgemaakt”. Voorts is als ‘onderpand’ gedefinieerd: een, gedeeltelijk met opstalrechten nutsvoorzieningen belast, perceel grond, gelegen in het plandgebied Oosterwold, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , waaraan door het kadaster een voorlopige kadastrale grens en -oppervlakte is toegekend, groot ongeveer drie are en vierentachtig centiare (3.84 are); hierna te noemen: onderpand.”
Rabobank zegt terecht dat uit het duurzame karakter van de mantelzorgunit blijkt dat deze bedoeld is om het onderpand duurzaam te dienen. De zoon van [eiser] woont daar immers al sinds 2023. De unit kan ook moeilijk los worden gezien van het onderpand, omdat de zorg dan wel begeleiding van [eiser] aan zijn zoon (de mantelzorg) aan elkaar verbonden zijn. De unit is dus niet voor kortstondige opslag op het perceel geplaatst, maar ingericht en gebruikt als woonvoorziening die de bewonings- en gebruiksfunctie van het verhypothekeerde perceel ondersteunt.
3.8
De akte bepaalt ook dat deze pandrechten tot zekerheid strekken voor dezelfde schulden als waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd en dat Rabobank de verpande goederen en het verhypothekeerde onderpand gezamenlijk mag executeren volgens de regels die voor het hypotheekrecht gelden: “Deze pandrechten gelden als zekerheid voor dezelfde schulden als waarvoor het hypotheekrecht is gegeven. De bank mag de goederen die hiervoor staan en het onderpand samen executeren volgens de regels die voor het hypotheekrecht gelden.”
3.9
Rabobank wijst er ook terecht op dat de mantelzorgunit in elk geval is te definiëren als toekomstige verandering aan het onderpand (te weten; het perceel). In de akte staat dat [eiser] en Rabobank afspreken dat [eiser] pandrechten geeft op de in de akte en de toepasselijke algemene voorwaarden omschreven goederen. Vervolgens verklaart de akte uitdrukkelijk dat [eiser] , ter uitvoering van die afspraak, de daarin omschreven huidige en toekomstige roerende zaken “hierbij” aan Rabobank verpandt. Die bepaling is niet beperkt in tijd, dus maakt het geen verschil dat op dat moment de hypotheekfinanciering al was opgezegd.
Anders dan [eiser] stelt, is het pandrecht dus niet beperkt tot roerende zaken die reeds op 7 november 2019 op de onroerende zaak aanwezig waren. De akte noemt ook roerende zaken die in de toekomst “bestemd zullen worden om het onderpand duurzaam te dienen”. Bij het vestigen van het pandrecht is dus ook rekening gehouden met roerende zaken die pas na het passeren van de hypotheekakte zouden worden verkregen of aan het perceel zouden worden toegevoegd. Dat de mantelzorgunit eerst in 2023 is aangeschaft, staat aan toepasselijkheid van het pandbeding daarom niet in de weg. De vraag of de mantelzorgunit nou onroerend of roerend is doet er daarom niet toe. Immers, Rabobank heeft ofwel een hypotheekrecht ofwel een pandrecht en in beide gevallen ook het recht van parate executie.
3.10
De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat Rabobank hoogst aannemelijk heeft gemaakt dat zij het recht op parate executie ook heeft op de mantelzorgunit.
Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot misbruik van recht of een noodtoestand
3.11
[eiser] zegt dat sprake is van wezenlijk gewijzigde feiten en omstandigheden die bij het nemen van de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen en die maken dat de ontruiming misbruik van recht of een noodtoestand oplevert. Volgens [eiser] moet de executieveiling worden gestaakt, omdat dit misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW oplevert.
3.12
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van misbruik van recht geen sprake is.
Van misbruik van recht is sprake wanneer zich een zodanige onevenredigheid voordoet
tussen het belang van Rabobank en [eiser] bij executie dat de bank in redelijkheid niet tot
de uitoefening van haar recht kan komen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als er door
de executie geen zicht bestaat op ook maar een gedeeltelijke voldoening van de schuld,
als de executie bij [eiser] een noodtoestand doet ontstaan, of als [eiser] een
betalingsregeling heeft voorgesteld die leidt tot aflossing binnen een redelijke termijn,
terwijl hij ondertussen voldoet aan de lopende betalingsverplichting jegens Rabobank. Bij
deze afweging van belangen kan onder meer van belang zijn of [eiser] voldoende
mogelijkheden en tijd zijn geboden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
3.13
[eiser] noemt de volgende gewijzigde feiten en omstandigheden als redenen voor de staking van de executie: i) de last onder bestuursdwang is inmiddels ingeschreven in het kadaster,ii) de hoogste bieding voor de veiling bedraagt slechts € 99.500,- en daarbij is er nog geen rekening mee gehouden dat de mantelzorgunit hier geen onderdeel van uitmaakt,
iii) de procedure tegen de aannemer staat inmiddels voor eindvonnis, iv) tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning is hoger beroep ingesteld.
