Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6362
2026-09-14
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 25/2052
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht. Compensatie n.a.v. verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag afgewezen. Geen recht op kinderopvangtoeslag over meerdere perioden, daardoor ook geen recht op compensatie. Ook geen aanspraak op O/GS tegemoetkoming. Geen sprake van een O/GS kwalificatie. Beroep ongegrond. Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn wel toegewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:5087 Raad van State 22-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:3825 Raad van State 25-09-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.519 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2052
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om compensatie over een aantal periodes toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1
Eiseres heeft zich in het kader van de hersteloperatie aangemeld voor een herbeoordeling van de haar toegekende kinderopvangtoeslag (KOT). Met het besluit van 26 mei 2021 (de eerste toets) heeft Dienst Toeslagen aan eiseres € 30.000,- (Catshuisregeling) toegekend.
1.2
Met het primaire besluit van 28 november 2022 heeft Dienst Toeslagen na een integrale herbeoordeling van de toeslagjaren 2007 en 2010 tot en met 2014 aan eiseres een compensatie voor vooringenomenheid toegekend van € 28.160,- voor het jaar 2010, de periode september tot en met december 2011 en de periode januari tot en met mei en september 2012. Voor de overige jaren en periodes heeft Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft Dienst Toeslagen het bezwaar gegrond verklaard en de grondslag voor toeslagjaar 2011 en toeslagjaar 2012 gecorrigeerd en eiseres gecompenseerd voor de periode september tot en met december 2011 en de maanden januari tot en met mei, juli en september 2012, wat tot een nabetaling leidt van € 7.704,-. Voor de overige periodes is Dienst Toeslagen bij de afwijzing gebleven.
1.4
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 24 april 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend en Dienst Toeslagen heeft daarop nog op 8 mei 2026 kort gereageerd.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen vergezeld door haar collega mr. [gemachtigde 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht bij het bestreden besluit de compensatie over de maanden januari tot en met augustus 2011, de maanden juni, augustus en oktober tot en met december 2012, het jaar 2013 en het jaar 2014 op grond van de Wht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3.1
De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven.
3.2
Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van KOT, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade.
Toeslagjaar 2011
4. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de compensatie vanwege vooringenomen handelen slechts is toegekend over de maanden september tot en met december 2011 en niet over heel 2011. Ze wijst op haar bezwaarschrift van 1 augustus 2014 waaruit is af te leiden dat zij over geheel 2011 kinderopvang heeft afgenomen. Zij vindt dat het ontbreken van gegevens in de KOI viewer niet zonder meer voor haar rekening kan komen, vooral omdat de kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren gegevens voor de KOI viewer aan te leveren. Nu er geen stukken zijn waaruit blijkt dat zij niet in heel 2011 opvang heeft genoten moet ervan worden uitgegaan dat zij in overeenstemming met haar aanvraag wel geregistreerde opvang heeft genoten over heel 2011, zo stelt eiseres.
5. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Eiseres moet dus meer doen dan alleen stellen dat zij een aanvraag om KOT heeft ingediend en heel het jaar 2011 kinderopvang heeft afgenomen. Aannemelijk maken betekent dat eiseres aan de hand van verklaringen en stukken moet onderbouwen dat haar stelling juist is. Dit betekent niet dat wordt gevraagd alles te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat een stelling wordt ondersteund door of past bij de aanwezige informatie. Daarvan is in dit geval geen sprake. Anders dan eiseres stelt, is het in deze omstandigheden niet zo dat het aan Dienst Toeslagen is om te onderbouwen dat eiseres in de periode januari tot en met augustus 2011 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat de bewijslast volledig bij Dienst Toeslagen zou liggen. Eiseres heeft bij haar bezwaar facturen overgelegd van september 2011 en oktober 2011 en e-mailberichten waaruit afgeleid kan worden dat kinderopvang ook over november en december 2011 is afgenomen. Over de andere maanden van 2011 zijn er geen aanknopingspunten (zoals e-mailcorrespondentie, facturen of bankafschriften) waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook over januari tot en met augustus 2011 kinderopvang is genoten. In die omstandigheden heeft Dienst Toeslagen kunnen concluderen dat eiseres niet over heel 2011 opvang heeft afgenomen en dat hiermee over de maanden januari tot en met augustus 2011 geen recht op KOT bestond.
