Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6442
2026-09-09
Civiel recht
C/16/575358 / HA ZA 24-264
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Burengeschil. Eindvonnis na deskundigenbericht. Gedaagden moeten opbouw zodanig aanpassen dat geen sprake meer is van 'nadeel' zoals bedoeld in artikel 5:67 lid 1 BW.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2003:AN8478 Hoge Raad 05-12-2003
- ECLI:NL:HR:2025:1761 Hoge Raad 28-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.449 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/575358 / HA ZA 24-264
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. V.O. Agterberg,
tegen
1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,
advocaat: mr. M. Zwennes.
1De procedure
1.1
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het laatste tussenvonnis van 5 maart 2025, waarin de hoogte van het voorschot voor de deskundige is vastgesteld.
1.2
Na het tussenvonnis van 15 januari 2025, waarin de heer ir. G.W.N. Jol als deskundige is benoemd (hierna: de deskundige), zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
het deskundigenbericht met vier bijlagen van 30 september 2025;
de akte uitlating na deskundigenbericht met aanvullende producties 60 t/m 64, tevens akte wijziging van eis van [eiseres] van 5 november 2025;
de akte uitlating na deskundigenbericht met aanvullende productie 11, tevens antwoord akte wijziging van eis van [gedaagde sub 1] c.s. van 3 december 2025;
de akte van 17 december 2025 uitlaten productie 11 van [gedaagde sub 1] c.s;
de akte van 4 maart 2026 met aanvullende producties 65 en 66 van [eiseres] .
1.3
Daarna heeft de rechter besloten dat er nog een mondelinge behandeling nodig was om het deskundigenbericht met partijen en de deskundige te bespreken. Die mondelinge behandeling, waarvan een geluidsopname is gemaakt, vond plaats op 11 mei 2026.
1.4
De rechter heeft vervolgens bepaald dat de deskundige paragraaf 8.9 en 8.10 van het deskundigenbericht moet aanvullen. Na de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 zijn daarom nog de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
de aanvulling op het deskundigenbericht van 15 juni 2026,
de akte uitlating aanvulling deskundigenbericht van [eiseres] van 8 juli 2026 en
de akte uitlating aanvulling deskundigenbericht met twee bijlagen van [gedaagde sub 1] c.s. van 8 juli 2026.
Op 13 mei 2026 heeft [eiseres] nog een akte eiswijziging ingediend, maar die heeft de rechtbank niet meer toegestaan. Hierover zijn partijen op diezelfde datum geïnformeerd.
1.5
Vervolgens is bepaald dat er op 19 augustus 2026 vonnis zou worden gewezen. Door de vakantieperiode is dat iets later geworden.
2De kern van dit vonnis
2.1
[gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] zijn buren. [gedaagde sub 1] c.s. hebben een opbouw op hun woning geplaatst. [eiseres] wil dat [gedaagde sub 1] c.s. die opbouw (primair) verwijderen of (subsidiair) aanpassen. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering toe en de primaire vordering af. De opbouw is namelijk te zwaar voor de gezamenlijke fundering. [gedaagde sub 1] c.s. moeten de opbouw daarom aanpassen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat dit praktisch voor [gedaagde sub 1] c.s. betekent.
3De achtergrond van het geschil
3.1
[eiseres] verwijt [gedaagde sub 1] c.s. dat zij hun opbouw over de mandelige muur en over de erfgrens hebben gebouwd. [eiseres] stelt dat de volledige gezamenlijke fundering in beslag is genomen en [eiseres] geen soortgelijke opbouw kan plaatsen. [eiseres] wil daarom dat de opbouw wordt afgebroken of dat de opbouw zo wordt aangepast dat er niet langer een inbreuk op haar rechten wordt gemaakt. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is het hart van de mandelige muur aangehouden. Mocht toch sprake zijn van een overschrijding, dan rechtvaardigt dit volgens hen geenszins de afbraak of aanpassing van de opbouw.
3.2
De rechtbank heeft in het tussenvonnis 15 januari 2025 een deskundige benoemd. De rechtbank kon namelijk niet vaststellen of de opbouw over de helft van de mandelige muur is gebouwd en of de opbouw zorgt voor nadeel bij [eiseres] . De deskundige heeft onderzoek gedaan en heeft op 30 september 2025 zijn definitieve deskundigenbericht ingediend.
3.3
Het deskundigenbericht is helder voor wat betreft de vraag of over de helft van de mandelige muur is heen gebouwd. Toch heeft de rechter besloten dat er nog een mondelinge behandeling nodig was om het deskundigenbericht met partijen en de deskundige te bespreken. Uit het deskundigenbericht blijkt namelijk dat de opbouw van [gedaagde sub 1] c.s. de mandelige muur en fundering teveel belast. Maar uit de reactie van [gedaagde sub 1] c.s. begreep de rechtbank dat de daadwerkelijk gebouwde dakopbouw op een aantal punten afwijkt van het ontwerp waarvan de deskundige is uitgegaan en dat de dakopbouw in werkelijkheid lichter zou kunnen zijn dan de deskundige heeft aangenomen. Hierover had de rechter vragen. Die vragen zijn tijdens de mondelinge behandeling van 11 mei 2026 besproken.
3.4
De rechter heeft daarna aan de deskundige gevraagd om zijn deskundigenbericht aan te vullen met een analyse waarin hij uitgaat van de gerealiseerde dakopbouw die op de volgende drie punten afwijkt van het ontwerp:
de opbouw steunt wel op de binnenlangsmuur,
er ligt geen sedumdak op de opbouw en
er is geen gebruik gemaakt van stalen raamwerken.
3.5
Die aanvulling heeft de deskundige op 15 juni 2026 aangeleverd. Partijen hebben daar nog op kunnen reageren.
4De verdere beoordeling
Beoordeling deskundigenbericht: het toetsingskader
4.1
Als de deskundige de aan hem voorgelegde vragen op overtuigende wijze, consistent en deugdelijk gemotiveerd heeft beantwoord, kan de rechtbank die conclusies overnemen. De rechtbank hoeft alleen op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundige in te gaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, r.o. 3.6).