3.14
[eiser] zegt dat de last onder bestuursdwang die inmiddels is ingeschreven en de onderhandse bieding van € 99.500,- onderstrepen dat een executieveiling nu geen substantiële opbrengst zal opleveren. Zoals hierboven overwogen is slechts sprake van misbruik van recht als er door de executie geen zicht bestaat op ook maar een gedeeltelijke voldoening van de schuld. Daar is geen sprake van. Daar komt bij dat de ten opzichte van de vorige veiling de lagere onderhandse bieding allereerst voortkomt uit het handelen van [eiser] door ervoor te zorgen dat de mantelzorgunit niet meer op het perceel c.q. dezelfde plek aanwezig was. Hierdoor is die koop niet doorgegaan. Dat de opbrengst nu aanzienlijk lager lijkt uit te pakken, komt dan ook voor zijn risico.
3.15
[eiser] zegt verder dat inmiddels zicht bestaat op aflossing van de schuld op een redelijke termijn doordat op 16 september 2026 eindvonnis is bepaald in de zaak tegen de aannemer en omdat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning.
De voorzieningenrechter vindt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er inmiddels zicht bestaat op aflossing van de schuld op een redelijke termijn. De procedure tegen de aannemer staat weliswaar voor vonnis op 16 september 2026, maar de uitkomst in die zaak is volledig onzeker. Hierover heeft [eiser] tijdens de zitting zelf ook verklaard dat hij geen idee heeft wat de beslissing zal zijn en dat dit nog alle kanten op kan, maar dat hij hier wel een goed gevoel over had na afloop van de zitting. Het is dus onzeker of het in die zaak tot een substantieel bedrag aan schadevergoeding zal komen. Ook in het geval er wel een forse schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegekend, is het de vraag op wat voor termijn hij daarover kan beschikken. Tegen die uitspraak staat hoger beroep open en daarnaast is ook de vraag of de aannemer (vrijwillig) tot betaling van de schadevergoeding zal overgaan. Dit betekent dat geen concreet zicht bestaat op een fors bedrag dat [eiser] kan aflossen aan Rabobank op korte termijn. Daar komt bij dat [eiser] zelf ook heeft verklaard dat hij bij ontvangst van een forse schadevergoeding voornemens is daarmee de woning af te bouwen, met het doel een zo hoog mogelijk verkoopresultaat op te kunnen brengen. [eiser] moet echter eerst de omstandigheden realiseren waaronder de Gemeente bereid zou
kunnen zijn tot legalisatie over te gaan. Daarover heeft [eiser] tijdens de zitting zelf ook gezegd dat het nog wel zes tot twaalf maanden kan duren voordat in het bestuursrechtelijke traject duidelijkheid kan komen.
Gelet op voorgaande zal de Rabobank dus nog steeds lange tijd in onzekerheid blijven en bestaat er geen zicht op het aflossen van de schuld op korte termijn. Daar komt bij dat [eiser] zich niet bereid heeft verklaard de eventuele te ontvangen schadevergoeding direct te gebruiken voor de betaling van zijn schuld aan Rabobank.
3.16
[eiser] voert verder aan dat er geen noodzaak bestaat voor Rabobank om de woning en het perceel nu in beheer te nemen en te ontruimen voorafgaand aan de executieveiling, omdat dit niet tot een waardevermeerdering zal leiden. Dat dit niet nodig is blijkt volgens [eiser] ook uit het feit dat dit bij de eerdere geplande executieveilingen evenmin is gebeurd. Rabobank heeft uitgelegd dat juist vanwege het handelen door [eiser] na de vorige executieveiling de verkoop niet is doorgegaan en dat dit de noodzaak onderstreept tot het in beheer nemen en ontruimen. Rabobank vreest namelijk voor het handelen van [eiser] en de gevolgen daarvan voor de verkoop. [eiser] heeft immers eerder verklaard dat hij de mantelzorgunit in brand heeft gestoken of heeft verplaatst, waardoor de koper uiteindelijk van de koop heeft afgezien. Uit een door Rabobank in het geding gebrachte e-mail van 8 april 2026 wordt deze gang van zaken ook bevestigd door deze toenmalige koper.
