Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6356
2026-08-14
Bestuursrecht
UTR 26/174
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Varia-zaak, Advocatenwet, bezwaar te laat ingediend. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Het beroep is ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.043 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.C.E. Kiefte).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat het te laat indienen niet verschoonbaar is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 september 2025 een aanvraag ingediend op grond van artikel 2, vierde lid, van de Advocatenwet. Eiser is in [land] werkzaam als advocaat en hij wil zich in Nederland ook laten inschrijven als advocaat. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2026 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet op tijd is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Omdat eiser advocaat is en werkzaam is als jurist in Nederland is eiser aan te merken als (voormalig) professionele rechtshulpverlener en mag van hem worden verwacht dat hij weet hoe belangrijk het is om tijdig bezwaar te maken en ook de risico’s te kennen van het overschrijden van de bezwaartermijn. Verweerder ziet niet in waarom eiser gelet op zijn omstandigheden niet in staat was om bezwaar te maken of dat voor hem te laten doen.
Het standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Tijdens de bezwaartermijn werd bij eisers Nederlandse schoonmoeder terminale kanker vastgesteld. Deze situatie veroorzaakte een acute crisissituatie binnen het gezin waardoor eiser zijn volledige tijd en aandacht moest richten op de ondersteuning van zijn partner en haar familie. Deze omstandigheden leidden tot ernstige mentale en emotionele overbelasting bij eiser. Eiser had een geestelijke inzinking waarvoor hij professionele hulp heeft gezocht.
4.1.
Kort samengevat voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat hij in staat was om tijdig bezwaar in te dienen ondanks de geschetste omstandigheden. Eiser stelt dat uit jurisprudentie niet volgt dat ook een professioneel rechtshulpverlener door deze uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden tijdelijk feitelijk handelingsonbekwaam kan zijn. Ook vindt eiser dat verweerder de persoonlijke omstandigheden onjuist heeft gewogen. Eiser stelt verder dat verweerder heeft miskend dat hij, ondanks dat hij niet hele periode met verlof was, psychisch niet in staat was om complexe administratie of juridische handelingen te verrichten. Tot slot stelt eiser dat zijn recht op effectieve toegang tot de rechter beperkt is omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
Toetsingskader
5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van het besluit. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De niet-ontvankelijkheid blijft achterwege wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. Dit betekent dat, als eenmaal is vastgesteld dat de termijn is overschreden, moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding verwijtbaar of juist verschoonbaar is.
5.2.
De bestuursrechter kan oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, zoals eiser hier ook aanvoert. Uit rechtspraak volgt dat de hoogste bestuursrechter een minder strikte uitleg van artikel 6:11 van de Awb hanteren dan voorheen in de jurisprudentie werd gevolgd. De beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, vergt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering.
5.3.
Dit kunnen bijzondere omstandigheden bij de indiener zelf zijn, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan, maar ook externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen. Verder kunnen de hoedanigheid van de indiener (burger, onderneming, belangenorganisatie, bestuursorgaan) en de mate van deskundigheid en professionaliteit, de omvang van de termijnoverschrijding en de partijenconstellatie (is sprake van een twee- of meerpartijengeschil) een rol spelen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet toerekenbaar is, moet de bestuursrechter van geval tot geval bekijken. Daarnaast geldt bij het bewijzen van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen een minder strikte benadering. Aan de bewijsmiddelen mogen geen onnodig hoge eisen worden gesteld. Bovendien ligt het op de weg van de indiener om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar het bestuursorgaan of de bestuursrechter moet de indiener daartoe wel in de gelegenheid stellen en de indiener informeren over de punten waarvoor aanvullend bewijs nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
6. Niet in geschil is dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. De termijn voor het instellen van bezwaar liep tot en met 3 november 2025 en eiser heeft op 17 november 2025 bezwaar gemaakt.
7. De vraag die voorligt is of het niet op tijd indienen van het bezwaar aan eiser kan worden toegerekend.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in [land] werkzaam is als advocaat en dat hij in Nederland dat beroep ook wil uitoefenen. Eiser heeft dus juridische kwalificaties waarvan hij zelf ook meent dat hij op basis daarvan in Nederland het beroep advocaat kan uitoefenen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat gelet op zijn deskundigheid en professionaliteit mag worden verwacht dat hij weet hoe belangrijk het is om binnen de termijn bezwaar in te dienen of te zorgen dat iemand dat kan doen.
