Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6357

2026-08-13 Bestuursrecht UTR 26/30
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/30
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Varia-zaak, tussenuitspraak, urgentieaanvraag vanwege medische indicatie, Huisvestingsverordening 2025 gemeente Soest. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van onvoldoende deskundigheid van de medisch adviseur. Ook vindt de rechtbank dat het medisch advies voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat het medisch advies naar inhoud niet concludent en inzichtelijk is en daarom kon verweerder het medisch advies niet ten grondslag leggen aan de afwijzing van de urgentieaanvraag.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.400 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/30 T


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, ,
(gemachtigde: P.S. Dijkstra en J.F.H. Molema).




Procesverloop


1. Eiseres heeft een urgentieaanvraag ingediend vanwege een medische indicatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 2 februari 2026 en op 26 juni 2026 gronden ingediend.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, [naam 1] (zwager) en de gemachtigden van het college.





Beoordeling door de rechtbank



De situatie van eiseres




3. Eiseres heeft een urgentieaanvraag gedaan op medische gronden, in het bijzonder voor haar (toen) 11-jarige dochter [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is geboren met vocht achter haar hersenvlies, zij heeft een genetische afwijking, een oogwijking, epilepsie, heeft een forse ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) en functioneert sociaal emotioneel op het niveau van een kleuter. Ook lijdt [minderjarige 1] aan een chronische darmziekte en is zij niet zindelijk. De laatste drie jaren is zij vaak ziek.



3.1.
Eiseres woont ruim twintig jaar in bij haar schoonouders. Zij woont daar samen met haar schoonouders, haar partner en hun twee dochters [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zoon [naam 2] heeft inmiddels per september 2025, na het indienen van de aanvraag om urgentie, een eigen woonplek gevonden. Het appartement van de schoonouders heeft drie slaapkamers en is 70 m2. Eén slaapkamer is voor de schoonouders, één voor de ouders en één voor de twee dochters. De ruimte in de gedeelde slaapkamer van de kinderen is volgens eiseres te krap. De medische situatie van [minderjarige 1] vraagt om meer (eigen) ruimte voor haar. Zij heeft een plek nodig waar zij kan ontprikkelen en zich kan terugtrekken. Bovendien zijn de schoonouders langer en meer in Nederland door gezondheidsproblemen. Ook is er veel bezoek van familie in de woning. De inwoning wordt voor de schoonouders nu ook te veel. Omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een slaapkamer slapen en [minderjarige 2] slaapproblemen heeft en [minderjarige 1] niet zindelijk is, maakt dat er sprake is van verstoring van de nachtrust. De wens van eiseres is om een zelfstandig appartement te krijgen.



De afwijzing van de urgentieaanvraag




4. Het college stelt dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie. Het college baseert deze conclusie op het rapport van [bedrijf] . Uit het rapport van [bedrijf] volgt dat het wenselijk is dat er een eigen woning komt, maar dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie die binnen 6 maanden moet zijn opgelost. Volgens het college voldoet eiseres daarom niet aan de criteria voor een medische indicatie uit artikel 12e van de Huisvestingsverordening 2021 van de gemeente Soest (hierna: de Huisvestingsverordening).




4.1.
Het college ziet geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. De persoonlijke omstandigheden van eiseres en [minderjarige 1] zijn geen reden om af te wijken van het beleid. Het college motiveert dat het probleem niet aantoonbaar onoplosbaar is nu er een alternatieve verlichting van het woonprobleem binnen afzienbare tijd mogelijk is, door het vertrek van de oudste zoon.



Het standpunt van eiseres




5. Eiseres voert aan dat het college niet zonder aanvullende motivering of onderzoek het sociaal-medisch advies van [bedrijf] heeft kunnen volgen. In dit advies wordt beoordeeld of de woonsituatie binnen 6 maanden kan worden opgelost. De bezwaarschriftenadviescommissie hanteert een periode van 12 maanden. Eiseres wijst er op dat uit artikel 12e van de Huisvestingsverordening volgt dat van belang is of de medische situatie maakt dat eiseres haar huisvestingsprobleem sneller moet oplossen dan de reguliere wachttijd. Eiseres stelt daarnaast dat de formulering van het advies tegenstrijdig en inconsistent is. Het verband met de woonsituatie wordt ontkend, terwijl wel wordt erkend dat de woonsituatie de klachten verergert. Het college heeft dan ook met de verwijzing naar het advies een onjuist toetsingskader gehanteerd en kon ook overigens met het advies en de daarin gegeven antwoorden niet aan de voorwaarden die staan in de Huisvestingsverordening toetsen.