Toeslagjaar 2012
6. Eiseres voert aan dat de maand juni 2012 ten onrechte buiten de compensatie is gelaten.
Ze heeft in bezwaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat over januari tot en met juli 2012 door het gastouderbureau een bedrag van € 13.515,- aan opvangkosten is gefactureerd. Ook blijkt dit uit een e-mail van 29 juli 2014. In het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) staat ook dat Dienst Toeslagen heeft toegezegd dat de maand juni 2012 alsnog gecompenseerd zou worden, maar bij het bestreden besluit is Dienst Toeslagen ongemotiveerd afgeweken van het advies op dit punt.
7. Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de vermelding van de maand juni 2012 in het advies van de BAC een schrijffout is. In het primaire besluit was voor de compensatieberekening gerekend met zes maanden (januari t/m mei en september). In de schriftelijke reactie van 22 september 2023 op het bezwaar van eiseres aan de BAC staat dat gebleken is dat de maand juli niet is meegenomen in de compensatieberekening en dat bij de te nemen beslissing op bezwaar deze maand alsnog zal worden toegevoegd. In het bestreden besluit is dit dan ook hersteld, omdat de compensatie moet worden berekend over zeven maanden: januari t/m mei, juli en september. Dat de BAC in het advies de maand juni vermeldt in plaats van de maand juli is dan ook als kennelijke verschrijving aan te merken. De rechtbank kan dit volgen.
8. De verwijzing naar de e-mail van 29 juli 2014 met daarin de vermelding dat de factuur 2346 voor de maand juni 2012 nog niet is voldaan, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat in juni 2012 wel kinderopvang is afgenomen. Temeer nu de factuur 2346 voor de maand juni 2012 uitsluitend een bedrag voor administratiekosten vermeldt en geen opvangkosten van € 912,50, zoals die wel vermeld staan op de facturen van januari t/m mei 2012 en de maand juli 2012. Vanwege het ontbreken van opvanggegevens over de maand juni 2012 heeft Dienst Toeslagen dan ook mogen concluderen dat eiseres geen opvang heeft afgenomen in die maand en dus ook geen kosten voor kinderopvang had. Dat betekent dat zij ook geen recht had op KOT over die maand en daardoor ook geen recht op compensatie.
Toeslagjaar 2013
9. Eiseres voert aan dat ten onrechte over dit jaar geen compensatie is toegekend. De KOT is op nihil gezet, zonder dat zij twee keer schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren. Eiseres wijst op een e-mailbericht van de bemiddelingsmedewerker van [bedrijf] van 4 maart 2014 dat voor 2013 KOT is aangevraagd en dat daaruit dus blijkt dat zij kinderopvang afnam via [bedrijf] . Doordat geen KOT is toegekend, kreeg zij betalingsproblemen bij de kinderopvanginstelling.
10.1
De rechtbank stelt vast dat voor dit toeslagjaar van vooringenomenheid is uitgegaan, omdat niet kon worden aangetoond dat de Belastingdienst voorafgaand aan de nihilstelling eiseres meer dan één keer (schriftelijk) om informatie heeft gevraagd.
10.2
Compensatie kan echter niet worden toegekend als de door eiseres geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hieronder ook de situatie valt waarin evident geen recht op KOT bestond, omdat er geen opvang is genoten. Dienst Toeslagen heeft gemotiveerd uiteengezet dat er geen recht op compensatie bestaat, omdat er geen aanwijzingen zijn dat in 2013 gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Zo zijn er blijkens de KOI viewer geen opvanggegevens aangeleverd door een opvanginstelling of gastouder. Uit de overgelegde aanvraag en de e-mailcorrespondentie van 11 februari 2014 en 4 en 11 maart 2014 is niet af te leiden dat eiseres in 2013 daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen. Er blijkt alleen uit dat eiseres in 2014 contact had met bemiddelingsmedewerker van [bedrijf] en dat deze contact opnam met de Belastingdienst voor opheldering over de aanvraag voor 2013 en het stopzetten van de KOT in 2014.
10.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat er geen aanknopingspunt is dat er kinderopvang is genoten in 2013. Dat betekent dat zij ook geen recht had op kinderopvangtoeslag en daardoor ook geen recht op compensatie.