4.2
Pas als sprake is van een objectieve onjuistheid, een onlogische redenering of een redenering die in redelijkheid niet de conclusie van de deskundige kan dragen, is er reden voor vragen aan de deskundige of om af te wijken van het deskundigenbericht. Dat de deskundige tot een ander oordeel komt dan een partij of partijdeskundige betekent niet dat de deskundige in redelijkheid niet tot zijn standpunt heeft kunnen komen. De deskundige is immers juist benoemd omdat partijen het niet met elkaar eens zijn over onderwerpen die op zijn vakgebied liggen. Daarmee is gegeven dat het standpunt van (in ieder geval) één van de partijen niet hetzelfde is als het oordeel van de deskundige.
[gedaagde sub 1] c.s. handelen onrechtmatig
Wat vindt de deskundige?
4.3
De deskundige komt, voor wat betreft de eerste vraag, tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. niet over de helft van de mandelige scheidsmuur hebben gebouwd. Volgens de deskundige wordt de (gezamenlijke) fundering wel te zwaar belast door de opbouw van [gedaagde sub 1] c.s. De opbouw kan volgens de deskundige worden aangepast zodat deze niet meer te zwaar is. Daarvoor is in ieder geval nodig dat de verhoogde gemetselde schoorsteen wordt vervangen door een licht en geschoorde metalen schoorsteen. Als [eiseres] ook een opbouw op haar huis wil plaatsen dan moeten [gedaagde sub 1] c.s. ook het metselwerk aan de rechterzijde van de huidige opbouw verwijderen en vervangen door een lichte geveltoepassing.
Wat oordeelt de rechtbank daarover?
4.4
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over. De conclusies van de deskundige zijn namelijk zorgvuldig onderbouwd en deze conclusies vloeien voort uit de door hem in het deskundigenrapport en de aanvulling daarop vermelde gegevens en zijn daarmee voldoende begrijpelijk.
4.5
Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig handelen. Hoewel zij niet over de helft van de mandelige muur hebben gebouwd, hebben zij wél nadeel toegebracht aan die muur en de daaraan verbonden werken. De opbouw belast de gezamenlijke fundering immers teveel. En op grond van artikel 5:67 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het niet toegestaan om dergelijk nadeel toe te brengen (zie rechtsoverweging 3.4 van het tussenvonnis van 13 november 2024).
4.6
De door [eiseres] aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht vormen geen aanleiding om daarvan af te wijken. In de eerste plaats maakt [eiseres] bezwaar tegen het feit dat de deskundige rekening houdt met twee positieve aannames, namelijk de aanname dat (i) sprake is van grondverbetering en (ii) dat steungrond aanwezig is. Volgens [eiseres] mocht de deskundige hier niet van uitgaan. Dit betekent – volgens [eiseres] – dat de funderingsdruk hoger is dan de druk waar de deskundige vanuit gaat. De door de deskundige voorgestelde aanpassingen zijn volgens [eiseres] daarom onvoldoende.
4.7
Dit bezwaar vormt geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. De deskundige heeft toegelicht dat het hij bij de opname ter plaatste geen opvallende scheurvorming heeft geconstateerd waardoor hij die aannames kon maken. De rechtbank vertrouwt hier op het oordeel van de deskundige.
4.8
Het tweede bezwaar dat [eiseres] maakt, houdt in dat de deskundige volgens haar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] c.s. een muur in hun keuken hebben verwijderd, waardoor de binnenlangsmuur van de bovenste verdieping zwevend is geworden. Dit betekent – volgens [eiseres] – dat de funderingsdruk hoger is dan de druk waar de deskundige vanuit gaat.
4.9
Ook dit bezwaar vormt geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. Dit standpunt heeft [eiseres] ingenomen (lang) nadat de deskundige zijn definitieve deskundigenbericht had opgeleverd, namelijk pas in haar akte van 4 maart 2026. En dit is te laat. Nog los daarvan, [eiseres] heeft niet toegelicht om welke muur het precies gaat en waaruit blijkt dat de deskundige er (ten onrechte) vanuit gaat dat die muur wél aanwezig is. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar standpunt alleen een foto overgelegd van het keukenraam van haar buren die zij kennelijk heeft gemaakt vanuit haar eigen achtertuin. Van een voldoende gemotiveerde betwisting is daarom geen sprake.
4.10
Ook de door [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht vormen geen aanleiding om daarvan af te wijken. Volgens de door hun ingeschakelde deskundige ( [onderneming] ) is de opbouw in werkelijkheid minder zwaar. Maar in dit stadium is er geen ruimte meer om te discussiëren over welke elementen en in welke mate wel of niet moeten worden meegewogen in de berekening van de funderingsdruk. Die discussie is immers al uitgebreid gevoerd tijdens de (laatste) mondelinge behandeling op 11 mei 2026. Een discussie over hoe dik het grind daadwerkelijk is, hoeveel sneeuw er kan vallen op het dak en wat het gewicht van de gevel is, laat staan een plaatsopneming, is daarom in dit stadium niet meer aan de orde.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de opbouw aanpassen
4.11
[eiseres] vordert primair dat [gedaagde sub 1] c.s. hun opbouw moeten verwijderen. Die vordering wijst de rechtbank af. Het nadeel dat [eiseres] door de opbouw lijdt, kan immers op een (veel) minder verstrekkende manier worden opgelost. Namelijk door de opbouw aan te passen zoals hierna wordt toegelicht.
4.12
[eiseres] vordert subsidiair dat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw zodanig moeten (her)plaatsen dat die opbouw niet meer rust en/of kracht uitoefent en/of is aangebracht op de gemeenschappelijke muur en fundering. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] hiermee (ook) het mindere bedoelt, namelijk dat de opbouw dusdanig wordt aangepast dat die opbouw de gemeenschappelijke muur en fundering niet meer teveel belast.
4.13
Die vordering wijst de rechtbank toe. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw moeten aanpassen, dusdanig dat [eiseres] ook een soortgelijke opbouw op haar woning kan plaatsen. Bij een mandelige muur mag de mede-eigenaar namelijk niet het gebruik van de hele muur en fundering claimen. [gedaagde sub 1] c.s. moeten het gebruik van die muur en fundering met andere woorden delen met [eiseres] . Het doet er niet toe dat [eiseres] op dit moment geen concrete plannen heeft om een opbouw te plaatsen. Het gaat erom dat zij die mogelijkheid heeft en houdt.