5.1.
Eiseres voert verder aan dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres wijst er op dat de gezinscoach in de brief heeft gemeld dat [minderjarige 1] onder behandeling staat bij een kinderarts in verband met problemen met haar darmen. Volgens eiseres heeft de adviseur ten onrechte geen contact opgenomen met die arts van [minderjarige 1] . Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het niet gaat om een kinderarts, maar over de arts die onderzoek doet naar de darmziekte van [minderjarige 1] . Eiseres heeft opgemerkt dat uit de onderzoeken is gebleken dat het gaat om een genetisch probleem waarvoor geen behandeling mogelijk is. Verder voert eiseres aan dat de medisch adviseur in het BIG-register staat ingeschreven als arts zonder nadere specialisatie. Het college had moeten nagaan of de medisch adviseur beschikte over voldoende kennis.



5.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat voldaan is aan de voorwaarden voor de medische urgentieverklaring. De woonsituatie heeft grote invloed op alle gezinsleden en met name op [minderjarige 1] . Ook in het advies staat dat het zeer wenselijk is dat het gezin een eigen woning krijgt. Als gevolg van de woonsituatie is er een toename in lichamelijke en mentale klachten en schoolverzuim. Daarnaast wordt [minderjarige 1] gestoord in haar nachtrust, is zij meer gestrest door de vele familie in huis en wil zij niet meer naar school.



Het toetsingskader




6. Een urgentieverklaring kan worden toegekend op grond van een medische indicatie. Van een medische indicatie is sprake indien - eventueel op advies van een door het college in te schakelen onafhankelijk medisch adviesorgaan - is vastgesteld dat, in afwijking van de reguliere wachttijd, een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit medisch oogpunt noodzakelijk is. Hierbij dient een relatie te bestaan tussen de medische problematiek en de huidige woonsituatie, en er naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen.




6.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Het bestuursorgaan mag in beginsel op het advies van een deskundige afgaan. Reden hiervoor is dat een deskundige de - in dit geval medische - kennis heeft om onderliggende stukken en andere informatie te beoordelen.



6.2.
Als het bestuursorgaan een advies van een deskundige aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig is en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als het bestuursorgaan heeft voldaan aan deze op hem rustende vergewisplicht, mag hij in beginsel uitgaan van de juistheid van het advies. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.



Is het medisch advies zorgvuldig tot stand gekomen?




7. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het advies van de medisch adviseur onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de adviesrapportage van [bedrijf] volgt dat het medisch advies is gebaseerd op het huisbezoek dat plaatsvond op 27 mei 2025. Bij dat huisbezoek waren eiseres en haar schoonmoeder aanwezig. De medisch adviseur heeft toen kort [minderjarige 2] (de andere dochter) en de partner van eiseres gesproken. Ook volgt uit de rapportage dat het advies is gebaseerd op gericht onderzoek en observatie, dat het schoolverzuim en de aanvullende medische informatie (het psychodiagnostisch onderzoek uit oktober 2024) is betrokken en dat intercollegiaal overleg heeft plaatsgevonden. Verder wordt genoemd dat de brieven van het sociaal team en de gezinscoach zijn betrokken.




7.1.
De rechtbank is ook niet gebleken dat sprake is van onvoldoende deskundigheid van de medisch adviseur. De medisch adviseur die de rapportage heeft opgemaakt is een arts, geregistreerd in het BIG-register. Dat deze arts niet deskundig zou zijn om een sociaal-medisch advies te geven, daar ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor. De enkele stelling van eiseres dat deze arts geen specialisme heeft vindt de rechtbank daartoe onvoldoende.



7.2.
De rechtbank vindt het verder niet onzorgvuldig dat de medisch adviseur geen contact heeft opgenomen met de arts die volgens eiseres onderzoek heeft gedaan naar de darmproblematiek van [minderjarige 1] . In de bezwaarprocedure heeft het college toegelicht dat de beschikbare medische informatie is gebruikt en dat aanvullende artsenverklaringen door privacyregelgeving niet zomaar door de adviseur kunnen worden opgevraagd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres ligt om de informatie van deze arts aan te leveren. Dat staat ook vermeld in de informatie die aan eiseres is verstrekt naar aanleiding van haar aanvraag. In de enkele melding in de brief van de gezinscoach dat er onderzoek wordt gedaan door een kinderarts naar mogelijke darmproblemen heeft de medisch adviseur geen aanleiding hoeven zien om zelfstandig contact te leggen met deze arts. Bovendien heeft eiseres in haar beroepsgronden en op de zitting niet inzichtelijk gemaakt waarom de informatie van deze arts tot een andere beoordeling van het medisch advies had moeten leiden. De rechtbank is van oordeel dat het medisch advies voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.