11. Eiseres heeft in het aanvullend beroepschrift en op de zitting aangevoerd dat op haar brief van 11 maart 2014 – waarin zij opheldering vraagt over de stopzetting van de KOT op 28 februari 2014 per 1 januari 2013 – niet inhoudelijk is gereageerd en dat die brief als bezwaarschrift in behandeling had moeten worden genomen. De stopzetting van de KOT die zij in deze brief duidelijk heeft betwist, is nu nooit goed onderzocht.
12. De betreffende brief van 11 maart 2014 is wel opgenomen in het dossier, maar een inhoudelijke reactie ontbreekt in het dossier. Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat de brief niet als bezwaarschrift is aangemerkt en dus niet is behandeld als bezwaarschrift, maar is aangemerkt als een verzoek om verduidelijking vanuit eiseres. De rechtbank kan dit volgen. Eiseres verzoekt immers in die brief om een verduidelijking te geven waarom haar aanvraag is stopgezet per 1 januari 2013 en bovendien was er op dat moment al een bezwaarschrift door haar ingediend en in behandeling.
Toeslagjaar 2014
13. Eiseres voert aan dat haar betwisting van de stopzetting ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling van het toeslagjaar 2014. Zij had uitdrukkelijk vermeld dat haar aanvraag ook betrekking had op de KOT over zowel 2013 als 2014. Nu is onvoldoende onderzocht of eiseres door het handelen van de Belastingdienst/Dienst Toeslagen is belemmerd in het voortzetten of opnieuw verkrijgen van de KOT, zo stelt eiseres.
14.1
De KOT voor 2014 is op 22 november 2013 op nihil gesteld en dus niet automatisch verlengd. Bij de voorschotbeschikking van 22 september 2014 en de definitieve beschikking van 28 januari 2016 is de KOT op nihil gesteld. Eiseres heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
14.2
Net als voor toeslagjaar 2013 is ook voor dit toeslagjaar Dienst Toeslagen uitgegaan van aanwijzingen van vooringenomenheid, omdat niet is gebleken dat aan eiseres twee keer schriftelijk om informatie is verzocht. Toch is er geen compensatie toegekend, omdat er op basis van de KOI viewer geen aanwijzingen zijn dat in 2014 gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Ook eiseres heeft hierover niets aangeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen dan ook op goede grond kunnen concluderen dat er geen aanknopingspunt is dat er kinderopvang is genoten in dat jaar. Dat betekent dat eiseres ook evident geen recht had op KOT en daardoor ook geen recht op compensatie. Wat eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de stopzetting van de KOT in 2013 en de doorwerking daarvan voor haar in het toeslagjaar 2014 kan dan ook niet slagen.
Opzet/Grove Schuld (O/GS)
15. Eiseres stelt dat door Dienst Toeslagen onvoldoende is onderzocht of er aanleiding is voor een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (O/GS-kwalificatie) als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht. Ter onderbouwing heeft zij bij haar aanvullend beroepschrift een e-mail van 10 april 2014 overgelegd, waarin zij verzoekt om uitstel van betaling en/of een betalingsregeling. Zij heeft daarin aangegeven dat ze niet in staat was het bedrag in één keer te voldoen. Ook schrijft ze daarin dat een door haar in december 2013 gedane voorstel naar draagkracht was afgewezen en dat zij in januari 2014 opnieuw een voorstel had gedaan. Eiseres stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat haar verzoeken tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling zijn afgewezen. Die afwijzing kan verband houden met een O/GS kwalificatie. Dienst Toeslagen stelt nu slechts dat van een O/GS kwalificatie geen sprake is, maar onderbouwt dit niet met de hieraan ten grondslag liggende stukken en dat had wel moeten gebeuren, zo stelt eiseres. Zij vindt daarom dat Dienst Toeslagen moet worden opgedragen de invorderingsdossiers over 2007, 2010, 2011, 2012. 2013 en 2014 te overleggen. Vooral de informatie uit het BARC-systeem is aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken, nu in dat systeem regelmatig informatie aanwezig is die ziet op vooringenomenheid en hardheid, aldus eiseres.
16. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van de in beroep overgelegde e-mail van 10 april 2014 kort voor de zitting nog nader onderzoek gedaan, omdat uit de e-mail blijkt dat eiseres destijds heeft verzocht om een betalingsregeling en niet duidelijk is waarom daar niet op is gereageerd. Gemachtigde van Dienst Toeslagen heeft op de zitting het “Zoekdocument O/GS-vaststelling KOT” overgelegd waarin is beschreven hoe het onderzoek naar de kwalificatie O/GS is gedaan en dat verschillende systemen zijn geraadpleegd om te controleren of in het verleden bij eiseres O/GS is vastgesteld. Uit het onderzoek blijkt opnieuw dat bij eiseres geen sprake was van een O/GS kwalificatie, zo stelt Dienst Toeslagen.
17. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit artikel 2.6, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming toekent als aan een aanvrager geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte O/GS-kwalificatie ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Het gaat er dus om of aan eiseres een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie, en of Dienst Toeslagen in dat verband voldoende onderzoek heeft gedaan. De rechtbank beschikt net als eiseres over het bezwaardossier. Daaruit blijkt niet wat er met de e-mail van 10 april 2014 is gebeurd, ook niet een duidelijke afwijzing van de daarin gevraagde betalingsregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende aannemelijk dat er bij eiseres geen sprake was van een O/GS kwalificatie. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van de door eiseres overgelegde e-mail opnieuw onderzoek laten doen door het organisatieonderdeel Centrale Administratieve Processen, waarbij opnieuw de uitkomst was dat eiseres geen O/GS kwalificatie heeft gekregen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de uitkomst van dat onderzoek te twijfelen. Verder is in het door Dienst Toeslagen overgelegde Zoekdocument toegelicht op welke manier het onderzoek naar het bestaan van een O/GS kwalificatie is verricht. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat in dit verband voldoende. Dienst Toeslagen heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. Voor het opdragen van nader onderzoek of het overleggen van nadere stukken bestaat geen aanleiding. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
18.1
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
18.2
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
18.3
De redelijke termijn is gestart op het moment dat Dienst Toeslagen het bezwaarschrift heeft ontvangen, op 3 januari 2023. Tot aan deze uitspraak heeft de procedure drie jaar en acht maanden geduurd. De redelijke termijn is daarom met een jaar en acht maanden overschreden. Dienst Toeslagen heeft op 6 februari 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Vervolgens heeft eiseres op 14 maart 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en acht maanden volledig voor rekening van Dienst Toeslagen komt.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade
€ 2.000,-.
Conclusie en gevolgen
19.1
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen het compensatiebedrag voor de proceskosten op de juiste manier heeft berekend.
19.2
Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van het griffierecht.
19.3
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
griffier
rechter
is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 72.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3825.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2052
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om compensatie over een aantal periodes toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1
Eiseres heeft zich in het kader van de hersteloperatie aangemeld voor een herbeoordeling van de haar toegekende kinderopvangtoeslag (KOT). Met het besluit van 26 mei 2021 (de eerste toets) heeft Dienst Toeslagen aan eiseres € 30.000,- (Catshuisregeling) toegekend.
1.2
Met het primaire besluit van 28 november 2022 heeft Dienst Toeslagen na een integrale herbeoordeling van de toeslagjaren 2007 en 2010 tot en met 2014 aan eiseres een compensatie voor vooringenomenheid toegekend van € 28.160,- voor het jaar 2010, de periode september tot en met december 2011 en de periode januari tot en met mei en september 2012. Voor de overige jaren en periodes heeft Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft Dienst Toeslagen het bezwaar gegrond verklaard en de grondslag voor toeslagjaar 2011 en toeslagjaar 2012 gecorrigeerd en eiseres gecompenseerd voor de periode september tot en met december 2011 en de maanden januari tot en met mei, juli en september 2012, wat tot een nabetaling leidt van € 7.704,-. Voor de overige periodes is Dienst Toeslagen bij de afwijzing gebleven.
1.4
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 24 april 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend en Dienst Toeslagen heeft daarop nog op 8 mei 2026 kort gereageerd.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen vergezeld door haar collega mr. [gemachtigde 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht bij het bestreden besluit de compensatie over de maanden januari tot en met augustus 2011, de maanden juni, augustus en oktober tot en met december 2012, het jaar 2013 en het jaar 2014 op grond van de Wht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3.1
De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven.
3.2
Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van KOT, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade.
