Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6528
2026-08-28
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/4263
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging WIA-uitkering in de bezwaarfase na bezwaar door de ex-werkgever. Het Uwv is voor de datum in geding uitgegaan van de toekenningsdatum van de uitkering per einde wachttijd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beëindigingsdatum als datum in geding bij de beoordeling te betrekken.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2022:37 Centrale Raad van Beroep 05-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.430 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4263
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Abalhaj),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: B.E. de Leng).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Herbalife International Netherlands B.V. uit Utrecht
(gemachtigde: mr. M.E.C. van Deursen en mr. N.I. Vink).
Inleiding
1. Eiser werkte sinds 1 november 2021 als [functie] bij Herbalife International Netherlands B.V. (hierna: ex-werkgever) voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 1 maart 2022 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk in verband met diverse psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de wachttijd heeft eiser bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Uit de medische- en arbeidskundige beoordeling volgt dat eiser per einde wachttijd, 27 februari 2024, 93,38% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 3 mei 2024 (het primaire besluit) is aan eiser een WIA-uitkering toegekend.
2. De ex-werkgever van eiser is het niet eens met de toekenning van de WIA-uitkering en maakt hiertegen bezwaar. Ter onderbouwing heeft de ex-werkgever een rapport van verzekeringsarts [A.] van 25 juli 2024 overgelegd. In de bezwaarfase heeft het Uwv opnieuw medisch- en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. Daarbij is medische informatie van de behandelend sector betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is vervolgens vastgesteld op 17,37%. Omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij geen recht meer op een WIA-uitkering. Met de beslissing op bezwaar van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en is de WIA-uitkering van eiser zes weken na de datum van het bestreden besluit per 18 juli 2025 beëindigd.
3. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de WIA-uitkering en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens de ex-werkgever is ook een schriftelijke reactie ingediend.
4. Het beroep van eiser is behandeld op de zitting van 21 juli 2026. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De ex-werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het Uwv in het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht heeft vastgesteld op 17,37% zodat de WIA-uitkering van eiser is beëindigd. De rechtbank gaat daarbij uit van de medische situatie van eiser op 27 februari 2024, de zogenoemde datum in geding. De rechtbank overweegt ten aanzien van de datum in geding volledigheidshalve dat uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat als datum in geding blijft gelden de datum waarop de WIA-uitkering is toegekend, ook wanneer bezwaar tegen de toekenning leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% waardoor de uitkering na afloop van de uitlooptermijn wordt beëindigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gezondheidstoestand van eiser ten tijde van de beëindiging van de WIA-uitkering, op 18 juli 2025, bij de beoordeling in deze zaak te betrekken. Dit zou tot gevolg hebben dat de rechtbank in beroep van een andere datum in geding, en daarmee van andere feiten, uitgaat dan waar de beslissing op bezwaar van het Uwv op is gebaseerd.
6. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische informatie met zijn ex-werkgever te delen. De rechtbank zal de motivering van haar oordeel in deze uitspraak voor zover nodig beperken om te voorkomen dat medische informatie alsnog via de uitspraak openbaar wordt.
7. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de WIA-uitkering. Volgens eiser is hij meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2025. Eiser wijst er daarbij met name op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de eerder aangenomen urenbeperking heeft laten vervallen. Volgens eiser is hij vanwege zeer beperkende psychische klachten en intensieve behandeling in het geheel niet beschikbaar om te werken. Eiser vindt daarom dat er een volledige urenbeperking moet worden aangenomen.
8. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep een rapport overgelegd van 20 mei 2026 van verzekeringsarts [B.] van [bedrijf] . Verzekeringsarts [B.] beschrijft in zijn rapport dat eiser lijdt aan een combinatie van psychische klachten die elkaar mogelijk onderhouden. Het herstel hiervan verloopt veelal in drie fasen: de crisisfase, de probleem- en oplossingsfase en de toepassingsfase. [B.] constateert dat eiser mogelijk ten tijde van de toekenning van de WIA-uitkering in februari 2024 herstellende was van zijn psychische klachten, maar dat het bezwaar van de ex-werkgever en vervolgens de beëindiging van de WIA-uitkering eiser hebben teruggeworpen in de crisisfase. Dit heeft bij eiser geleid tot een psychische terugval waar ten tijde van het onderzoek nog steeds sprake van is. Volgens [B.] is de belastbaarheid van eiser per 18 juli 2025, de datum waarop de WIA-uitkering is beëindigd, daarom verminderd ten opzichte van de situatie zoals beschreven in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2025. Voor de belastbaarheid van eiser op de datum in geding, dat is 27 februari 2024, moet volgens [B.] zoveel mogelijk worden aangesloten bij het oordeel van de primaire verzekeringsarts in het rapport van 13 juli 2023. Voor de urenbeperking betekent dit volgens [B.] dat eiser op de datum in geding 4 uur per dag, 5 dagen per week belastbaar is.