3.17
Verder zegt [eiser] dat executie leidt tot onomkeerbare gevolgen zoals het verlies van zijn woning, waardoor hij en zijn (volwassen) autistische zoon worden geraakt. Beiden komen daardoor op straat te staan.
Dat [eiser] door de executie met zijn zoon op straat komt te staan, is een inherent
gevolg van de executie. Op zichzelf leidt dit niet tot een noodtoestand die tot schorsing zou
moeten leiden. Zoals de voorzieningenrechter ook oordeelde in februari 2026 heeft Rabobank [eiser] ruimschoots de gelegenheid gegeven om zijn schuld te voldoen na de opeising in 2023. [eiser] heeft de afgelopen twee jaar ook ruim de tijd gehad om vervangende woonruimte voor hem en zijn zoon te zoeken. Uit niets blijkt dat hij hiervoor (tijdig) stappen heeft gezet, ook niet na het vorige kort geding. Pas daags voor de zitting heeft [eiser] een enkele e-mail gestuurd aan de Gemeente met het verzoek om hulp, omdat hij dakloos dreigt te raken. Tijdens dit kort geding is ook niet gebleken dat [eiser] in de periode tussen februari 2026 en nu heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen met Rabobank of maatregelen heeft genomen om deze executie te voorkomen. In tegendeel: [eiser] heeft juist de verkoop gefrustreerd door de mantelzorgunit te verplaatsen en te zeggen dat hij deze in brand heeft gestoken. Hoe invoelbaar het ook is dat [eiser] zijn woning wil behouden en zich met name zorgen maakt om de gevolgen voor zijn zoon, is het een feit dat [eiser] door zijn handelen zichzelf en zijn zoon heeft benadeeld.
3.18
Daarnaast leidt executie volgens [eiser] tot een aanzienlijke restschuld voor hem, terwijl hij de lopende rente en aflossing voldoet. Rabobank leidt volgens [eiser] geen nadeel als de executie wordt uitgesteld.
In tegenstelling tot wat [eiser] hierover aanvoert lijdt Rabobank bij opnieuw uitstel van de executie wel nadeel. De veilingkosten verhogen de openstaande schuld verder, terwijl er geen concreet zicht is op terugbetaling op een andere manier dan via verkoop op een veiling. [eiser] meent ook dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen, omdat Rabobank probeert de woning in de huidige problematische staat te veilen en daarvoor steeds kosten maakt, die zij aan [eiser] toerekent. Ook op dit punt verliest [eiser] zijn eigen aandeel in de ontstane situatie uit het oog. Door zijn toedoen is immers de verkoop na de vorige executieveiling niet doorgegaan, waardoor nu opnieuw een executieveiling moet worden gepland.
3.19
Alles afwegend is er geen onevenredigheid in de belangen van [eiser] en Rabobank
die een schorsing van de executie rechtvaardigt. Alle vorderingen van [eiser] worden
afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.20
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4De beslissing
De voorzieningenrechter:
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/616968 / KL ZA 26-234 BW 31650
Vonnis in kort geding van 14 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.J. de Vries,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaten: mr. F. Laagland en mr. P. Jansen.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1
In verband met de spoedeisendheid van deze zaak is op 3 september 2026 in verkorte vorm vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking. De beslissing zoals in dit vonnis is opgenomen, betreft dus een herhaling van de beslissing zoals vermeld in het verkorte vonnis van 3 september 2026 en bevat dus geen nieuwe proceskostenveroordeling.
2De achtergrond van deze zaak
2.1
Medio december 2022 heeft Rabobank de bancaire relatie met [eiser] opgezegd tegen 2 maart 2023. Onderdeel van die relatie was een hypothecaire geldlening met een bouwdepot. Deze lening was in 2019 aan [eiser] verstrekt voor de bouw van een nieuwe woning te Almere. Tijdens de bouw van de woning heeft de gemeente Almere handhavend opgetreden en een bouwstop afgekondigd. Het op dit moment gerealiseerde bouwwerk voldoet niet aan de vergunningseisen. Op 1 april 2026 is een last onder bestuursdwang ten aanzien van het perceel [adres] te [plaats] (hierna: het perceel) ingeschreven in de openbare registers.
2.2
De opzegging en opeising van de hypothecaire lening, heeft geleid tot het door Rabobank starten van het traject om tot openbare verkoop van de woning van [eiser] te komen. Partijen zijn vanaf september 2023 met elkaar in overleg geraakt over de wijze waarop zij hun relatie konden beëindigen. De voorgenomen verkoop van de woning door Rabobank heeft om die reden toen geen doorgang gehad.