Toeslagjaar 2011
4. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de compensatie vanwege vooringenomen handelen slechts is toegekend over de maanden september tot en met december 2011 en niet over heel 2011. Ze wijst op haar bezwaarschrift van 1 augustus 2014 waaruit is af te leiden dat zij over geheel 2011 kinderopvang heeft afgenomen. Zij vindt dat het ontbreken van gegevens in de KOI viewer niet zonder meer voor haar rekening kan komen, vooral omdat de kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren gegevens voor de KOI viewer aan te leveren. Nu er geen stukken zijn waaruit blijkt dat zij niet in heel 2011 opvang heeft genoten moet ervan worden uitgegaan dat zij in overeenstemming met haar aanvraag wel geregistreerde opvang heeft genoten over heel 2011, zo stelt eiseres.
5. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Eiseres moet dus meer doen dan alleen stellen dat zij een aanvraag om KOT heeft ingediend en heel het jaar 2011 kinderopvang heeft afgenomen. Aannemelijk maken betekent dat eiseres aan de hand van verklaringen en stukken moet onderbouwen dat haar stelling juist is. Dit betekent niet dat wordt gevraagd alles te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat een stelling wordt ondersteund door of past bij de aanwezige informatie. Daarvan is in dit geval geen sprake. Anders dan eiseres stelt, is het in deze omstandigheden niet zo dat het aan Dienst Toeslagen is om te onderbouwen dat eiseres in de periode januari tot en met augustus 2011 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat de bewijslast volledig bij Dienst Toeslagen zou liggen. Eiseres heeft bij haar bezwaar facturen overgelegd van september 2011 en oktober 2011 en e-mailberichten waaruit afgeleid kan worden dat kinderopvang ook over november en december 2011 is afgenomen. Over de andere maanden van 2011 zijn er geen aanknopingspunten (zoals e-mailcorrespondentie, facturen of bankafschriften) waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook over januari tot en met augustus 2011 kinderopvang is genoten. In die omstandigheden heeft Dienst Toeslagen kunnen concluderen dat eiseres niet over heel 2011 opvang heeft afgenomen en dat hiermee over de maanden januari tot en met augustus 2011 geen recht op KOT bestond.
Toeslagjaar 2012
6. Eiseres voert aan dat de maand juni 2012 ten onrechte buiten de compensatie is gelaten.
Ze heeft in bezwaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat over januari tot en met juli 2012 door het gastouderbureau een bedrag van € 13.515,- aan opvangkosten is gefactureerd. Ook blijkt dit uit een e-mail van 29 juli 2014. In het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) staat ook dat Dienst Toeslagen heeft toegezegd dat de maand juni 2012 alsnog gecompenseerd zou worden, maar bij het bestreden besluit is Dienst Toeslagen ongemotiveerd afgeweken van het advies op dit punt.
7. Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de vermelding van de maand juni 2012 in het advies van de BAC een schrijffout is. In het primaire besluit was voor de compensatieberekening gerekend met zes maanden (januari t/m mei en september). In de schriftelijke reactie van 22 september 2023 op het bezwaar van eiseres aan de BAC staat dat gebleken is dat de maand juli niet is meegenomen in de compensatieberekening en dat bij de te nemen beslissing op bezwaar deze maand alsnog zal worden toegevoegd. In het bestreden besluit is dit dan ook hersteld, omdat de compensatie moet worden berekend over zeven maanden: januari t/m mei, juli en september. Dat de BAC in het advies de maand juni vermeldt in plaats van de maand juli is dan ook als kennelijke verschrijving aan te merken. De rechtbank kan dit volgen.
8. De verwijzing naar de e-mail van 29 juli 2014 met daarin de vermelding dat de factuur 2346 voor de maand juni 2012 nog niet is voldaan, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat in juni 2012 wel kinderopvang is afgenomen. Temeer nu de factuur 2346 voor de maand juni 2012 uitsluitend een bedrag voor administratiekosten vermeldt en geen opvangkosten van € 912,50, zoals die wel vermeld staan op de facturen van januari t/m mei 2012 en de maand juli 2012. Vanwege het ontbreken van opvanggegevens over de maand juni 2012 heeft Dienst Toeslagen dan ook mogen concluderen dat eiseres geen opvang heeft afgenomen in die maand en dus ook geen kosten voor kinderopvang had. Dat betekent dat zij ook geen recht had op KOT over die maand en daardoor ook geen recht op compensatie.