9. De rechtbank is verder niet gebleken dat er geen gelegenheid was om tijdig bezwaar te maken, zo nodig pro forma. Uit het dossier maakt de rechtbank het volgende op. Verweerder vraagt op 17 november 2025 aan eiser om de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding te motiveren. Eiser antwoordt op 17 november 2025 dat de termijnoverschrijding werd veroorzaakt doordat bij zijn schoonmoeder terminale kanker werd vastgesteld, hij tijd nodig had om hulp te krijgen en dat hij zijn partner en familie moest ondersteunen. Vervolgens heeft verweerder op 17 november 2025 gewezen op de mogelijkheid om deze motivering te onderbouwen. Eiser heeft daar niet op gereageerd. Op 25 november 2025 vraagt verweerder aan eiser om bewijs aan te leveren dat hij als advocaat werkzaam was in [land] . Eiser levert op 26 november 2025 stukken aan ter onderbouwing van zijn werkzaamheden als advocaat. Vervolgens geeft verweerder eiser op 26 november 2025 de gelegenheid om de persoonlijke omstandigheden specifieker te onderbouwen en om uit te leggen waarom het voor eiser onmogelijk was om tijdig zijn bezwaar in te dienen. Eiser geeft hierop aan dat hij door de situatie een geestelijke inzinking had en hulp heeft gezocht bij een psychotherapeut. Ook geeft eiser aan dat hij dit desgewenst kan onderbouwen met medische verklaringen. Verweerder vraagt vervolgens op 26 november 2025 of eiser een ziektemelding van zijn werkgever kan overleggen. Op 27 november 2025 geeft eiser aan dat hij geen verwijzing naar de bedrijfsarts kan geven, maar wel een overzicht van zijn agenda waaruit blijkt dat hij van 13 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 verlof heeft genomen. Ook overlegt eiser een verklaring van de HR-afdeling waarin wordt bevestigd dat hij gedurende enige periode verlof moest opnemen vanwege moeilijke persoonlijke omstandigheden die zich sinds augustus 2025 voordeden en bij de werkgever bekend zijn. Verweerder geeft op 28 november 2025 aan dat het aan eiser is om verder bewijs aan te leveren. Eiser heeft hier niet meer op gereageerd.
10. Uit deze informatie maakt de rechtbank op dat eiser toelicht dat hij door de situatie van zijn schoonmoeder onder grote emotionele druk stond en zich daardoor niet kon focussen op werkgerelateerde aspecten zoals e-mails, administratieve verplichtingen inclusief het indienen van een bezwaarschrift. Eiser geeft ook op verschillende momenten aan dat hij aan de huisarts een brief zou kunnen vragen, dat hij ook aanvullend bewijs kan overleggen van zijn psycholoog en dat hij in gesprek is met HR over nadere informatie. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stukken niet heeft overgelegd. Dit terwijl verweerder eiser meerdere keren heeft verzocht om een nadere toelichting en onderbouwing te geven. Uit de overgelegde informatie kan voorts niet worden opgemaakt dat eiser de gehele (bezwaar)periode niet in de gelegenheid was om bezwaar te maken.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om de bijzondere omstandigheden (nader) te onderbouwen. De rechtbank concludeert dat het geheel van omstandigheden hierboven maakt dat er geen sprake is van een situatie waarvan het te laat indienen van het bezwaar niet aan eiser kan worden toegerekend.
12. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn bezwaar in strijd is met de evenredigheid, overweegt de rechtbank dat het bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb gaat om een gebonden bevoegdheid. Als vastgesteld is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en vervolgens is geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een aanvullende belangenafweging is geen plaats.