2.3
In 2023 heeft [eiser] een mantelzorgunit gekocht en laten plaatsen op zijn perceel voor zijn volwassen zoon [A] . De unit heeft een eigen douche, toilet en kitchenette en is doormiddel van een regenslang en elektriciteitsdraad aangesloten op de woning op het perceel.
2.4
Begin juni 2024 heeft Rabobank aan [eiser] laten weten de openbare verkoop (de executie) weer te zullen opstarten, omdat partijen er onderling niet uitkwamen. De openbare verkoop (de executieveiling) zou plaatsvinden op 12 november 2024.
2.5
In oktober 2024 hebben partijen alsnog met elkaar afspraken kunnen maken over de wijze waarop zij definitief afscheid zouden nemen van elkaar. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 11 november 2024 (hierna: de VSO). Bij het sluiten van deze VSO had [eiser] bijstand van een advocaat. In de VSO is onder meer opgenomen dat [eiser] eind september 2025 een bedrag van zo’n € 25.000,- moet betalen aan Rabobank (de kosten die Rabobank al had gemaakt voor het tot twee keer toe opstarten van het openbare verkooptraject). Verder zou de bancaire relatie tussen partijen per 1 november 2025 eindigen. Daarvoor diende [eiser] uiterlijk op 31 oktober 2025 de volledige openstaande (hypothecaire) schuld aan Rabobank te voldoen. Verder hadden partijen afgesproken dat [eiser] tot dat moment alle lopende verplichtingen stipt moest nakomen, dat hij zijn lopende klachten zou intrekken en dat hij geen nieuwe klachtprocedures meer zou beginnen. Rabobank zou alle externe registraties van [eiser] uiterlijk op 15 augustus 2025 verwijderen.
2.6
[eiser] heeft niet voldaan aan zijn eerste betalingsverplichting van ongeveer € 25.000,- uit de VSO. [eiser] heeft op 31 oktober 2025 ook niets ingelost op zijn totale schuld aan Rabobank van op dat moment zo’n € 287.000,-. Daarop heeft Rabobank een notaris opgedragen om de openbare verkoop van de woning van [eiser] weer op te starten. De executieveiling zou plaatsvinden op 26 maart 2026.
2.7
In de loop van 2025 is [eiser] een procedure gestart tegen zijn aannemer. Daarin vordert hij een door de aannemer te betalen schadevergoeding. Volgens [eiser] heeft de aannemer fouten gemaakt bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Op 16 september 2026 wordt het vonnis verwacht.
2.8
Op 2 februari 2026 vond een mondelinge behandeling plaats in een door [eiser] gestart kort geding tegen de (destijds aanstaande) executieveiling van zijn woning op 26 maart 2026. Hiertoe heeft [eiser] aangevoerd dat het voeren van een executieveiling door Rabobank misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW zou opleveren. De voorzieningenrechter heeft op 2 februari 2026 mondeling uitspraak gedaan en geoordeeld dat (i) er geen sprake was van misbruik van recht en (ii) dat er geen onevenredigheid in de belangen van Rabobank en [eiser] is die een schorsing van de executie rechtvaardigt. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen.
2.9
De woning van [eiser] is vervolgens voor een bedrag van € 211.000,- geveild. [eiser] heeft daarna de mantelzorgunit van zijn perceel verwijderd. De koper heeft op 8 april 2026 laten weten af te zien van de koop, omdat [eiser] de mantelzorgunit van het perceel heeft verwijderd. Op 13 april 2026 heeft een deurwaarder op het perceel van [eiser] geconstateerd dat [eiser] een beslaglegging niet toestond, omdat hij de mantelzorgunit had verplaatst. [eiser] wilde niet vertellen waar de mantelzorgunit op dat moment was en heeft toen verklaard dat hij de mantelzorgunit in brand zou hebben gestoken.
2.10
De voorzieningenrechter heeft op 22 juli 2026 in zijn beschikking Rabobank toegestaan (na het inroepen van een zogeheten beheer- en huurbeding in de hypotheekakte) om het registergoed aan de [adres] te [plaats] in beheer en onder zich te nemen. Ook is [eiser] veroordeeld om tot ontruiming over te gaan. Tegen deze beschikking heeft geen van partijen hoger beroep aangetekend.