4.14
Dit betekent concreet dat [gedaagde sub 1] c.s. het metselwerk aan de rechterzijde van de huidige opbouw en de verhoogde gemetselde schoorsteen moeten verwijderen. Daarvoor in de plaats moet een lichte geveltoepassing komen en een lichte en geschoorde metalen schoorsteen op de oorspronkelijke lage bovendaks schoorsteen.
4.15
Het spreekt voor zich dat [eiseres] de eventueel met de vervanging gepaard gaande overlast moet dulden.
4.16
De deskundige raadt daarnaast ook aan om ook het voorgevelmetselwerk van de opbouw te verwijderen. Maar tot die aanpassing worden [gedaagde sub 1] c.s. niet veroordeeld. Immers, de aanpassingen zoals hiervoor genoemd, leiden volgens de deskundige al tot een situatie waarin geen sprake meer is van een te zware belasting op de fundering als [eiseres] een soortgelijke opbouw plaatst.
4.17
Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zou het kapitaalvernietiging zijn om nu al (voordat er op het huis van [eiseres] een opbouw wordt geplaatst) te worden veroordeeld tot vervanging van het gemetselde buitenblad met lichter materiaal. Dat materiaal moet immers weer worden verwijderd zodra de andere opbouw daadwerkelijk wordt geplaatst. [gedaagde sub 1] c.s. hebben hier een punt, te meer omdat ze in hun akte hebben aangeboden om een erfdienstbaarheid te vestigen, zodat duidelijk is dat zij ook tegenover een rechtsopvolger van [eiseres] gehouden zouden zijn die aanpassingen te doen zodra die rechtsopvolger een opbouw zou willen realiseren.
4.18
Desondanks zal de rechtbank [gedaagde sub 1] c.s. veroordelen alle hiervoor genoemde aanpassingen uit te voeren. Zij doet dat omdat de deskundige in zijn aanvulling weliswaar tot de conclusie komt dat (variant 2) de huidige situatie na verwijdering van de schoorsteen, met handhaving van het metselwerk en zonder opbouw op nummer [.] (net) voldoet, maar raadt deze af omdat er geen reserve is voor afwijkingen. [eiseres] kan daarom redelijkerwijze nu al eisen dat het gemetselde buitenblad door lichter materiaal wordt vervangen (variant 1), omdat dan – in de visie van de deskundige – zowel met als zonder opbouw op nummer [.] zeker sprake is van een geheel veilige situatie die voldoet, én zij inmiddels al enkele jaren te maken heeft gehad met een situatie die niet voldoet.
4.19
Wat de rechtbank net heeft overwogen laat overigens onverlet dat partijen afspraken kunnen maken die inhouden dat [eiseres] voorlopig afziet van vervanging van het gemetselde buitenblad met lichter materiaal, bijvoorbeeld vanwege de overlast die die vervanging ook voor [eiseres] meebrengt.
[gedaagde sub 1] c.s. krijgen daarvoor drie maanden te tijd en verbeuren dwangsommen als zij de aanpassingen niet doen
4.20
[eiseres] eist dat de aanpassingen binnen 14 dagen worden gedaan. De rechtbank vindt dat veel te kort en bepaalt die termijn op drie maanden na betekening van dit vonnis. Gebeurt dit niet, dan verbeuren zij een dwangsom van € 250,00 per dag of een gedeelte van een dag dat de opbouw niet is aangepast, tot een maximum van € 25.000,00. Dit bedrag is lager dan het door [eiseres] gevraagde bedrag; het vormt naar het oordeel van de rechtbank een voldoende prikkel tot nakoming.
Dakvlak hoeft niet te worden hersteld, maar het grind moet wel worden gereinigd
4.21
[eiseres] wil daarnaast ook dat [gedaagde sub 1] c.s. haar dakvlak herstellen, maar die vordering wijst de rechtbank af. [eiseres] heeft namelijk niet gesteld laat staan dat, hoe en waar het dakvlak door toedoen van [gedaagde sub 1] c.s. is beschadigd.
4.22
[eiseres] wil daarnaast dat [gedaagde sub 1] c.s. het grind op dit dakvlak deugdelijk reinigen, zeven en nadien met het daarvoor bestemde grind naar behoren aanvullen. Die vordering wijst de rechtbank wel toe, maar alleen voor zover het ziet op het reinigen van het met gruis vervuilde deel. De deskundige heeft immers vastgesteld dat bouwgruis terecht is gekomen op het dak van [eiseres] . Dat hoeft [eiseres] niet te dulden, en die situatie hebben [gedaagde sub 1] c.s. te herstellen. Het ligt voor de hand dat [gedaagde sub 1] c.s. dat doen zodra de aanpassingen waartoe zij in dit vonnis worden veroordeeld, hebben uitgevoerd. De rechtbank ziet geen reden om daar een dwangsom aan te koppelen, zoals door [eiseres] is gevorderd.
Er is geen sprake van onrechtmatige hinder
4.23
Omdat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw niet hoeven te verwijderen, vordert [eiseres] dat [gedaagde sub 1] c.s. stoppen met het onrechtmatige uitzicht vanaf hun balkon aan de achterkant van de opbouw op haar eerste verdieping en terras. Op grond van artikel 5:50 lid 1 BW is het namelijk niet toegestaan om zonder toestemming van de buren binnen twee meter van de grenslijn van hun erf een balkon te hebben voor zover die op dit erf uitzicht geven.
4.24
Artikel 5:50 lid 1 BW strekt er weliswaar toe de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken. Maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de vraag of een balkon uitzicht geeft op het erf van – in dit geval – [eiseres] , alleen gaat om rechtstreeks uitzicht en niet ook om zijdelings/schuin uitzicht. En van een dergelijk rechtstreeks uitzicht vanaf de rand van het balkon is in dit geval geen sprake. [gedaagde sub 1] c.s. moeten vanaf de lange kant van het balkon opzij en naar beneden kijken om iets van de tuin van [eiseres] c.s. te kunnen zien. Dit geldt ook voor de korte kant van het balkon.
4.25
Onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW kan zich ook voordoen vanwege inkijk vanuit vensters, balkons of soortgelijke werken, die niet in strijd is met artikel 5:50 BW. Hierop beroept [eiseres] zich ook. Maar het enkele feit dat [gedaagde sub 1] c.s. vanaf het balkon op het erf van [eiseres] kunnen kijken, betekent nog niet dat sprake is van onrechtmatige hinder.