Is het medisch advies naar inhoud concludent en inzichtelijk en kon het college het medisch advies ten grondslag leggen aan de afwijzing van de urgentieaanvraag?




8. De rechtbank is van oordeel dat het medisch advies geen antwoord geeft op de vraag die volgt uit het kader zoals dat is geformuleerd in artikel 12e, eerste lid en onder a, van de Huisvestingsverordening. Uit dit artikel volgt dat sprake is van een medische indicatie indien is vastgesteld dat, in afwijking van de reguliere wachttijd, een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit medisch oogpunt noodzakelijk is. Hierbij dient een relatie te bestaan tussen de medische problematiek en de huidige woonsituatie en dient er naar het oordeel van het college geen andere mogelijkheid te bestaan om het woonruimte probleem op te lossen.




8.1.
In het medisch advies is niet beoordeeld of “in afwijking van de reguliere wachttijd” een snellere oplossing noodzakelijk is. Het advies geeft antwoord op de vraag of er sprake is van een woonsituatie die “op zeer korte termijn, binnen 6 maanden”, opgelost moet worden. In het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt vervolgens nog gesproken over een termijn van 12 maanden. Deze termijn lijkt te verwijzen naar de toelichting bij artikel 12 van de Huisvestingsverordening. Maar artikel 12 van de Huisvestingsverordening gaat over de algemene criteria voor urgentie, en dat artikel heeft het college eiseres niet tegengeworpen.



8.2.
Daarnaast is bij artikel 12e van de Huisvestingsverordening de vraag relevant of er een relatie bestaat tussen de medische problematiek en de huidige woonsituatie. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord in het medisch advies op die vraag verwarrend is. In het medisch advies is vermeld: “De medische problematiek van jongste dochter is niet veroorzaakt door de woonsituatie, maar de woonsituatie zorgt in de periode dat grootouders ook in het appartement verblijven, weldegelijk tot een toename van lichamelijke en mentale klachten bij jongste dochter, met een toename van ziekteperiodes en schoolverzuim.” De rechtbank leest hierin dat volgens de adviseur de woonsituatie de problematiek niet (heeft) veroorzaakt, maar ook dat de woonsituatie wel zorgt voor een toename van de problematiek. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom die toename van de problematiek toch niet duidt op een relatie tussen de medische problematiek en de woonsituatie. Daarbij merkt de rechtbank op dat het volgens de tekst van artikel 12e van de Huisvestingsverordening dient te gaan om een relatie tussen de medische problematiek en de huidige woonsituatie. Hieruit volgt niet dat uitsluitend van belang is dat de problematiek door de woonsituatie moet zijn veroorzaakt.



8.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college niet op basis van de inhoud van het medisch advies heeft kunnen stellen dat niet is voldaan aan artikel 12e van de Huisvestingsverordening en dat geen sprake is van een medische indicatie. Dat standpunt is met de verwijzing naar het advies dan ook onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is in zoverre gegrond.



Hoe gaat het nu verder?




9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het college in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen (bestuurlijke lus). Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van die bevoegdheid hier gebruik te maken. De reden daarvoor is om de snelheid in deze procedure te houden en omdat beide partijen op de zitting hebben laten weten hier de voorkeur aan te geven. Het college zal het gebrek alleen kunnen herstellen door een nieuw besluit te nemen. In de rede ligt dat het college daartoe een nieuw medisch advies opvraagt in het licht van het toetsingskader van artikel 12e van de Huisvestingsverordening. Vervolgens dient het college in het licht van dit geldende toetsingskader opnieuw te beoordelen of eiseres aan de vereisten voldoet. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.




9.1.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.






Beslissing


De rechtbank:


- draagt het college op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Ten tijde van de behandeling van het bezwaar is de Huisvestingsverordening 2025 van de gemeente Soest in werking getreden. Volgens het daarbij behorend overgangsrecht is de Huisvestingsverordening 2021 van toepassing.


Dit volgt uit artikel 10, tweede lid en onder e, van de Huisvestingsverordening.


Dit volgt uit artikel 12e, eerste lid en onder a, van de Huisvestingsverordening.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1437.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1753, rechtsoverweging 4.1.