2.11
Op dit moment staat de vierde veilig van de woning gepland op 8 september 2026. In dit kort geding vordert [eiser] dat het Rabobank primair wordt verboden om het perceel, de woning en de mantelzorgunit te laten ontruimen en deze in beheer te nemen. In subsidiaire zin wordt hetzelfde gevorderd zolang het perceel, de woning en de mantelzorgunit niet onherroepelijk zijn verkocht en aan een koper worden geleverd. Ook verzoekt [eiser] om het Rabobank te verbieden om tot de veiling over te gaan al dan niet voor zover er nog geen onherroepelijke omgevingsvergunning voor het perceel is verleend. Ten slotte wordt verzocht het Rabobank te verbieden om de mantelzorgunit te verkopen, alles op straffe van een dwangsom met veroordeling van Rabobank in de proceskosten, nakosten en de wettelijke rente.
3De beoordeling
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering. Het beheer en ontruiming van de woning stonden gepland op 3 september 2026 (de datum waarop het kort geding plaatsvond) en de executie op 8 september 2026.
Toetsingskader
3.2
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis of beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
3.3
In dit executie kort geding gaat het over de vraag of de tenuitvoerlegging van de beschikking van 22 juli 2026 (hierna: de beschikking) gestaakt of geschorst moet worden. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat er (i) sprake is van een juridische misslag in de beschikking en omdat (ii) een nieuwe belangenafweging er toe zou moeten leiden dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer Rabobank tot executie van het perceel zou overgaan.
Geen sprake van een juridische misslag
3.4
Anders dan [eiser] heeft betoogd is er geen sprake van een juridische misslag in de beschikking. In overweging 3.6. van de beschikking is de juiste juridische maatstaf opgenomen voor de beoordeling van het verzoek van Rabobank. Die maatstaf staat als volgt vermeld in de beschikking: “Uit artikel 3:267 lid 1 BW volgt dat in de hypotheekakte kan worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is om het verhypothekeerde goed in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn verplichtingen jegens hem in ernstige mate tekort schiet en de voorzieningenrechter van de rechtbank hem machtiging verleent.”
Op die voornoemde maatstaf heeft de voorzieningenrechter vervolgens beslist. Dat in punt 3.7. van de beschikking de woorden “ernstige mate” niet worden herhaald, maakt nog niet dat er sprake zou zijn van een juridische misslag. De voorzieningenrechter heeft onder toepassing van de juiste juridische maatstaf zijn oordeel gegeven, wat er kortweg op neer komt dat het Rabobank wordt toegestaan om het goed in beheer te nemen.
Er is ook geen sprake van een onvoldoende onderbouwing of motivering in de beschikking. De onderbouwing van een oordeel is vanzelfsprekend afhankelijk van alle (relevante) feiten en stellingen die door partijen naar voren zijn gebracht.
Tijdens de zitting in dit kort geding heeft [eiser] nog naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter in zijn beschikking is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, omdat het niet juist zou zijn dat [eiser] de mantelzorgunit in brand heeft gestoken of heeft verwijderd. Dat maakt nog niet dat sprake is van een juridische missslag. Vast staat namelijk dat [eiser] op enig moment na de executieverkoop de unit heeft verwijderd van zijn oorspronkelijke plek en op basis van die omstandigheid heeft de koper de koop ongedaan gemaakt. Dat volgens [eiser] uit de foto’s bij het proces-verbaal van de deurwaarder blijkt dat de mantelzorgunit wel ter plaatse was, maar dat deze aan de achterkant van de woning is geplaatst, maakt dat ook niet anders. Dat kennelijk de unit wel ter plaatse was, verandert namelijk niets aan het feit dat [eiser] de deurwaarder heeft verteld dat hij de unit in brand heeft gestoken danwel heeft verwijderd (hetgeen ook Rabobank en vervolgens ook de koper ter ore kwam) en deze er dus niet meer zou zijn. Dat aan die opmerking veel gewicht is toegekend, is dan ook goed voorstelbaar.
Gelet op de verschillende ingenomen standpunten en de informatie die de voorzieningenrechter bij zijn oordeel tot zich heeft genomen, is de beschikking onderbouwd en gemotiveerd. [eiser] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat dit onvoldoende zou zijn.
Rabobank heeft het recht van parate executie ook op de mantelzorgunit
3.5
In het vonnis van het kort geding van 2 februari 2026 is al bepaald dat Rabobank als hypotheekhouder bevoegd is om tot executieverkoop over te gaan. Dat wordt ook nu niet betwist. Wel betwist [eiser] in dit kort geding dat Rabobank bevoegd is tot executieverkoop van de mantelzorgunit over te gaan. [eiser] vordert dat het Rabobank wordt verboden om de roerende mantelzorgunit die hij in 2023 op het perceel heeft geplaatst voor zijn zoon [A] , te verkopen.