4.26
In dit geval levert het bestaan en het gebruik van het balkon van [gedaagde sub 1] c.s. geen (ernstige) inbreuk op de privacy van [eiseres] op. Als uitgangpunt geldt dat bewoners tot op zekere hoogte inkijk en geluid van elkaar zullen moeten dulden. Zeker als het gaat om woningen in een stad waar bewoners dicht op elkaar leven, zoals hier het geval is. De gevolgen voor [eiseres] zijn ook niet ernstig: vanaf het balkon hebben [gedaagde sub 1] c.s. geen inkijk in haar leefruimtes, maar – volgens [eiseres] – alleen in haar gang via een lichtkoepel. Van onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW is daarom geen sprake.
4.27
Daarnaast vordert [eiseres] dat [gedaagde sub 1] c.s. een op zichzelf staande (hemel)waterafvoer moeten maken. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde sub 1] c.s. namelijk geen waterafvoeren aangebracht, waardoor – volgens [eiseres] – de afvoer van het water van de opbouw alleen door de gezamenlijke inpandige waterafvoer loopt. Deze vordering wordt afgewezen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zijn er namelijk wel degelijk aanvullende hemelwaterafvoeren aanwezig, zowel aan de voorkant als aan de achterkant. [gedaagde sub 1] c.s. hebben dit standpunt onderbouwd met foto’s van die hemelwaterafvoeren.
4.28
Tot slot stelt [eiseres] dat de dakopbouw de ruimte voor het neerleggen van meer zonnepanelen beperkt en de opbrengst van de panelen die al op haar dak liggen, verlaagt. Van onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW is geen sprake. Er bestaat geen algemene regel dat men niets mag bouwen dat ertoe leidt dat zonnepanelen van de buren minder opbrengen; dat zou in strijd zijn met het uitgangspunt dat hinder mag, tenzij die van dien aard is dat het onrechtmatig wordt. Dat die drempel hier wordt overschreden heeft [eiseres] niet behoorlijk onderbouwd. [eiseres] stelt dat haar zonnepanelen door de dakopbouw jaarlijks 602 kWh minder opwekken. Zij stelt in de dagvaarding niet hoeveel de opbrengst van vóór de bouw van de opbouw was. Hierdoor is het verliespercentage onduidelijk, waardoor de ernst van de hinder al niet duidelijk is.
Geen verklaring voor recht, de zaak wordt niet doorverwezen naar een schadestaatprocedure
4.29
[eiseres] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde sub 1] c.s. (kortgezegd) onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Die vordering wordt afgewezen. [eiseres] heeft niet onderbouwd welk afzonderlijk belang zij bij deze vordering heeft naast de toewijzing van haar (subsidiaire) vordering.
4.30
Verder vordert zij [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen haar schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Een vordering tot betaling van een schadevergoeding kan worden verwezen naar een schadestaatprocedure als (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure niet mogelijk is (zie ECLI:NL:HR:2025:1761, r.o. 2.5).
4.31
Gelet hierop, verwijst de rechtbank de zaak niet door naar een schadestaatprocedure. [gedaagde sub 1] c.s. handelen weliswaar onrechtmatig, maar [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor (mogelijk) schade heeft geleden of lijdt. De dakopbouw moet worden aangepast en zodra dat is gebeurd is er geen sprake meer van onrechtmatig handelen. Er is namelijk geen sprake van onrechtmatige hinder. Daarnaast heeft de deskundige vastgesteld dat de waterlekkages in de woning van [eiseres] niet zijn veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden van [gedaagde sub 1] c.s.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
4.32
[eiseres] is zeker niet op alle punten in het gelijk gesteld, maar krijgt op het punt waar in deze procedure en in het deskundigenonderzoek verreweg de meeste aandacht naar is uitgegaan – of de opbouw te zwaar is voor de gezamenlijke fundering – gelijk. [gedaagde sub 1] c.s. zijn daarmee grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Tot de proceskosten horen ook de kosten van de deskundige. Die kosten zijn voor een groot deel door [eiseres] betaald: zij heeft immers het voorschot van € 15.076,60 voldaan. De kosten voor de voorbereiding en het bijwonen van de mondelinge behandeling (€ 1.810,16) en het aanvullende deskundigenbericht (€ 1.810,16) hebben [gedaagde sub 1] c.s. voorgeschoten. Deze kosten die zij hebben voldaan blijven voor hun rekening en ze zullen de kosten die [eiseres] heeft voldaan moeten vergoeden.
4.33
Dit betekent dat de proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,97
- griffierecht
€
1.325,00
- kosten deskundige
€
15.076,60
- salaris advocaat
€
2.926,00
(3,5 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
19.652,57
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de kosten van het grondonderzoek en de constructeur betalen
4.34
[gedaagde sub 1] c.s. moeten ook de kosten van het grondonderzoek (€ 2.819,30) en de kosten van de door [eiseres] ingeschakelde constructeur (€ 3.267,00) betalen, omdat de deskundige tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat hij de resultaten van die onderzoeken voor zijn eigen onderzoek nodig had en daarom heeft gebruikt. Die kosten zijn nu voorgeschoten door [eiseres] . Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. nog € 6.086,30 aan [eiseres] moeten betalen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.35
De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [eiseres] is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd zodra de andere partij om nakoming vraagt van dit vonnis, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
4.36
[gedaagde sub 1] c.s. verzetten zich tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring voorzover het onderdelen van het vonnis betreft die feitelijk niet terug te draaien zijn, zoals verwijdering van de opbouw. Maar dit bezwaar leidt niet tot een ander oordeel. Ingrijpende gevolgen van de executie van een vonnis die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf namelijk niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In dit geval zijn die gevolgen bovendien niet (erg) ingrijpend. [gedaagde sub 1] c.s. worden immers niet veroordeeld tot verwijdering van de opbouw.
4.37
Als [eiseres] besluit het vonnis ten uitvoer te leggen terwijl [gedaagde sub 1] c.s. hoger beroep hebben ingesteld, doet ze dit wel op haar risico. Wordt het vonnis in hoger beroep namelijk vernietigd, dan is [eiseres] in beginsel aansprakelijk voor de schade die [gedaagde sub 1] c.s. daardoor lijden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de opbouw aan te passen op de manier zoals toegelicht in rechtsoverweging 4.14, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling aan [eiseres] van € 6.086,30 binnen 14 dagen van dit vonnis,
5.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om het dakvlak van [eiseres] , voor zover dat door [gedaagde sub 1] c.s. met gruis is vervuild, deugdelijk te reinigen,
5.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 19.652,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
EM 5792
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/575358 / HA ZA 24-264
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. V.O. Agterberg,
tegen
1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,
advocaat: mr. M. Zwennes.