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, [C.] , heeft met zijn rapport van 5 juni 2026 gereageerd op het door eiser ingebrachte rapport van [B.] . Verzekeringsarts [C.] volgt de overwegingen en conclusies uit het rapport van [B.] niet. [C.] overweegt in zijn rapport dat hoewel de klachten van eiser alle van psychogene oorsprong zijn, eiser ook een aantal onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten heeft. [C.] blijft daarom bij de door hem eerder uitgesproken diagnose. Volgens [C.] zijn er in de diverse rapporten discrepanties vast te stellen in de wijze waarop eiser zich uit. Hierdoor wordt het vaststellen van de belastbaarheid bemoeilijkt. Gelet op de door [C.] voorgestane diagnose en de daarbij horende klachten volgt hij [B.] niet in zijn conclusie dat eiser meer beperkt is. [C.] blijft bij de belastbaarheid zoals door hem is vastgesteld in de FML van 13 maart 2025. Voor de omvang van de urenbeperking betekent dit dat eiser gemiddeld 8 uur per dag, 40 uur per week kan werken.
10. De ex-werkgever heeft een aanvullende reactie ingediend. Daarin heeft de ex-werkgever zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het rapport van [B.] geen nieuwe objectiveerbare medische informatie bevat die aanleiding is om op de datum in geding voor eiser meer beperkingen aan te nemen. De ex-werkgever sluit zich voor het overige aan bij de inhoud van het rapport van [C.] van 5 juni 2026.
11. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
12. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
- op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- geen tegenstrijdigheden bevatten; en
- voldoende begrijpelijk zijn.
Als eiser tegen de rapporten van de verzekeringsartsen wil opkomen, dan moet hij wel aanvoeren en zo nodig aannemelijk maken dat de medische rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Daarvoor is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
13. De rechtbank overweegt dat het Uwv zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep [C.] van 13 maart 2025 en zijn aanvullende rapporten van 1 december 2025 en 5 juni 2026. De rechtbank kan de overwegingen en conclusies in de rapporten van [C.] volgen. [C.] overweegt in zijn rapporten steeds dat er geen aanleiding is om voor eiser een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Daarbij overweegt hij dat er drie verzekeringsgeneeskundige redenen kunnen zijn voor het aannemen van een urenbeperking, te weten: preventief, verminderde beschikbaarheid in verband met een intensieve behandeling of een verlaagd energie niveau. In zijn rapporten heeft [C.] helder en deugdelijk gemotiveerd dat deze redenen voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking zich bij eiser niet voordoen. Daarbij heeft hij toegelicht dat de klachten die horen bij het ziektebeeld van eiser veelal niet aannemelijk verergeren bij een grote belasting of bij passende arbeid. [C.] neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een ziektebeeld van relatief lichte ernst. De rechtbank kan deze toelichting van [C.] gelet op de beschikbare (medische) informatie in het dossier volgen.
14. Het rapport van verzekeringsarts [B.] dat eiser daar tegenover heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport van [B.] volgt juist dat eiser in februari 2024, de datum in geding in deze zaak, herstellende was van zijn klachten. [B.] beschrijft dat eiser in februari 2024 weer controle over zijn leven ervaarde en ook weer de intentie had om aan het werk te gaan. Na beëindiging van de WIA-uitkering in juli 2025 ontstaat een toename van de klachten, zo volgt ook uit het rapport van [B.] . De rechtbank ziet in het rapport van [B.] dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser op de datum in geding, 27 februari 2024, meer arbeidsongeschikt moet worden geacht. Het enkele feit dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts dichter bij de datum in geding ligt, is geen reden om dat oordeel te moeten volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van zijn rapporten de gezondheidstoestand van eiser op de datum in geding in ogenschouw houdt.
15. De rechtbank overweegt dat [B.] in zijn rapport beschrijft dat de klachten van eiser sinds de beëindiging van de WIA-uitkering zijn toegenomen. De rechtbank kan deze informatie niet betrekken bij de beoordeling in deze zaak. De rechtbank kan in deze zaak alleen beoordelen of het Uwv de belastbaarheid en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op de datum in geding, 27 februari 2024, goed heeft vastgesteld. Als de klachten van eiser na de datum in geding zijn toegenomen dan kan bij hiervoor bij het Uwv een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid doen. Het Uwv moet dan opnieuw een medische en arbeidskundige beoordeling uitvoeren per de datum van deze melding toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Conclusie
16. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv op basis van de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidskundigen terecht heeft vastgesteld dat eiser per 27 februari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht meer heeft op een WIA-uitkering zodat de WIA-uitkering per toekomende datum terecht is beëindigd.
17. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 117 van de WIA.
Zie o.a. de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:37.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4263
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Abalhaj),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: B.E. de Leng).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Herbalife International Netherlands B.V. uit Utrecht
(gemachtigde: mr. M.E.C. van Deursen en mr. N.I. Vink).
Inleiding
1. Eiser werkte sinds 1 november 2021 als [functie] bij Herbalife International Netherlands B.V. (hierna: ex-werkgever) voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 1 maart 2022 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk in verband met diverse psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de wachttijd heeft eiser bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Uit de medische- en arbeidskundige beoordeling volgt dat eiser per einde wachttijd, 27 februari 2024, 93,38% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 3 mei 2024 (het primaire besluit) is aan eiser een WIA-uitkering toegekend.
2. De ex-werkgever van eiser is het niet eens met de toekenning van de WIA-uitkering en maakt hiertegen bezwaar. Ter onderbouwing heeft de ex-werkgever een rapport van verzekeringsarts [A.] van 25 juli 2024 overgelegd. In de bezwaarfase heeft het Uwv opnieuw medisch- en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. Daarbij is medische informatie van de behandelend sector betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is vervolgens vastgesteld op 17,37%. Omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij geen recht meer op een WIA-uitkering. Met de beslissing op bezwaar van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en is de WIA-uitkering van eiser zes weken na de datum van het bestreden besluit per 18 juli 2025 beëindigd.
3. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de WIA-uitkering en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens de ex-werkgever is ook een schriftelijke reactie ingediend.
4. Het beroep van eiser is behandeld op de zitting van 21 juli 2026. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De ex-werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het Uwv in het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht heeft vastgesteld op 17,37% zodat de WIA-uitkering van eiser is beëindigd. De rechtbank gaat daarbij uit van de medische situatie van eiser op 27 februari 2024, de zogenoemde datum in geding. De rechtbank overweegt ten aanzien van de datum in geding volledigheidshalve dat uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat als datum in geding blijft gelden de datum waarop de WIA-uitkering is toegekend, ook wanneer bezwaar tegen de toekenning leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% waardoor de uitkering na afloop van de uitlooptermijn wordt beëindigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gezondheidstoestand van eiser ten tijde van de beëindiging van de WIA-uitkering, op 18 juli 2025, bij de beoordeling in deze zaak te betrekken. Dit zou tot gevolg hebben dat de rechtbank in beroep van een andere datum in geding, en daarmee van andere feiten, uitgaat dan waar de beslissing op bezwaar van het Uwv op is gebaseerd.
6. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische informatie met zijn ex-werkgever te delen. De rechtbank zal de motivering van haar oordeel in deze uitspraak voor zover nodig beperken om te voorkomen dat medische informatie alsnog via de uitspraak openbaar wordt.
7. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de WIA-uitkering. Volgens eiser is hij meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2025. Eiser wijst er daarbij met name op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de eerder aangenomen urenbeperking heeft laten vervallen. Volgens eiser is hij vanwege zeer beperkende psychische klachten en intensieve behandeling in het geheel niet beschikbaar om te werken. Eiser vindt daarom dat er een volledige urenbeperking moet worden aangenomen.
8. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep een rapport overgelegd van 20 mei 2026 van verzekeringsarts [B.] van [bedrijf] . Verzekeringsarts [B.] beschrijft in zijn rapport dat eiser lijdt aan een combinatie van psychische klachten die elkaar mogelijk onderhouden. Het herstel hiervan verloopt veelal in drie fasen: de crisisfase, de probleem- en oplossingsfase en de toepassingsfase. [B.] constateert dat eiser mogelijk ten tijde van de toekenning van de WIA-uitkering in februari 2024 herstellende was van zijn psychische klachten, maar dat het bezwaar van de ex-werkgever en vervolgens de beëindiging van de WIA-uitkering eiser hebben teruggeworpen in de crisisfase. Dit heeft bij eiser geleid tot een psychische terugval waar ten tijde van het onderzoek nog steeds sprake van is. Volgens [B.] is de belastbaarheid van eiser per 18 juli 2025, de datum waarop de WIA-uitkering is beëindigd, daarom verminderd ten opzichte van de situatie zoals beschreven in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2025. Voor de belastbaarheid van eiser op de datum in geding, dat is 27 februari 2024, moet volgens [B.] zoveel mogelijk worden aangesloten bij het oordeel van de primaire verzekeringsarts in het rapport van 13 juli 2023. Voor de urenbeperking betekent dit volgens [B.] dat eiser op de datum in geding 4 uur per dag, 5 dagen per week belastbaar is.