13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat zijn recht op effectieve toegang tot de rechter disproportioneel wordt beperkt doordat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard zonder rekening te houden met zijn feitelijke handelingsonbekwaamheid, niet slaagt. Eiser heeft beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit en op die manier het standpunt van verweerder over de ontvankelijkheid aan de rechter kunnen voorleggen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:7 van de Awb.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Zie de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 31 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie rechtsoverweging 3.3., ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie rechtsoverweging 3.4, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.C.E. Kiefte).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk kon verklaren omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat het te laat indienen niet verschoonbaar is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 september 2025 een aanvraag ingediend op grond van artikel 2, vierde lid, van de Advocatenwet. Eiser is in [land] werkzaam als advocaat en hij wil zich in Nederland ook laten inschrijven als advocaat. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2026 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet op tijd is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Omdat eiser advocaat is en werkzaam is als jurist in Nederland is eiser aan te merken als (voormalig) professionele rechtshulpverlener en mag van hem worden verwacht dat hij weet hoe belangrijk het is om tijdig bezwaar te maken en ook de risico’s te kennen van het overschrijden van de bezwaartermijn. Verweerder ziet niet in waarom eiser gelet op zijn omstandigheden niet in staat was om bezwaar te maken of dat voor hem te laten doen.
Het standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Tijdens de bezwaartermijn werd bij eisers Nederlandse schoonmoeder terminale kanker vastgesteld. Deze situatie veroorzaakte een acute crisissituatie binnen het gezin waardoor eiser zijn volledige tijd en aandacht moest richten op de ondersteuning van zijn partner en haar familie. Deze omstandigheden leidden tot ernstige mentale en emotionele overbelasting bij eiser. Eiser had een geestelijke inzinking waarvoor hij professionele hulp heeft gezocht.
4.1.
Kort samengevat voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat hij in staat was om tijdig bezwaar in te dienen ondanks de geschetste omstandigheden. Eiser stelt dat uit jurisprudentie niet volgt dat ook een professioneel rechtshulpverlener door deze uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden tijdelijk feitelijk handelingsonbekwaam kan zijn. Ook vindt eiser dat verweerder de persoonlijke omstandigheden onjuist heeft gewogen. Eiser stelt verder dat verweerder heeft miskend dat hij, ondanks dat hij niet hele periode met verlof was, psychisch niet in staat was om complexe administratie of juridische handelingen te verrichten. Tot slot stelt eiser dat zijn recht op effectieve toegang tot de rechter beperkt is omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
Toetsingskader
5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van het besluit. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De niet-ontvankelijkheid blijft achterwege wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. Dit betekent dat, als eenmaal is vastgesteld dat de termijn is overschreden, moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding verwijtbaar of juist verschoonbaar is.
5.2.
De bestuursrechter kan oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, zoals eiser hier ook aanvoert. Uit rechtspraak volgt dat de hoogste bestuursrechter een minder strikte uitleg van artikel 6:11 van de Awb hanteren dan voorheen in de jurisprudentie werd gevolgd. De beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, vergt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering.
5.3.
Dit kunnen bijzondere omstandigheden bij de indiener zelf zijn, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan, maar ook externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen. Verder kunnen de hoedanigheid van de indiener (burger, onderneming, belangenorganisatie, bestuursorgaan) en de mate van deskundigheid en professionaliteit, de omvang van de termijnoverschrijding en de partijenconstellatie (is sprake van een twee- of meerpartijengeschil) een rol spelen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet toerekenbaar is, moet de bestuursrechter van geval tot geval bekijken. Daarnaast geldt bij het bewijzen van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen een minder strikte benadering. Aan de bewijsmiddelen mogen geen onnodig hoge eisen worden gesteld. Bovendien ligt het op de weg van de indiener om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar het bestuursorgaan of de bestuursrechter moet de indiener daartoe wel in de gelegenheid stellen en de indiener informeren over de punten waarvoor aanvullend bewijs nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
6. Niet in geschil is dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. De termijn voor het instellen van bezwaar liep tot en met 3 november 2025 en eiser heeft op 17 november 2025 bezwaar gemaakt.
7. De vraag die voorligt is of het niet op tijd indienen van het bezwaar aan eiser kan worden toegerekend.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in [land] werkzaam is als advocaat en dat hij in Nederland dat beroep ook wil uitoefenen. Eiser heeft dus juridische kwalificaties waarvan hij zelf ook meent dat hij op basis daarvan in Nederland het beroep advocaat kan uitoefenen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat gelet op zijn deskundigheid en professionaliteit mag worden verwacht dat hij weet hoe belangrijk het is om binnen de termijn bezwaar in te dienen of te zorgen dat iemand dat kan doen.
