Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6291
2026-09-02
Civiel recht
12017755 \ UC EXPL 25-10069
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Huurders kunnen geen rechten ontlenen aan uitspraken huurcommissie. Vordering tot terugbetaling van (gesteld) te veel betaalde huur wordt afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:657 Hoge Raad 23-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.714 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12017755 \ UC EXPL 25-10069
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.P. Visser,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende in [plaats 2] ,3. [gedaagde sub 3],
wonende in [plaats 1] ,4. [gedaagde sub 4],
wonende in [plaats 3] ,5. [gedaagde sub 5],
wonende in [plaats 1] ,6. [gedaagde sub 6],
wonende in [plaats 4] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] e.a.,
gemachtigde: Y. Delfstra, Robin Hood Legal.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de zes dagvaardingsexploten van 3 december 2025
- de akte overlegging producties 1-4- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties 1-6- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging eis in conventie en overlegging productie 5
- de akte overlegging producties 7-20 van [gedaagde sub 1] e.a.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 7 juli 2026. De heer [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. [gedaagde sub 1] e.a. zijn allen verschenen. Mevrouw [gedaagde sub 6] heeft namens [gedaagde sub 1] e.a. het woord gevoerd, bijgestaan door de heer Delfstra. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De kern
De Huurcommissie heeft in de uitspraken van 9 oktober 2025 op verzoek van [gedaagde sub 1] e.a. de aanvangshuurprijs getoetst en een huurprijsverlaging uitgesproken (na de uitspraken van 29 maart 2023 vervallen te hebben verklaard). [eiser] vindt dat [gedaagde sub 1] e.a. aan deze uitspraken geen rechten kunnen ontlenen. De kantonrechter volgt hem daarin. [gedaagde sub 1] e.a. eisen in deze procedure als tegenvordering (onder meer) dat [eiser] de teveel betaalde huur terugbetaalt. Die vordering wordt afgewezen omdat partijen elkaar in juni 2024 finale kwijting hebben verleend en omdat de beslissingen in de tussen partijen gewezen vonnissen van 27 december 2023 bindende kracht hebben. Om beide redenen hebben [gedaagde sub 1] e.a. geen vordering op [eiser] . Per saldo wordt de primaire vordering van [eiser] grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevraagde werkelijke advocaatkosten en wordt de tegenvordering afgewezen.
3De beoordeling in conventie en reconventie
Inleiding
3.1
[gedaagde sub 1] e.a. hebben in de periode 2020-2022 per tweetal een appartement gehuurd in de woning aan de [adres] in [plaats 1] , steeds voor de bepaalde tijd van een jaar.
[eiser] is de verhuurder/pachter van het pand. [onderneming] trad op als de beheerder.
3.2
Na afloop van de huurovereenkomsten hebben [gedaagde sub 1] e.a. op 5 september 2021 respectievelijk 21 maart 2022 de Huurcommissie verzocht om te beoordelen of de overeengekomen huurprijs redelijk is. In die procedure is [onderneming] (hierna: [onderneming] ) door de Huurcommissie als wederpartij/verhuurder aangemerkt. [onderneming] heeft zich in de procedure bij de Huurcommissie onttrokken als gemachtigde van de verhuurder.
3.3
De (zittingsvoorzitter van de) Huurcommissie heeft in de uitspraken van
29 maart 2023, tussen [gedaagde sub 1] e.a. als verzoekers en [onderneming] als wederpartij, geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk was en verder dat in verband met gebreken de huurprijs tijdelijk verminderd moest worden tot 80% van de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs.
3.4
Na deze uitspraken hebben [gedaagde sub 1] e.a. een procedure gestart tegen [eiser] om de teveel betaalde huur terug te krijgen. [gedaagde sub 1] e.a. hebben de kantonrechter in dit verband verzocht om een verklaring van recht dat [eiser] in de uitspraken van de Huurcommissie als wederpartij wordt aangemerkt. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring van recht afgewezen. Ook de vordering tot betaling van onverschuldigd betaalde huur is door de kantonrechter afgewezen.
3.5
In een procedure tussen [onderneming] en [gedaagde sub 1] e.a. heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [onderneming] niet de verhuurder is en [gedaagde sub 1] e.a. aldus geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie.