3.6
Het is in dit executie kort geding aan de Rabobank om hoogst aannemelijk te maken dat zij een recht van parate executie heeft op (ook) de mantelzorgunit naast het pand, gelet op de verregaande consequenties voor [eiser] van executie en verkoop van het perceel.
[eiser] zegt dat de mantelzorgunit geen onroerende zaak is en als het een roerende zaak is hier ook geen pandrecht op zou rusten, omdat de unit pas in 2023 op het perceel is geplaatst. Rabobank zegt dat de unit wel als een onroerende zaak is te beschouwen en als het een roerende zaak zou zijn, dat zij daar een pandrecht op heeft.
3.7
De vraag of de mantelzorgunit te beschouwen is als een roerende of onroerende zaak kan hier in het midden blijven. Wanneer de mantelzorgunit moet worden aangemerkt als onroerende zaak, dan valt het onder het recht van hypotheek en heeft Rabobank het recht van parate executie. Maar ook als de mantelzorgunit een roerende zaak is, heeft de Rabobank een pandrecht en valt het eveneens onder het recht van parate executie. Dat zit zo.
In de hypotheekakte van 7 november 2019 is niet alleen een hypotheekrecht op het registergoed gevestigd, maar zijn ook pandrechten aan Rabobank verleend. De akte bepaalt dat [eiser] aan Rabobank verpandt: “alle roerende zaken die volgens verkeersopvatting bestemd zijn of bestemd zullen worden om het onderpand duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen”, alsmede:“alle roerende zaken die van het onderpand worden losgemaakt”. Voorts is als ‘onderpand’ gedefinieerd: een, gedeeltelijk met opstalrechten nutsvoorzieningen belast, perceel grond, gelegen in het plandgebied Oosterwold, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , waaraan door het kadaster een voorlopige kadastrale grens en -oppervlakte is toegekend, groot ongeveer drie are en vierentachtig centiare (3.84 are); hierna te noemen: onderpand.”
Rabobank zegt terecht dat uit het duurzame karakter van de mantelzorgunit blijkt dat deze bedoeld is om het onderpand duurzaam te dienen. De zoon van [eiser] woont daar immers al sinds 2023. De unit kan ook moeilijk los worden gezien van het onderpand, omdat de zorg dan wel begeleiding van [eiser] aan zijn zoon (de mantelzorg) aan elkaar verbonden zijn. De unit is dus niet voor kortstondige opslag op het perceel geplaatst, maar ingericht en gebruikt als woonvoorziening die de bewonings- en gebruiksfunctie van het verhypothekeerde perceel ondersteunt.
3.8
De akte bepaalt ook dat deze pandrechten tot zekerheid strekken voor dezelfde schulden als waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd en dat Rabobank de verpande goederen en het verhypothekeerde onderpand gezamenlijk mag executeren volgens de regels die voor het hypotheekrecht gelden: “Deze pandrechten gelden als zekerheid voor dezelfde schulden als waarvoor het hypotheekrecht is gegeven. De bank mag de goederen die hiervoor staan en het onderpand samen executeren volgens de regels die voor het hypotheekrecht gelden.”
3.9
Rabobank wijst er ook terecht op dat de mantelzorgunit in elk geval is te definiëren als toekomstige verandering aan het onderpand (te weten; het perceel). In de akte staat dat [eiser] en Rabobank afspreken dat [eiser] pandrechten geeft op de in de akte en de toepasselijke algemene voorwaarden omschreven goederen. Vervolgens verklaart de akte uitdrukkelijk dat [eiser] , ter uitvoering van die afspraak, de daarin omschreven huidige en toekomstige roerende zaken “hierbij” aan Rabobank verpandt. Die bepaling is niet beperkt in tijd, dus maakt het geen verschil dat op dat moment de hypotheekfinanciering al was opgezegd.
Anders dan [eiser] stelt, is het pandrecht dus niet beperkt tot roerende zaken die reeds op 7 november 2019 op de onroerende zaak aanwezig waren. De akte noemt ook roerende zaken die in de toekomst “bestemd zullen worden om het onderpand duurzaam te dienen”. Bij het vestigen van het pandrecht is dus ook rekening gehouden met roerende zaken die pas na het passeren van de hypotheekakte zouden worden verkregen of aan het perceel zouden worden toegevoegd. Dat de mantelzorgunit eerst in 2023 is aangeschaft, staat aan toepasselijkheid van het pandbeding daarom niet in de weg. De vraag of de mantelzorgunit nou onroerend of roerend is doet er daarom niet toe. Immers, Rabobank heeft ofwel een hypotheekrecht ofwel een pandrecht en in beide gevallen ook het recht van parate executie.