9. De rechtbank is verder niet gebleken dat er geen gelegenheid was om tijdig bezwaar te maken, zo nodig pro forma. Uit het dossier maakt de rechtbank het volgende op. Verweerder vraagt op 17 november 2025 aan eiser om de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding te motiveren. Eiser antwoordt op 17 november 2025 dat de termijnoverschrijding werd veroorzaakt doordat bij zijn schoonmoeder terminale kanker werd vastgesteld, hij tijd nodig had om hulp te krijgen en dat hij zijn partner en familie moest ondersteunen. Vervolgens heeft verweerder op 17 november 2025 gewezen op de mogelijkheid om deze motivering te onderbouwen. Eiser heeft daar niet op gereageerd. Op 25 november 2025 vraagt verweerder aan eiser om bewijs aan te leveren dat hij als advocaat werkzaam was in [land] . Eiser levert op 26 november 2025 stukken aan ter onderbouwing van zijn werkzaamheden als advocaat. Vervolgens geeft verweerder eiser op 26 november 2025 de gelegenheid om de persoonlijke omstandigheden specifieker te onderbouwen en om uit te leggen waarom het voor eiser onmogelijk was om tijdig zijn bezwaar in te dienen. Eiser geeft hierop aan dat hij door de situatie een geestelijke inzinking had en hulp heeft gezocht bij een psychotherapeut. Ook geeft eiser aan dat hij dit desgewenst kan onderbouwen met medische verklaringen. Verweerder vraagt vervolgens op 26 november 2025 of eiser een ziektemelding van zijn werkgever kan overleggen. Op 27 november 2025 geeft eiser aan dat hij geen verwijzing naar de bedrijfsarts kan geven, maar wel een overzicht van zijn agenda waaruit blijkt dat hij van 13 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 verlof heeft genomen. Ook overlegt eiser een verklaring van de HR-afdeling waarin wordt bevestigd dat hij gedurende enige periode verlof moest opnemen vanwege moeilijke persoonlijke omstandigheden die zich sinds augustus 2025 voordeden en bij de werkgever bekend zijn. Verweerder geeft op 28 november 2025 aan dat het aan eiser is om verder bewijs aan te leveren. Eiser heeft hier niet meer op gereageerd.
10. Uit deze informatie maakt de rechtbank op dat eiser toelicht dat hij door de situatie van zijn schoonmoeder onder grote emotionele druk stond en zich daardoor niet kon focussen op werkgerelateerde aspecten zoals e-mails, administratieve verplichtingen inclusief het indienen van een bezwaarschrift. Eiser geeft ook op verschillende momenten aan dat hij aan de huisarts een brief zou kunnen vragen, dat hij ook aanvullend bewijs kan overleggen van zijn psycholoog en dat hij in gesprek is met HR over nadere informatie. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stukken niet heeft overgelegd. Dit terwijl verweerder eiser meerdere keren heeft verzocht om een nadere toelichting en onderbouwing te geven. Uit de overgelegde informatie kan voorts niet worden opgemaakt dat eiser de gehele (bezwaar)periode niet in de gelegenheid was om bezwaar te maken.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om de bijzondere omstandigheden (nader) te onderbouwen. De rechtbank concludeert dat het geheel van omstandigheden hierboven maakt dat er geen sprake is van een situatie waarvan het te laat indienen van het bezwaar niet aan eiser kan worden toegerekend.
12. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn bezwaar in strijd is met de evenredigheid, overweegt de rechtbank dat het bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb gaat om een gebonden bevoegdheid. Als vastgesteld is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en vervolgens is geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een aanvullende belangenafweging is geen plaats.
13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat zijn recht op effectieve toegang tot de rechter disproportioneel wordt beperkt doordat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard zonder rekening te houden met zijn feitelijke handelingsonbekwaamheid, niet slaagt. Eiser heeft beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit en op die manier het standpunt van verweerder over de ontvankelijkheid aan de rechter kunnen voorleggen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:7 van de Awb.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Zie de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 31 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie rechtsoverweging 3.3., ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie rechtsoverweging 3.4, ECLI:NL:CBB:2024:31.