1De procedure
1.1
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het laatste tussenvonnis van 5 maart 2025, waarin de hoogte van het voorschot voor de deskundige is vastgesteld.
1.2
Na het tussenvonnis van 15 januari 2025, waarin de heer ir. G.W.N. Jol als deskundige is benoemd (hierna: de deskundige), zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
het deskundigenbericht met vier bijlagen van 30 september 2025;
de akte uitlating na deskundigenbericht met aanvullende producties 60 t/m 64, tevens akte wijziging van eis van [eiseres] van 5 november 2025;
de akte uitlating na deskundigenbericht met aanvullende productie 11, tevens antwoord akte wijziging van eis van [gedaagde sub 1] c.s. van 3 december 2025;
de akte van 17 december 2025 uitlaten productie 11 van [gedaagde sub 1] c.s;
de akte van 4 maart 2026 met aanvullende producties 65 en 66 van [eiseres] .
1.3
Daarna heeft de rechter besloten dat er nog een mondelinge behandeling nodig was om het deskundigenbericht met partijen en de deskundige te bespreken. Die mondelinge behandeling, waarvan een geluidsopname is gemaakt, vond plaats op 11 mei 2026.
1.4
De rechter heeft vervolgens bepaald dat de deskundige paragraaf 8.9 en 8.10 van het deskundigenbericht moet aanvullen. Na de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 zijn daarom nog de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
de aanvulling op het deskundigenbericht van 15 juni 2026,
de akte uitlating aanvulling deskundigenbericht van [eiseres] van 8 juli 2026 en
de akte uitlating aanvulling deskundigenbericht met twee bijlagen van [gedaagde sub 1] c.s. van 8 juli 2026.
Op 13 mei 2026 heeft [eiseres] nog een akte eiswijziging ingediend, maar die heeft de rechtbank niet meer toegestaan. Hierover zijn partijen op diezelfde datum geïnformeerd.
1.5
Vervolgens is bepaald dat er op 19 augustus 2026 vonnis zou worden gewezen. Door de vakantieperiode is dat iets later geworden.
2De kern van dit vonnis
2.1
[gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] zijn buren. [gedaagde sub 1] c.s. hebben een opbouw op hun woning geplaatst. [eiseres] wil dat [gedaagde sub 1] c.s. die opbouw (primair) verwijderen of (subsidiair) aanpassen. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering toe en de primaire vordering af. De opbouw is namelijk te zwaar voor de gezamenlijke fundering. [gedaagde sub 1] c.s. moeten de opbouw daarom aanpassen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat dit praktisch voor [gedaagde sub 1] c.s. betekent.
3De achtergrond van het geschil
3.1
[eiseres] verwijt [gedaagde sub 1] c.s. dat zij hun opbouw over de mandelige muur en over de erfgrens hebben gebouwd. [eiseres] stelt dat de volledige gezamenlijke fundering in beslag is genomen en [eiseres] geen soortgelijke opbouw kan plaatsen. [eiseres] wil daarom dat de opbouw wordt afgebroken of dat de opbouw zo wordt aangepast dat er niet langer een inbreuk op haar rechten wordt gemaakt. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is het hart van de mandelige muur aangehouden. Mocht toch sprake zijn van een overschrijding, dan rechtvaardigt dit volgens hen geenszins de afbraak of aanpassing van de opbouw.
3.2
De rechtbank heeft in het tussenvonnis 15 januari 2025 een deskundige benoemd. De rechtbank kon namelijk niet vaststellen of de opbouw over de helft van de mandelige muur is gebouwd en of de opbouw zorgt voor nadeel bij [eiseres] . De deskundige heeft onderzoek gedaan en heeft op 30 september 2025 zijn definitieve deskundigenbericht ingediend.
3.3
Het deskundigenbericht is helder voor wat betreft de vraag of over de helft van de mandelige muur is heen gebouwd. Toch heeft de rechter besloten dat er nog een mondelinge behandeling nodig was om het deskundigenbericht met partijen en de deskundige te bespreken. Uit het deskundigenbericht blijkt namelijk dat de opbouw van [gedaagde sub 1] c.s. de mandelige muur en fundering teveel belast. Maar uit de reactie van [gedaagde sub 1] c.s. begreep de rechtbank dat de daadwerkelijk gebouwde dakopbouw op een aantal punten afwijkt van het ontwerp waarvan de deskundige is uitgegaan en dat de dakopbouw in werkelijkheid lichter zou kunnen zijn dan de deskundige heeft aangenomen. Hierover had de rechter vragen. Die vragen zijn tijdens de mondelinge behandeling van 11 mei 2026 besproken.
3.4
De rechter heeft daarna aan de deskundige gevraagd om zijn deskundigenbericht aan te vullen met een analyse waarin hij uitgaat van de gerealiseerde dakopbouw die op de volgende drie punten afwijkt van het ontwerp:
de opbouw steunt wel op de binnenlangsmuur,
er ligt geen sedumdak op de opbouw en
er is geen gebruik gemaakt van stalen raamwerken.
3.5
Die aanvulling heeft de deskundige op 15 juni 2026 aangeleverd. Partijen hebben daar nog op kunnen reageren.
4De verdere beoordeling
Beoordeling deskundigenbericht: het toetsingskader
4.1
Als de deskundige de aan hem voorgelegde vragen op overtuigende wijze, consistent en deugdelijk gemotiveerd heeft beantwoord, kan de rechtbank die conclusies overnemen. De rechtbank hoeft alleen op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundige in te gaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, r.o. 3.6).
4.2
Pas als sprake is van een objectieve onjuistheid, een onlogische redenering of een redenering die in redelijkheid niet de conclusie van de deskundige kan dragen, is er reden voor vragen aan de deskundige of om af te wijken van het deskundigenbericht. Dat de deskundige tot een ander oordeel komt dan een partij of partijdeskundige betekent niet dat de deskundige in redelijkheid niet tot zijn standpunt heeft kunnen komen. De deskundige is immers juist benoemd omdat partijen het niet met elkaar eens zijn over onderwerpen die op zijn vakgebied liggen. Daarmee is gegeven dat het standpunt van (in ieder geval) één van de partijen niet hetzelfde is als het oordeel van de deskundige.
