Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6444

2026-09-09 Civiel recht C/16/608825 / HA ZA 26-154
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/608825 / HA ZA 26-154
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzetprocedure. Schadevergoeding als gevolg van ontbinding van overeenkomst. Beroep op contractuele boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.603 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/608825 / HA ZA 26-154




Vonnis in verzet van 9 september 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[geopposeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
(oorspronkelijk) eiseres,
gedaagde in het verzet,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
advocaat: mr. J.E.W. Swartjes,



tegen





[opposant]
,
wonend in [woonplaats] ,
(oorspronkelijk) gedaagde,
eiser in het verzet,
hierna te noemen: [opposant] ,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh.






1De procedure


1.1

De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- het door deze rechtbank gewezen verstekvonnis van 28 januari 2026 met zaaknummer C/16/604167 / HA ZA 25-622 en de daarin genoemde stukken; - de verzetdagvaarding van 18 maart 2026 met producties 1 t/m 5.




1.2
Op 5 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [geopposeerde] waren de heer [A] en mevrouw [B] (bestuurders van [geopposeerde] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Swartjes. [opposant] was aanwezig met zijn ouders (mevrouw [C] en de heer [D] ) en zijn ex-vrouw, bijgestaan door mr. de Jongh. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.



1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 16 september 2026 uitspraak wordt gedaan. De uitspraak is eerder klaar en volgt daarom bij vervroeging op 9 september 2026. Partijen hebben op zitting al gezegd met een eerdere uitspraak in te stemmen.








2De kern van de zaak


2.1
Partijen hebben in 2022 een franchiseovereenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar. Op basis van die overeenkomst heeft [opposant] rijlessen gegeven onder de naam van [geopposeerde] . In oktober 2024 heeft [opposant] laten weten te stoppen met het geven van rijles. Daarna heeft [geopposeerde] de overeenkomst op 31 december 2024 ontbonden. [geopposeerde] wil dat [opposant] een schadevergoeding en een boete aan haar betaalt. Daarom heeft zij op 28 oktober 2025 [opposant] gedagvaard, maar [opposant] is in die procedure niet verschenen. In het vonnis van 28 januari 2026 is [opposant] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 86.950,-. Dit bedrag is een schadevergoeding voor de gemiste franchisefees. De vordering tot betaling van de boete is afgewezen. [opposant] is in verzet gegaan tegen het verstekvonnis en vordert vernietiging van het verstekvonnis. De rechtbank oordeelt dat het verstekvonnis deels wordt vernietigd en deels wordt bekrachtigd.





3De beoordeling


3.1
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld. Het staat vast dat [opposant] met het betekeningsexploot van 19 februari 2026 bekend is geworden met het verstekvonnis. [opposant] heeft hierna binnen vier weken zijn verzetdagvaarding laten betekenen (18 maart 2026).




[geopposeerde] heeft geen onderzoeksplicht geschonden





3.2
Tussen partijen staat wel vast dat [opposant] niet in staat is gebleken om goed invulling te geven aan de op hem rustende verplichtingen als franchisenemer. De verantwoordelijkheden van het ondernemerschap bleek hij niet te kunnen dragen. [opposant] stelt dat [geopposeerde] voor het aangaan van de overeenkomst een onderzoeksplicht had om te beoordelen of [opposant] een geschikte kandidaat was om de franchiseovereenkomst mee te sluiten. Volgens [opposant] heeft [geopposeerde] hier niet aan voldaan. [opposant] had namelijk geen relevante ervaring als rijinstructeur, beschikte nog niet over de vereiste diploma’s en hij had een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de diagnose PDD-NOS. Maar de rechtbank oordeelt dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat [geopposeerde] een onderzoeksplicht heeft geschonden en dat zij de overeenkomst met [opposant] niet had mogen sluiten.