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv, [C.] , heeft met zijn rapport van 5 juni 2026 gereageerd op het door eiser ingebrachte rapport van [B.] . Verzekeringsarts [C.] volgt de overwegingen en conclusies uit het rapport van [B.] niet. [C.] overweegt in zijn rapport dat hoewel de klachten van eiser alle van psychogene oorsprong zijn, eiser ook een aantal onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten heeft. [C.] blijft daarom bij de door hem eerder uitgesproken diagnose. Volgens [C.] zijn er in de diverse rapporten discrepanties vast te stellen in de wijze waarop eiser zich uit. Hierdoor wordt het vaststellen van de belastbaarheid bemoeilijkt. Gelet op de door [C.] voorgestane diagnose en de daarbij horende klachten volgt hij [B.] niet in zijn conclusie dat eiser meer beperkt is. [C.] blijft bij de belastbaarheid zoals door hem is vastgesteld in de FML van 13 maart 2025. Voor de omvang van de urenbeperking betekent dit dat eiser gemiddeld 8 uur per dag, 40 uur per week kan werken.
10. De ex-werkgever heeft een aanvullende reactie ingediend. Daarin heeft de ex-werkgever zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het rapport van [B.] geen nieuwe objectiveerbare medische informatie bevat die aanleiding is om op de datum in geding voor eiser meer beperkingen aan te nemen. De ex-werkgever sluit zich voor het overige aan bij de inhoud van het rapport van [C.] van 5 juni 2026.
11. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
12. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
- op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- geen tegenstrijdigheden bevatten; en
- voldoende begrijpelijk zijn.
Als eiser tegen de rapporten van de verzekeringsartsen wil opkomen, dan moet hij wel aanvoeren en zo nodig aannemelijk maken dat de medische rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Daarvoor is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
13. De rechtbank overweegt dat het Uwv zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep [C.] van 13 maart 2025 en zijn aanvullende rapporten van 1 december 2025 en 5 juni 2026. De rechtbank kan de overwegingen en conclusies in de rapporten van [C.] volgen. [C.] overweegt in zijn rapporten steeds dat er geen aanleiding is om voor eiser een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Daarbij overweegt hij dat er drie verzekeringsgeneeskundige redenen kunnen zijn voor het aannemen van een urenbeperking, te weten: preventief, verminderde beschikbaarheid in verband met een intensieve behandeling of een verlaagd energie niveau. In zijn rapporten heeft [C.] helder en deugdelijk gemotiveerd dat deze redenen voor het aannemen van een verdergaande urenbeperking zich bij eiser niet voordoen. Daarbij heeft hij toegelicht dat de klachten die horen bij het ziektebeeld van eiser veelal niet aannemelijk verergeren bij een grote belasting of bij passende arbeid. [C.] neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een ziektebeeld van relatief lichte ernst. De rechtbank kan deze toelichting van [C.] gelet op de beschikbare (medische) informatie in het dossier volgen.
14. Het rapport van verzekeringsarts [B.] dat eiser daar tegenover heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport van [B.] volgt juist dat eiser in februari 2024, de datum in geding in deze zaak, herstellende was van zijn klachten. [B.] beschrijft dat eiser in februari 2024 weer controle over zijn leven ervaarde en ook weer de intentie had om aan het werk te gaan. Na beëindiging van de WIA-uitkering in juli 2025 ontstaat een toename van de klachten, zo volgt ook uit het rapport van [B.] . De rechtbank ziet in het rapport van [B.] dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser op de datum in geding, 27 februari 2024, meer arbeidsongeschikt moet worden geacht. Het enkele feit dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts dichter bij de datum in geding ligt, is geen reden om dat oordeel te moeten volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van zijn rapporten de gezondheidstoestand van eiser op de datum in geding in ogenschouw houdt.
15. De rechtbank overweegt dat [B.] in zijn rapport beschrijft dat de klachten van eiser sinds de beëindiging van de WIA-uitkering zijn toegenomen. De rechtbank kan deze informatie niet betrekken bij de beoordeling in deze zaak. De rechtbank kan in deze zaak alleen beoordelen of het Uwv de belastbaarheid en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op de datum in geding, 27 februari 2024, goed heeft vastgesteld. Als de klachten van eiser na de datum in geding zijn toegenomen dan kan bij hiervoor bij het Uwv een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid doen. Het Uwv moet dan opnieuw een medische en arbeidskundige beoordeling uitvoeren per de datum van deze melding toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Conclusie
16. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv op basis van de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidskundigen terecht heeft vastgesteld dat eiser per 27 februari 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht meer heeft op een WIA-uitkering zodat de WIA-uitkering per toekomende datum terecht is beëindigd.
17. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 117 van de WIA.
Zie o.a. de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:37.