Toeslagjaar 2013
9. Eiseres voert aan dat ten onrechte over dit jaar geen compensatie is toegekend. De KOT is op nihil gezet, zonder dat zij twee keer schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren. Eiseres wijst op een e-mailbericht van de bemiddelingsmedewerker van [bedrijf] van 4 maart 2014 dat voor 2013 KOT is aangevraagd en dat daaruit dus blijkt dat zij kinderopvang afnam via [bedrijf] . Doordat geen KOT is toegekend, kreeg zij betalingsproblemen bij de kinderopvanginstelling.
10.1
De rechtbank stelt vast dat voor dit toeslagjaar van vooringenomenheid is uitgegaan, omdat niet kon worden aangetoond dat de Belastingdienst voorafgaand aan de nihilstelling eiseres meer dan één keer (schriftelijk) om informatie heeft gevraagd.
10.2
Compensatie kan echter niet worden toegekend als de door eiseres geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hieronder ook de situatie valt waarin evident geen recht op KOT bestond, omdat er geen opvang is genoten. Dienst Toeslagen heeft gemotiveerd uiteengezet dat er geen recht op compensatie bestaat, omdat er geen aanwijzingen zijn dat in 2013 gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Zo zijn er blijkens de KOI viewer geen opvanggegevens aangeleverd door een opvanginstelling of gastouder. Uit de overgelegde aanvraag en de e-mailcorrespondentie van 11 februari 2014 en 4 en 11 maart 2014 is niet af te leiden dat eiseres in 2013 daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen. Er blijkt alleen uit dat eiseres in 2014 contact had met bemiddelingsmedewerker van [bedrijf] en dat deze contact opnam met de Belastingdienst voor opheldering over de aanvraag voor 2013 en het stopzetten van de KOT in 2014.
10.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat er geen aanknopingspunt is dat er kinderopvang is genoten in 2013. Dat betekent dat zij ook geen recht had op kinderopvangtoeslag en daardoor ook geen recht op compensatie.
11. Eiseres heeft in het aanvullend beroepschrift en op de zitting aangevoerd dat op haar brief van 11 maart 2014 – waarin zij opheldering vraagt over de stopzetting van de KOT op 28 februari 2014 per 1 januari 2013 – niet inhoudelijk is gereageerd en dat die brief als bezwaarschrift in behandeling had moeten worden genomen. De stopzetting van de KOT die zij in deze brief duidelijk heeft betwist, is nu nooit goed onderzocht.
12. De betreffende brief van 11 maart 2014 is wel opgenomen in het dossier, maar een inhoudelijke reactie ontbreekt in het dossier. Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat de brief niet als bezwaarschrift is aangemerkt en dus niet is behandeld als bezwaarschrift, maar is aangemerkt als een verzoek om verduidelijking vanuit eiseres. De rechtbank kan dit volgen. Eiseres verzoekt immers in die brief om een verduidelijking te geven waarom haar aanvraag is stopgezet per 1 januari 2013 en bovendien was er op dat moment al een bezwaarschrift door haar ingediend en in behandeling.
Toeslagjaar 2014
13. Eiseres voert aan dat haar betwisting van de stopzetting ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling van het toeslagjaar 2014. Zij had uitdrukkelijk vermeld dat haar aanvraag ook betrekking had op de KOT over zowel 2013 als 2014. Nu is onvoldoende onderzocht of eiseres door het handelen van de Belastingdienst/Dienst Toeslagen is belemmerd in het voortzetten of opnieuw verkrijgen van de KOT, zo stelt eiseres.
14.1
De KOT voor 2014 is op 22 november 2013 op nihil gesteld en dus niet automatisch verlengd. Bij de voorschotbeschikking van 22 september 2014 en de definitieve beschikking van 28 januari 2016 is de KOT op nihil gesteld. Eiseres heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
14.2
Net als voor toeslagjaar 2013 is ook voor dit toeslagjaar Dienst Toeslagen uitgegaan van aanwijzingen van vooringenomenheid, omdat niet is gebleken dat aan eiseres twee keer schriftelijk om informatie is verzocht. Toch is er geen compensatie toegekend, omdat er op basis van de KOI viewer geen aanwijzingen zijn dat in 2014 gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Ook eiseres heeft hierover niets aangeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen dan ook op goede grond kunnen concluderen dat er geen aanknopingspunt is dat er kinderopvang is genoten in dat jaar. Dat betekent dat eiseres ook evident geen recht had op KOT en daardoor ook geen recht op compensatie. Wat eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de stopzetting van de KOT in 2013 en de doorwerking daarvan voor haar in het toeslagjaar 2014 kan dan ook niet slagen.