3.10
De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat Rabobank hoogst aannemelijk heeft gemaakt dat zij het recht op parate executie ook heeft op de mantelzorgunit.
Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot misbruik van recht of een noodtoestand
3.11
[eiser] zegt dat sprake is van wezenlijk gewijzigde feiten en omstandigheden die bij het nemen van de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen en die maken dat de ontruiming misbruik van recht of een noodtoestand oplevert. Volgens [eiser] moet de executieveiling worden gestaakt, omdat dit misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW oplevert.
3.12
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van misbruik van recht geen sprake is.
Van misbruik van recht is sprake wanneer zich een zodanige onevenredigheid voordoet
tussen het belang van Rabobank en [eiser] bij executie dat de bank in redelijkheid niet tot
de uitoefening van haar recht kan komen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als er door
de executie geen zicht bestaat op ook maar een gedeeltelijke voldoening van de schuld,
als de executie bij [eiser] een noodtoestand doet ontstaan, of als [eiser] een
betalingsregeling heeft voorgesteld die leidt tot aflossing binnen een redelijke termijn,
terwijl hij ondertussen voldoet aan de lopende betalingsverplichting jegens Rabobank. Bij
deze afweging van belangen kan onder meer van belang zijn of [eiser] voldoende
mogelijkheden en tijd zijn geboden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
3.13
[eiser] noemt de volgende gewijzigde feiten en omstandigheden als redenen voor de staking van de executie: i) de last onder bestuursdwang is inmiddels ingeschreven in het kadaster,ii) de hoogste bieding voor de veiling bedraagt slechts € 99.500,- en daarbij is er nog geen rekening mee gehouden dat de mantelzorgunit hier geen onderdeel van uitmaakt,
iii) de procedure tegen de aannemer staat inmiddels voor eindvonnis, iv) tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning is hoger beroep ingesteld.
3.14
[eiser] zegt dat de last onder bestuursdwang die inmiddels is ingeschreven en de onderhandse bieding van € 99.500,- onderstrepen dat een executieveiling nu geen substantiële opbrengst zal opleveren. Zoals hierboven overwogen is slechts sprake van misbruik van recht als er door de executie geen zicht bestaat op ook maar een gedeeltelijke voldoening van de schuld. Daar is geen sprake van. Daar komt bij dat de ten opzichte van de vorige veiling de lagere onderhandse bieding allereerst voortkomt uit het handelen van [eiser] door ervoor te zorgen dat de mantelzorgunit niet meer op het perceel c.q. dezelfde plek aanwezig was. Hierdoor is die koop niet doorgegaan. Dat de opbrengst nu aanzienlijk lager lijkt uit te pakken, komt dan ook voor zijn risico.
3.15
[eiser] zegt verder dat inmiddels zicht bestaat op aflossing van de schuld op een redelijke termijn doordat op 16 september 2026 eindvonnis is bepaald in de zaak tegen de aannemer en omdat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning.
De voorzieningenrechter vindt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er inmiddels zicht bestaat op aflossing van de schuld op een redelijke termijn. De procedure tegen de aannemer staat weliswaar voor vonnis op 16 september 2026, maar de uitkomst in die zaak is volledig onzeker. Hierover heeft [eiser] tijdens de zitting zelf ook verklaard dat hij geen idee heeft wat de beslissing zal zijn en dat dit nog alle kanten op kan, maar dat hij hier wel een goed gevoel over had na afloop van de zitting. Het is dus onzeker of het in die zaak tot een substantieel bedrag aan schadevergoeding zal komen. Ook in het geval er wel een forse schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegekend, is het de vraag op wat voor termijn hij daarover kan beschikken. Tegen die uitspraak staat hoger beroep open en daarnaast is ook de vraag of de aannemer (vrijwillig) tot betaling van de schadevergoeding zal overgaan. Dit betekent dat geen concreet zicht bestaat op een fors bedrag dat [eiser] kan aflossen aan Rabobank op korte termijn. Daar komt bij dat [eiser] zelf ook heeft verklaard dat hij bij ontvangst van een forse schadevergoeding voornemens is daarmee de woning af te bouwen, met het doel een zo hoog mogelijk verkoopresultaat op te kunnen brengen. [eiser] moet echter eerst de omstandigheden realiseren waaronder de Gemeente bereid zou
kunnen zijn tot legalisatie over te gaan. Daarover heeft [eiser] tijdens de zitting zelf ook gezegd dat het nog wel zes tot twaalf maanden kan duren voordat in het bestuursrechtelijke traject duidelijkheid kan komen.