[gedaagde sub 1] c.s. handelen onrechtmatig
Wat vindt de deskundige?
4.3
De deskundige komt, voor wat betreft de eerste vraag, tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. niet over de helft van de mandelige scheidsmuur hebben gebouwd. Volgens de deskundige wordt de (gezamenlijke) fundering wel te zwaar belast door de opbouw van [gedaagde sub 1] c.s. De opbouw kan volgens de deskundige worden aangepast zodat deze niet meer te zwaar is. Daarvoor is in ieder geval nodig dat de verhoogde gemetselde schoorsteen wordt vervangen door een licht en geschoorde metalen schoorsteen. Als [eiseres] ook een opbouw op haar huis wil plaatsen dan moeten [gedaagde sub 1] c.s. ook het metselwerk aan de rechterzijde van de huidige opbouw verwijderen en vervangen door een lichte geveltoepassing.
Wat oordeelt de rechtbank daarover?
4.4
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over. De conclusies van de deskundige zijn namelijk zorgvuldig onderbouwd en deze conclusies vloeien voort uit de door hem in het deskundigenrapport en de aanvulling daarop vermelde gegevens en zijn daarmee voldoende begrijpelijk.
4.5
Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig handelen. Hoewel zij niet over de helft van de mandelige muur hebben gebouwd, hebben zij wél nadeel toegebracht aan die muur en de daaraan verbonden werken. De opbouw belast de gezamenlijke fundering immers teveel. En op grond van artikel 5:67 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het niet toegestaan om dergelijk nadeel toe te brengen (zie rechtsoverweging 3.4 van het tussenvonnis van 13 november 2024).
4.6
De door [eiseres] aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht vormen geen aanleiding om daarvan af te wijken. In de eerste plaats maakt [eiseres] bezwaar tegen het feit dat de deskundige rekening houdt met twee positieve aannames, namelijk de aanname dat (i) sprake is van grondverbetering en (ii) dat steungrond aanwezig is. Volgens [eiseres] mocht de deskundige hier niet van uitgaan. Dit betekent – volgens [eiseres] – dat de funderingsdruk hoger is dan de druk waar de deskundige vanuit gaat. De door de deskundige voorgestelde aanpassingen zijn volgens [eiseres] daarom onvoldoende.
4.7
Dit bezwaar vormt geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. De deskundige heeft toegelicht dat het hij bij de opname ter plaatste geen opvallende scheurvorming heeft geconstateerd waardoor hij die aannames kon maken. De rechtbank vertrouwt hier op het oordeel van de deskundige.
4.8
Het tweede bezwaar dat [eiseres] maakt, houdt in dat de deskundige volgens haar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] c.s. een muur in hun keuken hebben verwijderd, waardoor de binnenlangsmuur van de bovenste verdieping zwevend is geworden. Dit betekent – volgens [eiseres] – dat de funderingsdruk hoger is dan de druk waar de deskundige vanuit gaat.
4.9
Ook dit bezwaar vormt geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. Dit standpunt heeft [eiseres] ingenomen (lang) nadat de deskundige zijn definitieve deskundigenbericht had opgeleverd, namelijk pas in haar akte van 4 maart 2026. En dit is te laat. Nog los daarvan, [eiseres] heeft niet toegelicht om welke muur het precies gaat en waaruit blijkt dat de deskundige er (ten onrechte) vanuit gaat dat die muur wél aanwezig is. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar standpunt alleen een foto overgelegd van het keukenraam van haar buren die zij kennelijk heeft gemaakt vanuit haar eigen achtertuin. Van een voldoende gemotiveerde betwisting is daarom geen sprake.
4.10
Ook de door [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht vormen geen aanleiding om daarvan af te wijken. Volgens de door hun ingeschakelde deskundige ( [onderneming] ) is de opbouw in werkelijkheid minder zwaar. Maar in dit stadium is er geen ruimte meer om te discussiëren over welke elementen en in welke mate wel of niet moeten worden meegewogen in de berekening van de funderingsdruk. Die discussie is immers al uitgebreid gevoerd tijdens de (laatste) mondelinge behandeling op 11 mei 2026. Een discussie over hoe dik het grind daadwerkelijk is, hoeveel sneeuw er kan vallen op het dak en wat het gewicht van de gevel is, laat staan een plaatsopneming, is daarom in dit stadium niet meer aan de orde.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de opbouw aanpassen
4.11
[eiseres] vordert primair dat [gedaagde sub 1] c.s. hun opbouw moeten verwijderen. Die vordering wijst de rechtbank af. Het nadeel dat [eiseres] door de opbouw lijdt, kan immers op een (veel) minder verstrekkende manier worden opgelost. Namelijk door de opbouw aan te passen zoals hierna wordt toegelicht.
4.12
[eiseres] vordert subsidiair dat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw zodanig moeten (her)plaatsen dat die opbouw niet meer rust en/of kracht uitoefent en/of is aangebracht op de gemeenschappelijke muur en fundering. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] hiermee (ook) het mindere bedoelt, namelijk dat de opbouw dusdanig wordt aangepast dat die opbouw de gemeenschappelijke muur en fundering niet meer teveel belast.
4.13
Die vordering wijst de rechtbank toe. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw moeten aanpassen, dusdanig dat [eiseres] ook een soortgelijke opbouw op haar woning kan plaatsen. Bij een mandelige muur mag de mede-eigenaar namelijk niet het gebruik van de hele muur en fundering claimen. [gedaagde sub 1] c.s. moeten het gebruik van die muur en fundering met andere woorden delen met [eiseres] . Het doet er niet toe dat [eiseres] op dit moment geen concrete plannen heeft om een opbouw te plaatsen. Het gaat erom dat zij die mogelijkheid heeft en houdt.
4.14
Dit betekent concreet dat [gedaagde sub 1] c.s. het metselwerk aan de rechterzijde van de huidige opbouw en de verhoogde gemetselde schoorsteen moeten verwijderen. Daarvoor in de plaats moet een lichte geveltoepassing komen en een lichte en geschoorde metalen schoorsteen op de oorspronkelijke lage bovendaks schoorsteen.