3.3
Mevrouw [B] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [geopposeerde] voornamelijk overeenkomsten sluit met startende rijinstructeurs die nog geen diploma hebben. Een voorwaarde voor het starten van de overeenkomst is dat het rijinstructeur-diploma behaald moet worden. Het staat vast dat [opposant] uiteindelijk zijn diploma tot rijinstructeur heeft behaald en daarna is pas is begonnen met het geven van rijlessen. Ook heeft mevrouw [B] verklaard dat zij namens [geopposeerde] voor het sluiten van de overeenkomst meerdere gesprekken heeft gevoerd met [opposant] . Tijdens die gesprekken kwam [opposant] over als een geschikte kandidaat om de overeenkomst mee te sluiten. Uit die gesprekken kwam naar voren dat [opposant] gemotiveerd was. Hij had plannen om samen met zijn zwager rijlessen te geven en mogelijk in de toekomst deze lessen wilde uitbreiden met motor- en aanhangerlessen. Als laatste beoordeling heeft de accountant van [geopposeerde] een financieel onderzoek naar [opposant] uitgevoerd. Uit dit financiële onderzoek kwamen geen bijzonderheden naar voren. De accountant gaf juist groen licht om de overeenkomst met [opposant] aan te gaan.



3.4
Zelfs als [geopposeerde] wist dat [opposant] een uitkering of een stoornis had, betekent dat niet meteen dat [opposant] ongeschikt is om als rijinstructeur aan de slag te gaan. [geopposeerde] heeft er zelf ook geen belang bij om iemand aan te stellen als rijinstructeur van haar franchise, als diegene niet functioneert. Dat schaadt de goede naam van de franchise van [geopposeerde] . Gelet op het bovenstaande was er voor [geopposeerde] dus geen reden om te moeten afzien van het sluiten van de franchiseovereenkomst met [opposant] en heeft zij geen onderzoeksplicht geschonden.



Er is niet afgesproken dat [opposant] € 86.950,- betaalt aan [geopposeerde]





3.5
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [opposant] in oktober 2024 gestopt is met het geven van rijlessen en dat [geopposeerde] de overeenkomst op 31 december 2024 heeft ontbonden. [geopposeerde] stelt dat zij met [opposant] een afspraak heeft gemaakt voor het geval [opposant] zou stoppen met het geven van rijlessen. [geopposeerde] verwijst voor deze afspraak naar haar e-mail van 12 oktober 2024 waarin zij de volgende twee opties heeft voorgesteld aan [opposant] :




De franchiseovereenkomst wordt tussentijds beëindigd met de voorwaarde dat de nog resterende maanden franchisefee worden afgekocht tot het einde van de looptijd van de franchiseovereenkomst. Dit bedrag kwam uit op € 86.950,-. De afbetaling kan door het volledige bedrag ineens te betalen of via een hypothecaire lening waardoor het volledige bedrag in kleinere termijnen betaald kan worden.




De franchiseovereenkomst wordt gepauzeerd en in die periode mag [opposant] geen rijles verzorgen en hoeft hij geen franchisefee te betalen. De gepauzeerde maanden moeten later worden ingehaald.





Op de e-mail van [geopposeerde] heeft de moeder van [opposant] gereageerd. In haar e-mail van 13 oktober 2024 heeft zij medegedeeld dat [opposant] per direct stopt met het geven van rijlessen, maar deze reactie betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [opposant] akkoord is gegaan met het betalen van € 86.950,- aan [geopposeerde] .




3.6
Uit de e-mail van de moeder van [opposant] blijkt ook dat zij dat punt in de e-mail van [geopposeerde] niet op die manier had begrepen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder van [opposant] verklaard dat zij dacht dat het ging om betaling van de rijschoolleerlingen die door het stoppen van [opposant] geen rijlessen meer kregen. Dit heeft zij ook betaald. Zij had niet begrepen dat het ging over de nog te betalen franchisefees voor de komende 3,5 jaar. De moeder van [opposant] heeft in haar reactie een voorbehoud gemaakt over de betaling van dat bedrag. Zij vroeg om hoeveel termijnen voor de termijnbetalingen het ging, wat het bedrag per termijn was en of de termijnbetaling aan het begin of aan het eind van de maand betaald moest worden. Op de e-mail van de moeder van [opposant] heeft [geopposeerde] niet gereageerd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat er sprake is van een afspraak tussen [opposant] en [geopposeerde] om € 86.950,- aan [geopposeerde] te betalen als compensatie voor het eindigen van de franchiseovereenkomst.