Opzet/Grove Schuld (O/GS)
15. Eiseres stelt dat door Dienst Toeslagen onvoldoende is onderzocht of er aanleiding is voor een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (O/GS-kwalificatie) als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht. Ter onderbouwing heeft zij bij haar aanvullend beroepschrift een e-mail van 10 april 2014 overgelegd, waarin zij verzoekt om uitstel van betaling en/of een betalingsregeling. Zij heeft daarin aangegeven dat ze niet in staat was het bedrag in één keer te voldoen. Ook schrijft ze daarin dat een door haar in december 2013 gedane voorstel naar draagkracht was afgewezen en dat zij in januari 2014 opnieuw een voorstel had gedaan. Eiseres stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat haar verzoeken tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling zijn afgewezen. Die afwijzing kan verband houden met een O/GS kwalificatie. Dienst Toeslagen stelt nu slechts dat van een O/GS kwalificatie geen sprake is, maar onderbouwt dit niet met de hieraan ten grondslag liggende stukken en dat had wel moeten gebeuren, zo stelt eiseres. Zij vindt daarom dat Dienst Toeslagen moet worden opgedragen de invorderingsdossiers over 2007, 2010, 2011, 2012. 2013 en 2014 te overleggen. Vooral de informatie uit het BARC-systeem is aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken, nu in dat systeem regelmatig informatie aanwezig is die ziet op vooringenomenheid en hardheid, aldus eiseres.
16. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van de in beroep overgelegde e-mail van 10 april 2014 kort voor de zitting nog nader onderzoek gedaan, omdat uit de e-mail blijkt dat eiseres destijds heeft verzocht om een betalingsregeling en niet duidelijk is waarom daar niet op is gereageerd. Gemachtigde van Dienst Toeslagen heeft op de zitting het “Zoekdocument O/GS-vaststelling KOT” overgelegd waarin is beschreven hoe het onderzoek naar de kwalificatie O/GS is gedaan en dat verschillende systemen zijn geraadpleegd om te controleren of in het verleden bij eiseres O/GS is vastgesteld. Uit het onderzoek blijkt opnieuw dat bij eiseres geen sprake was van een O/GS kwalificatie, zo stelt Dienst Toeslagen.
17. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit artikel 2.6, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming toekent als aan een aanvrager geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte O/GS-kwalificatie ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Het gaat er dus om of aan eiseres een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie, en of Dienst Toeslagen in dat verband voldoende onderzoek heeft gedaan. De rechtbank beschikt net als eiseres over het bezwaardossier. Daaruit blijkt niet wat er met de e-mail van 10 april 2014 is gebeurd, ook niet een duidelijke afwijzing van de daarin gevraagde betalingsregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende aannemelijk dat er bij eiseres geen sprake was van een O/GS kwalificatie. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van de door eiseres overgelegde e-mail opnieuw onderzoek laten doen door het organisatieonderdeel Centrale Administratieve Processen, waarbij opnieuw de uitkomst was dat eiseres geen O/GS kwalificatie heeft gekregen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de uitkomst van dat onderzoek te twijfelen. Verder is in het door Dienst Toeslagen overgelegde Zoekdocument toegelicht op welke manier het onderzoek naar het bestaan van een O/GS kwalificatie is verricht. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat in dit verband voldoende. Dienst Toeslagen heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. Voor het opdragen van nader onderzoek of het overleggen van nadere stukken bestaat geen aanleiding. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
18.1
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
18.2
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
18.3
De redelijke termijn is gestart op het moment dat Dienst Toeslagen het bezwaarschrift heeft ontvangen, op 3 januari 2023. Tot aan deze uitspraak heeft de procedure drie jaar en acht maanden geduurd. De redelijke termijn is daarom met een jaar en acht maanden overschreden. Dienst Toeslagen heeft op 6 februari 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Vervolgens heeft eiseres op 14 maart 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en acht maanden volledig voor rekening van Dienst Toeslagen komt.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade
€ 2.000,-.
Conclusie en gevolgen
19.1
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen het compensatiebedrag voor de proceskosten op de juiste manier heeft berekend.
19.2
Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van het griffierecht.
19.3
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
griffier
rechter
is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 72.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3825.