4.15
Het spreekt voor zich dat [eiseres] de eventueel met de vervanging gepaard gaande overlast moet dulden.
4.16
De deskundige raadt daarnaast ook aan om ook het voorgevelmetselwerk van de opbouw te verwijderen. Maar tot die aanpassing worden [gedaagde sub 1] c.s. niet veroordeeld. Immers, de aanpassingen zoals hiervoor genoemd, leiden volgens de deskundige al tot een situatie waarin geen sprake meer is van een te zware belasting op de fundering als [eiseres] een soortgelijke opbouw plaatst.
4.17
Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zou het kapitaalvernietiging zijn om nu al (voordat er op het huis van [eiseres] een opbouw wordt geplaatst) te worden veroordeeld tot vervanging van het gemetselde buitenblad met lichter materiaal. Dat materiaal moet immers weer worden verwijderd zodra de andere opbouw daadwerkelijk wordt geplaatst. [gedaagde sub 1] c.s. hebben hier een punt, te meer omdat ze in hun akte hebben aangeboden om een erfdienstbaarheid te vestigen, zodat duidelijk is dat zij ook tegenover een rechtsopvolger van [eiseres] gehouden zouden zijn die aanpassingen te doen zodra die rechtsopvolger een opbouw zou willen realiseren.
4.18
Desondanks zal de rechtbank [gedaagde sub 1] c.s. veroordelen alle hiervoor genoemde aanpassingen uit te voeren. Zij doet dat omdat de deskundige in zijn aanvulling weliswaar tot de conclusie komt dat (variant 2) de huidige situatie na verwijdering van de schoorsteen, met handhaving van het metselwerk en zonder opbouw op nummer [.] (net) voldoet, maar raadt deze af omdat er geen reserve is voor afwijkingen. [eiseres] kan daarom redelijkerwijze nu al eisen dat het gemetselde buitenblad door lichter materiaal wordt vervangen (variant 1), omdat dan – in de visie van de deskundige – zowel met als zonder opbouw op nummer [.] zeker sprake is van een geheel veilige situatie die voldoet, én zij inmiddels al enkele jaren te maken heeft gehad met een situatie die niet voldoet.
4.19
Wat de rechtbank net heeft overwogen laat overigens onverlet dat partijen afspraken kunnen maken die inhouden dat [eiseres] voorlopig afziet van vervanging van het gemetselde buitenblad met lichter materiaal, bijvoorbeeld vanwege de overlast die die vervanging ook voor [eiseres] meebrengt.
[gedaagde sub 1] c.s. krijgen daarvoor drie maanden te tijd en verbeuren dwangsommen als zij de aanpassingen niet doen
4.20
[eiseres] eist dat de aanpassingen binnen 14 dagen worden gedaan. De rechtbank vindt dat veel te kort en bepaalt die termijn op drie maanden na betekening van dit vonnis. Gebeurt dit niet, dan verbeuren zij een dwangsom van € 250,00 per dag of een gedeelte van een dag dat de opbouw niet is aangepast, tot een maximum van € 25.000,00. Dit bedrag is lager dan het door [eiseres] gevraagde bedrag; het vormt naar het oordeel van de rechtbank een voldoende prikkel tot nakoming.
Dakvlak hoeft niet te worden hersteld, maar het grind moet wel worden gereinigd
4.21
[eiseres] wil daarnaast ook dat [gedaagde sub 1] c.s. haar dakvlak herstellen, maar die vordering wijst de rechtbank af. [eiseres] heeft namelijk niet gesteld laat staan dat, hoe en waar het dakvlak door toedoen van [gedaagde sub 1] c.s. is beschadigd.
4.22
[eiseres] wil daarnaast dat [gedaagde sub 1] c.s. het grind op dit dakvlak deugdelijk reinigen, zeven en nadien met het daarvoor bestemde grind naar behoren aanvullen. Die vordering wijst de rechtbank wel toe, maar alleen voor zover het ziet op het reinigen van het met gruis vervuilde deel. De deskundige heeft immers vastgesteld dat bouwgruis terecht is gekomen op het dak van [eiseres] . Dat hoeft [eiseres] niet te dulden, en die situatie hebben [gedaagde sub 1] c.s. te herstellen. Het ligt voor de hand dat [gedaagde sub 1] c.s. dat doen zodra de aanpassingen waartoe zij in dit vonnis worden veroordeeld, hebben uitgevoerd. De rechtbank ziet geen reden om daar een dwangsom aan te koppelen, zoals door [eiseres] is gevorderd.
Er is geen sprake van onrechtmatige hinder
4.23
Omdat [gedaagde sub 1] c.s. de opbouw niet hoeven te verwijderen, vordert [eiseres] dat [gedaagde sub 1] c.s. stoppen met het onrechtmatige uitzicht vanaf hun balkon aan de achterkant van de opbouw op haar eerste verdieping en terras. Op grond van artikel 5:50 lid 1 BW is het namelijk niet toegestaan om zonder toestemming van de buren binnen twee meter van de grenslijn van hun erf een balkon te hebben voor zover die op dit erf uitzicht geven.
4.24
Artikel 5:50 lid 1 BW strekt er weliswaar toe de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken. Maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de vraag of een balkon uitzicht geeft op het erf van – in dit geval – [eiseres] , alleen gaat om rechtstreeks uitzicht en niet ook om zijdelings/schuin uitzicht. En van een dergelijk rechtstreeks uitzicht vanaf de rand van het balkon is in dit geval geen sprake. [gedaagde sub 1] c.s. moeten vanaf de lange kant van het balkon opzij en naar beneden kijken om iets van de tuin van [eiseres] c.s. te kunnen zien. Dit geldt ook voor de korte kant van het balkon.
4.25
Onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW kan zich ook voordoen vanwege inkijk vanuit vensters, balkons of soortgelijke werken, die niet in strijd is met artikel 5:50 BW. Hierop beroept [eiseres] zich ook. Maar het enkele feit dat [gedaagde sub 1] c.s. vanaf het balkon op het erf van [eiseres] kunnen kijken, betekent nog niet dat sprake is van onrechtmatige hinder.