[opposant] moet een schadevergoeding betalen aan [geopposeerde]





3.7
Dat er geen afspraak is gemaakt om € 86.950,- aan [geopposeerde] te betalen, betekent niet dat [opposant] niets aan [geopposeerde] hoeft te betalen. Het staat vast dat [opposant] in de periode tussen 12 oktober 2024 en de ontbinding van de overeenkomst op 31 december 2024 geen franchisefees heeft betaald. Deze franchisefees moet [opposant] aan [geopposeerde] betalen, want de ontbinding van de overeenkomst heeft geen terugwerkende kracht. Pas na de ontbinding zijn partijen bevrijdt van de verbintenissen uit de overeenkomst, zoals het betalen van de maandelijkse franchisefee. Op grond van de overeenkomst moest [opposant] maandelijks € 1.850,- aan franchisefee betalen. Dus in totaal moet [opposant] € 5.550,- (3 x € 1.850,-) aan [geopposeerde] betalen.



3.8
Naast het betalen van de franchisefee voor drie maanden, wil [geopposeerde] dat [opposant] de franchisefees voor de volledige duur van de overeenkomst betaalt. Dit is schade die [geopposeerde] stelt lijdt als gevolg van de ontbinding in de vorm van winstderving, want wanneer de overeenkomst niet was ontbonden moest [opposant] de maandelijkse franchisefees betalen. In totaal heeft [geopposeerde] haar schade vastgesteld op € 86.950,-. Dit bedrag bestaat uit de niet betaalde franchisefees van 2024 en de gemiste franchisefees tot 31 juli 2028. [opposant] betwist dat hij de gemiste franchisefees tot augustus 2028 moet betalen, want de overeenkomst zou al op 31 augustus 2027 eindigen. Volgens [opposant] is de overeenkomst op 1 september 2022 aangegaan, maar de rechtbank gaat hier niet in mee. Het startpunt van de overeenkomst is het moment waarop [opposant] is begonnen met het geven van rijlessen en het betalen van de maandelijkse franchisefee. Het staat vast dat dit 1 augustus 2023 is. Daarom zou de overeenkomst op 31 juli 2028 eindigen.



3.9
Het bovenstaande betekent echter niet dat [geopposeerde] recht heeft op een schadevergoeding in de vorm van de gemiste franchisefees tot en met 31 juli 2028. Ten eerste moeten de kosten die [geopposeerde] niet meer hoeft te maken door de ontbinding van de overeenkomst van de schade worden afgetrokken. Ten tweede hoeft [opposant] niet de gemiste franchisefees tot en met 31 juli 2028, maar tot en met 31 augustus 2026 te betalen.



3.10
Het staat vast dat [geopposeerde] door de ontbinding van de overeenkomst geen kosten meer hoeft te maken voor [opposant] die zij anders wel had moeten maken. De rechtbank stelt de hoogte van deze kosten vast op € 14.000,-, want dit volgt uit de verklaring van mevrouw [B] op de zitting. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [geopposeerde] kosten heeft bespaard door de ontbinding van de overeenkomst en dat de totale hoogte daarvan ongeveer € 14.000,- is. [opposant] heeft deze gestelde kosten tijdens de mondelinge behandeling niet gemotiveerd betwist. Ook niet in zijn stukken. [opposant] heeft alleen in zijn stukken verwezen naar de kosten van [geopposeerde] die hij voor het begin van de overeenkomst aan [geopposeerde] heeft betaald: € 6.500,-. Dit zijn echter specifieke kosten die [geopposeerde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gemaakt. Het gaat dan met name om kosten voor de voorgesprekken, het onderzoek en reclame. Dat zijn kosten die aan de voorkant worden gemaakt en geen kosten die tijdens de overeenkomst worden gemaakt. Daarom houdt de rechtbank vast aan de door [geopposeerde] gestelde € 14.000,- aan kosten die zijn bespaard. Dit bedrag wordt afgetrokken van de gevorderde schadevergoeding.



3.11
Naast de kosten die [geopposeerde] heeft bespaard, heeft [geopposeerde] haar schade beperkt door een nieuwe rijinstructeur te laten starten in het gebied waar [opposant] les gaf. [opposant] heeft verklaard dat hij op de website van [geopposeerde] een nieuwe rijinstructeur heeft zien staan in zijn lesgebied en dat het mogelijk was om lessen bij deze rijinstructeur in te boeken. Volgens [opposant] is deze nieuwe rijinstructeur al een tijd begonnen, maar dit is door [geopposeerde] gemotiveerd betwist. [geopposeerde] erkent dat er een nieuwe rijinstructeur in het gebied van [opposant] aan de slag gaat, maar per 1 september 2026. Het klopt dat het mogelijk is om lessen bij deze rijinstructeur te boeken, per 1 september 2026. Hierop heeft [opposant] niet gereageerd waardoor vast is komen te staan dat [geopposeerde] per 1 september 2026 voor het gebied van [opposant] weer een franchisenemer heeft. Van deze nieuwe franchisenemer ontvangt [geopposeerde] de maandelijkse franchisefee, de franchisefee die zij anders van [opposant] zou ontvangen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van winstderving tot september 2026.