Gelet op voorgaande zal de Rabobank dus nog steeds lange tijd in onzekerheid blijven en bestaat er geen zicht op het aflossen van de schuld op korte termijn. Daar komt bij dat [eiser] zich niet bereid heeft verklaard de eventuele te ontvangen schadevergoeding direct te gebruiken voor de betaling van zijn schuld aan Rabobank.
3.16
[eiser] voert verder aan dat er geen noodzaak bestaat voor Rabobank om de woning en het perceel nu in beheer te nemen en te ontruimen voorafgaand aan de executieveiling, omdat dit niet tot een waardevermeerdering zal leiden. Dat dit niet nodig is blijkt volgens [eiser] ook uit het feit dat dit bij de eerdere geplande executieveilingen evenmin is gebeurd. Rabobank heeft uitgelegd dat juist vanwege het handelen door [eiser] na de vorige executieveiling de verkoop niet is doorgegaan en dat dit de noodzaak onderstreept tot het in beheer nemen en ontruimen. Rabobank vreest namelijk voor het handelen van [eiser] en de gevolgen daarvan voor de verkoop. [eiser] heeft immers eerder verklaard dat hij de mantelzorgunit in brand heeft gestoken of heeft verplaatst, waardoor de koper uiteindelijk van de koop heeft afgezien. Uit een door Rabobank in het geding gebrachte e-mail van 8 april 2026 wordt deze gang van zaken ook bevestigd door deze toenmalige koper.
3.17
Verder zegt [eiser] dat executie leidt tot onomkeerbare gevolgen zoals het verlies van zijn woning, waardoor hij en zijn (volwassen) autistische zoon worden geraakt. Beiden komen daardoor op straat te staan.
Dat [eiser] door de executie met zijn zoon op straat komt te staan, is een inherent
gevolg van de executie. Op zichzelf leidt dit niet tot een noodtoestand die tot schorsing zou
moeten leiden. Zoals de voorzieningenrechter ook oordeelde in februari 2026 heeft Rabobank [eiser] ruimschoots de gelegenheid gegeven om zijn schuld te voldoen na de opeising in 2023. [eiser] heeft de afgelopen twee jaar ook ruim de tijd gehad om vervangende woonruimte voor hem en zijn zoon te zoeken. Uit niets blijkt dat hij hiervoor (tijdig) stappen heeft gezet, ook niet na het vorige kort geding. Pas daags voor de zitting heeft [eiser] een enkele e-mail gestuurd aan de Gemeente met het verzoek om hulp, omdat hij dakloos dreigt te raken. Tijdens dit kort geding is ook niet gebleken dat [eiser] in de periode tussen februari 2026 en nu heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen met Rabobank of maatregelen heeft genomen om deze executie te voorkomen. In tegendeel: [eiser] heeft juist de verkoop gefrustreerd door de mantelzorgunit te verplaatsen en te zeggen dat hij deze in brand heeft gestoken. Hoe invoelbaar het ook is dat [eiser] zijn woning wil behouden en zich met name zorgen maakt om de gevolgen voor zijn zoon, is het een feit dat [eiser] door zijn handelen zichzelf en zijn zoon heeft benadeeld.
3.18
Daarnaast leidt executie volgens [eiser] tot een aanzienlijke restschuld voor hem, terwijl hij de lopende rente en aflossing voldoet. Rabobank leidt volgens [eiser] geen nadeel als de executie wordt uitgesteld.
In tegenstelling tot wat [eiser] hierover aanvoert lijdt Rabobank bij opnieuw uitstel van de executie wel nadeel. De veilingkosten verhogen de openstaande schuld verder, terwijl er geen concreet zicht is op terugbetaling op een andere manier dan via verkoop op een veiling. [eiser] meent ook dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen, omdat Rabobank probeert de woning in de huidige problematische staat te veilen en daarvoor steeds kosten maakt, die zij aan [eiser] toerekent. Ook op dit punt verliest [eiser] zijn eigen aandeel in de ontstane situatie uit het oog. Door zijn toedoen is immers de verkoop na de vorige executieveiling niet doorgegaan, waardoor nu opnieuw een executieveiling moet worden gepland.
3.19
Alles afwegend is er geen onevenredigheid in de belangen van [eiser] en Rabobank
die een schorsing van de executie rechtvaardigt. Alle vorderingen van [eiser] worden
afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.20
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4De beslissing
De voorzieningenrechter:
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.