4.26
In dit geval levert het bestaan en het gebruik van het balkon van [gedaagde sub 1] c.s. geen (ernstige) inbreuk op de privacy van [eiseres] op. Als uitgangpunt geldt dat bewoners tot op zekere hoogte inkijk en geluid van elkaar zullen moeten dulden. Zeker als het gaat om woningen in een stad waar bewoners dicht op elkaar leven, zoals hier het geval is. De gevolgen voor [eiseres] zijn ook niet ernstig: vanaf het balkon hebben [gedaagde sub 1] c.s. geen inkijk in haar leefruimtes, maar – volgens [eiseres] – alleen in haar gang via een lichtkoepel. Van onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW is daarom geen sprake.
4.27
Daarnaast vordert [eiseres] dat [gedaagde sub 1] c.s. een op zichzelf staande (hemel)waterafvoer moeten maken. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde sub 1] c.s. namelijk geen waterafvoeren aangebracht, waardoor – volgens [eiseres] – de afvoer van het water van de opbouw alleen door de gezamenlijke inpandige waterafvoer loopt. Deze vordering wordt afgewezen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zijn er namelijk wel degelijk aanvullende hemelwaterafvoeren aanwezig, zowel aan de voorkant als aan de achterkant. [gedaagde sub 1] c.s. hebben dit standpunt onderbouwd met foto’s van die hemelwaterafvoeren.
4.28
Tot slot stelt [eiseres] dat de dakopbouw de ruimte voor het neerleggen van meer zonnepanelen beperkt en de opbrengst van de panelen die al op haar dak liggen, verlaagt. Van onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5:37 BW is geen sprake. Er bestaat geen algemene regel dat men niets mag bouwen dat ertoe leidt dat zonnepanelen van de buren minder opbrengen; dat zou in strijd zijn met het uitgangspunt dat hinder mag, tenzij die van dien aard is dat het onrechtmatig wordt. Dat die drempel hier wordt overschreden heeft [eiseres] niet behoorlijk onderbouwd. [eiseres] stelt dat haar zonnepanelen door de dakopbouw jaarlijks 602 kWh minder opwekken. Zij stelt in de dagvaarding niet hoeveel de opbrengst van vóór de bouw van de opbouw was. Hierdoor is het verliespercentage onduidelijk, waardoor de ernst van de hinder al niet duidelijk is.
Geen verklaring voor recht, de zaak wordt niet doorverwezen naar een schadestaatprocedure
4.29
[eiseres] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde sub 1] c.s. (kortgezegd) onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Die vordering wordt afgewezen. [eiseres] heeft niet onderbouwd welk afzonderlijk belang zij bij deze vordering heeft naast de toewijzing van haar (subsidiaire) vordering.
4.30
Verder vordert zij [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen haar schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Een vordering tot betaling van een schadevergoeding kan worden verwezen naar een schadestaatprocedure als (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure niet mogelijk is (zie ECLI:NL:HR:2025:1761, r.o. 2.5).
4.31
Gelet hierop, verwijst de rechtbank de zaak niet door naar een schadestaatprocedure. [gedaagde sub 1] c.s. handelen weliswaar onrechtmatig, maar [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor (mogelijk) schade heeft geleden of lijdt. De dakopbouw moet worden aangepast en zodra dat is gebeurd is er geen sprake meer van onrechtmatig handelen. Er is namelijk geen sprake van onrechtmatige hinder. Daarnaast heeft de deskundige vastgesteld dat de waterlekkages in de woning van [eiseres] niet zijn veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden van [gedaagde sub 1] c.s.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
4.32
[eiseres] is zeker niet op alle punten in het gelijk gesteld, maar krijgt op het punt waar in deze procedure en in het deskundigenonderzoek verreweg de meeste aandacht naar is uitgegaan – of de opbouw te zwaar is voor de gezamenlijke fundering – gelijk. [gedaagde sub 1] c.s. zijn daarmee grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Tot de proceskosten horen ook de kosten van de deskundige. Die kosten zijn voor een groot deel door [eiseres] betaald: zij heeft immers het voorschot van € 15.076,60 voldaan. De kosten voor de voorbereiding en het bijwonen van de mondelinge behandeling (€ 1.810,16) en het aanvullende deskundigenbericht (€ 1.810,16) hebben [gedaagde sub 1] c.s. voorgeschoten. Deze kosten die zij hebben voldaan blijven voor hun rekening en ze zullen de kosten die [eiseres] heeft voldaan moeten vergoeden.
4.33
Dit betekent dat de proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,97
- griffierecht
€
1.325,00
- kosten deskundige
€
15.076,60
- salaris advocaat
€
2.926,00
(3,5 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
19.652,57
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de kosten van het grondonderzoek en de constructeur betalen
4.34
[gedaagde sub 1] c.s. moeten ook de kosten van het grondonderzoek (€ 2.819,30) en de kosten van de door [eiseres] ingeschakelde constructeur (€ 3.267,00) betalen, omdat de deskundige tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat hij de resultaten van die onderzoeken voor zijn eigen onderzoek nodig had en daarom heeft gebruikt. Die kosten zijn nu voorgeschoten door [eiseres] . Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. nog € 6.086,30 aan [eiseres] moeten betalen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.35
De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [eiseres] is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd zodra de andere partij om nakoming vraagt van dit vonnis, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
4.36
[gedaagde sub 1] c.s. verzetten zich tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring voorzover het onderdelen van het vonnis betreft die feitelijk niet terug te draaien zijn, zoals verwijdering van de opbouw. Maar dit bezwaar leidt niet tot een ander oordeel. Ingrijpende gevolgen van de executie van een vonnis die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf namelijk niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In dit geval zijn die gevolgen bovendien niet (erg) ingrijpend. [gedaagde sub 1] c.s. worden immers niet veroordeeld tot verwijdering van de opbouw.
4.37
Als [eiseres] besluit het vonnis ten uitvoer te leggen terwijl [gedaagde sub 1] c.s. hoger beroep hebben ingesteld, doet ze dit wel op haar risico. Wordt het vonnis in hoger beroep namelijk vernietigd, dan is [eiseres] in beginsel aansprakelijk voor de schade die [gedaagde sub 1] c.s. daardoor lijden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de opbouw aan te passen op de manier zoals toegelicht in rechtsoverweging 4.14, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling aan [eiseres] van € 6.086,30 binnen 14 dagen van dit vonnis,
5.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om het dakvlak van [eiseres] , voor zover dat door [gedaagde sub 1] c.s. met gruis is vervuild, deugdelijk te reinigen,
5.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 19.652,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
EM 5792