3.12

[geopposeerde] heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat de nieuwe rijinstructeur geen vervanger is voor [opposant] . Volgens [geopposeerde] was het de bedoeling dat er drie franchisenemers in het gebied actief waren en is de nieuwe franchisenemer een aanvulling op het aanbod van rijinstructeurs. Het is echter niet gebleken dat [geopposeerde] werk zou hebben voor drie rijinstructeurs in plaats van twee in dat gebied. [geopposeerde] heeft niet onderbouwd dat zij in de periode van 2023 tot september 2026 zoveel lesaanvragen had voor drie franchisenemers en dat die lesaanvragen onvervuld zijn gebleven omdat [geopposeerde] te weinig franchisenemers actief had in het gebied van [opposant] . Het is dus niet komen vast te staan dat het nodig was om drie rijinstructeurs actief te hebben in dat gebied. De nieuwe rijinstructeur per september 2026 wordt daarom gezien als een vervanger voor [opposant] en er is sprake van winstderving tot september 2026. Voor het contracteren van de vervanger van [opposant] heeft [geopposeerde] wel kosten moeten maken. Dit zijn dezelfde kosten die zij voor [opposant] heeft gemaakt voor het starten van de overeenkomst, oftewel € 6.500,-. Dit is schade die [geopposeerde] niet had hoeven maken als de overeenkomst niet was ontbonden en moet door [opposant] worden vergoed.



3.13
Gelet op het bovenstaande is de conclusie dat [opposant] het volgende bedrag aan schadevergoeding aan [geopposeerde] moet betalen vanwege de gemiste franchisefees tot september 2026:


Gevorderde schadevergoeding € 86.950,-


Niet gemaakte kosten € 14.000,-


Franchisefee september 2026 t/m juli 2028 € 42.550,- -




Totaal € 30.400,-


Kosten voor de vervanger van [opposant] € 6.500,- +



Totaal € 36.900,-




3.14
Over de toegewezen schadevergoeding moet [opposant] de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW betalen vanaf 28 oktober 2025, de datum van de dagvaarding.




[opposant] hoeft geen boete te betalen





3.15
Naast de schadevergoeding voor de gemiste franchisefees, vordert [geopposeerde] betaling van de contractuele boete. In artikel 16 lid 5 van de franchiseovereenkomst staat dat de franchisenemer, [opposant] , een boete is verschuldigd van € 10.000,- per overtreding, vermeerderd met € 1.000,- per dag voor elke dag dat de franchisenemer in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-. [geopposeerde] heeft [opposant] op 14 maart 2025 aangemaand om binnen 14 dagen zaken aan haar terug te sturen en [opposant] heeft pas op 16 juni 2025 laten weten dat de materialen onderweg zijn. [geopposeerde] stelt dat [opposant] daardoor de eenmalige boete van € 10.000,- en daarna dagelijks € 1.000,- per dag aan boetes verschuldigd is, tot aan het maximum van € 50.000,-. In het verstekvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [geopposeerde] op het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en zij houdt vast aan dat oordeel.



