Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6544
2026-09-18
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 26/5673
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BNT UHT, aanvraag, CWS, herhaalde beroep
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4803 Rechtbank Midden-Nederland 27-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.890 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5673
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 12 februari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Op 15 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 1 juli 2025 een besluit op de aanvraag te nemen.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank
heeft in de uitspraak van 24 april 2025 [UTR 25/2262] een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.
2. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
3. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4. In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze termijn al verstreken is op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Als die situatie zich voordoet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
5. In dit geval betekent dit het volgende. Eiser heeft op 12 februari 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op
12 februari 2025. Omdat sindsdien meer dan 66 weken zijn verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026. Proceskosten en griffierecht
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van L. el Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4803.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5673
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 12 februari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Op 15 juni 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 1 juli 2025 een besluit op de aanvraag te nemen.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank
heeft in de uitspraak van 24 april 2025 [UTR 25/2262] een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.
2. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
3. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4. In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze termijn al verstreken is op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Als die situatie zich voordoet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
5. In dit geval betekent dit het volgende. Eiser heeft op 12 februari 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op
12 februari 2025. Omdat sindsdien meer dan 66 weken zijn verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026. Proceskosten en griffierecht
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van L. el Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4803.