3.16
Het klopt dat er sprake is van een zakelijke overeenkomst en dat het partijen vrij staat om een boetebeding in een overeenkomst op te nemen. Het boetebeding kan een prikkel zijn voor de franchisenemer om op tijd zaken aan [geopposeerde] terug te geven, zodat de franchisenemer niet gebruik blijft maken van de zaken door bijvoorbeeld rond te blijven rijden met stickers van [geopposeerde] of het les-bord op de auto. Ook loopt [geopposeerde] dan niet het risico dat zij schade lijdt doordat de franchisenemer voor zichzelf lessen gaat geven met behulp van de niet teruggegeven lesmaterialen. Maar in bepaalde omstandigheden kan het onaanvaardbaar zijn om een beroep te doen op zo’n boetebeding en dat is hier het geval. [geopposeerde] heeft in de situatie met [opposant] niet gemotiveerd onderbouwd dat er een kans was dat [opposant] onder de noemer van [geopposeerde] door zou gaan met het geven van rijlessen of rond zou rijden met [geopposeerde] -stickers. Uit de e-mail van de moeder van [opposant] van 13 oktober 2024 blijkt duidelijk dat [opposant] uit eigen beweging per direct ging stoppen met het geven van rijlessen. Het lag niet in de verwachting dat [opposant] op korte of lange termijn weer zou beginnen met het geven van rijlessen. [geopposeerde] liep daardoor niet het risico dat [opposant] met de zaken van [geopposeerde] enige rijleswerkzaamheden weer zou oppakken en [geopposeerde] daarmee schade zou toebrengen.



3.17
De conclusie is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geopposeerde] een beroep doet op het boetebeding in de franchiseovereenkomst. Naar aanleiding van de overweging in het verstekvonnis heeft [geopposeerde] niet gesteld dat zij enig nadeel heeft ondervonden doordat [opposant] de zaken niet op tijd heeft teruggegeven of dat [opposant] daar enig voordeel van heeft genoten. [opposant] hoeft daarom de gevorderde boete van € 60.000,- niet te betalen.




[opposant] moet de kosten van [geopposeerde] betalen





3.18

[geopposeerde] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. In het verstekvonnis is [opposant] veroordeeld tot het betalen van € 1.644,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is aan de hand van de toegewezen hoofdsom vastgesteld, maar omdat in deze verzetprocedure een lagere hoofdsom wordt toegewezen dan in de verstekprocedure moet het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden aangepast. De buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar tot € 1.144,- , het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom.



3.19
In het verstekvonnis is [opposant] veroordeeld tot betaling van de beslagkosten van [geopposeerde] . Tegen deze beslissing is [opposant] niet in verzet gegaan en gelet op het voorgaande is het beslag niet onnodig geweest. Daarom blijft deze beslissing van kracht.




[opposant] moet de proceskosten betalen





3.20
Omdat [geopposeerde] grotendeels gelijk heeft gekregen wordt [opposant] in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat [opposant] de proceskosten in de verstek- en in de verzetprocedure (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskostenveroordeling uit het verstekvonnis (inclusief nakosten) blijft in stand. De kosten van [geopposeerde] van de verzetprocedure worden begroot op:
- salaris advocaat € 836,- (1 punt x € 836,-)
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.025,-


Het salaris advocaat is in deze verzetprocedure lager dan het salarisadvocaat in de verstekprocedure omdat in de verzetprocedure een lagere schadevergoeding wordt toegewezen dan in de verstekprocedure en daarvoor een ander tarief geldt. Dit is tarief III in plaats van tarief IV.




Het verstekvonnis wordt deels vernietigd





3.21
Op grond van wat hierboven is overwogen en geoordeeld, wordt het verstekvonnis van 28 januari 2026 gedeeltelijk bekrachtigd en gedeeltelijk vernietigd. Er worden nadere beslissingen gegeven, zoals hieronder in de beslissing staat.





4De beslissing


De rechtbank



4.1
verklaart [opposant] ontvankelijk in het verzet,



4.2
bekrachtigt het verstekvonnis van 28 januari 2026 met zaaknummer C/16/604167 / HA ZA 25-622 voor zover daarbij:



[opposant] is veroordeeld om aan [geopposeerde] te betalen € 2.292,03 aan beslagkosten vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



[opposant] is veroordeeld in de proceskosten van de verstekprocedure (inclusief de nakosten) van € 7.659,21 en de kosten van betekening van het verstekvonnis,


het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard,





4.3
vernietigt het verstekvonnis van 28 januari 2026 met zaaknummer C/16/604167 / HA ZA 25-622, voor het overige;


en opnieuw beslissend:




4.4
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 36.900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 28 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,



4.5
veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.144,- aan buitengerechtelijke incassokosten,



4.6
veroordeelt [opposant] in de kosten van de verzetprocedure van € 1.025,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.7
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 9 september 2026.














































5718 (MM)



Artikel 6:269 BW.


Artikel 6:277 BW.


Artikel 6:100 BW.


23 maanden x € 1.850,-.