3.6
Op 29 mei 2024 hebben [gedaagde sub 1] e.a. bij de Huurcommissie geklaagd dat [eiser] ten onrechte niet als verhuurder is aangemerkt in de uitspraken van 29 maart 2023.
3.7
In mei/juni 2024 hebben partijen onderhandeld over verrekening van (door [gedaagde sub 1] e.a. te betalen) proceskosten voor de procedure bij de kantonrechter en (door [eiser] te betalen) servicekosten. [eiser] heeft een bedrag van € 4.500,- aan [gedaagde sub 1] e.a. betaald.
3.8
De Huurcommissie heeft in uitspraken van 20 maart 2025 besloten dat de uitspraken van 29 maart 2023 zijn (komen te) vervallen en de dat de oorspronkelijke verzoeken van [gedaagde sub 1] e.a. van 5 september 2021 dan wel 21 maart 2022 opnieuw in behandeling worden genomen. In die procedure is [eiser] wel als wederpartij betrokken.
3.9
In de uitspraken van 9 oktober 2025 heeft de Huurcommissie beslist dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk is en dat de huurprijs in verband met een gebrek tijdelijk moet worden verlaagd tot 70% van de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs.
De vordering en de tegenvordering
3.10
[eiser] vordert primair dat de kantonrechter bepaalt dat [gedaagde sub 1] e.a. geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025, dat de kantonrechter deze uitspraken onverbindend verklaart dan wel vernietigt, en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomsten van [gedaagde sub 1] e.a. € 900,-, dan wel € 890,-, dan wel € 915,- per maand bedraagt. Ook wil [eiser] dat de kantonrechter bepaalt dat hij geen legeskosten is verschuldigd voor de uitspraken van de Huurcommissie waar de kantonrechter anders over oordeelt. Ten slotte vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] e.a. in de werkelijke advocaatkosten van € 8.262,-.
3.11
[gedaagde sub 1] e.a. vorderen in reconventie dat de kantonrechter:
1) de huurkorting vanwege onderhoudsgebreken vaststelt op 80%, tot een hoogte van 20% van de nieuwe huur, en
2) de onverschuldigd betaalde huur tussen partijen vaststelt en [gedaagde sub 1] e.a. een executoriale titel voor de vordering toekent, bestaande uit de onverschuldigd betaald huur en aangevuld met wettelijke rente. [gedaagde sub 1] e.a. hebben hun vorderingen gespecificeerd in bedragen van respectievelijk € 10.262,57, € 9.888,60 en € 3.222,60.
3.12
Volgens [eiser] zijn de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 in strijd met de bindende kracht van de vonnissen van de kantonrechter van 27 december 2023. Daarnaast hebben partijen in juni 2024, na de eerdere uitspraken van de Huurcommissie en de vonnissen van de kantonrechter, een regeling getroffen tegen finale kwijting over en weer. [eiser] is de mening toegedaan dat de handelwijze van [gedaagde sub 1] e.a. (en de Huurcommissie) in strijd is met de goede procesorde.
3.13
[gedaagde sub 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter het geschil over de huurprijs en de gebreken, dat in de procedure bij de Huurcommissie voorlag, in zijn volledige omvang opnieuw moet beoordelen. Volgens [gedaagde sub 1] e.a. moet de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs verminderd worden tot 80% in plaats van de door de Huurcommissie uitgesproken verlaging tot 70%. Omdat [gedaagde sub 1] e.a. tijdens hun huurperiode altijd de contractuele huur hebben voldaan hebben zij te veel huur betaald. [gedaagde sub 1] e.a. willen de teveel betaalde huur terug.
[gedaagde sub 1] e.a. hebben geen vorderingsrecht op [eiser]
3.14
Het gaat in deze procedure in de kern om de vraag of [gedaagde sub 1] e.a. recht hebben op terugbetaling van huur. De kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is.
Er is finale kwijting verleend
3.15
Vast staat dat [eiser] in het kader van de in mei/juni 2024 gevoerde (schikkings)onderhandelingen een bedrag van € 4.500,- aan [gedaagde sub 1] e.a. heeft betaald. Het verweer van [gedaagde sub 1] e.a. dat partijen geen finale kwijting hebben afgesproken voor het geschil over de huurprijs, wordt verworpen. Daartoe is het volgende van belang.
3.16
De aanleiding voor de betaling van € 4.500,- is het voorstel van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] e.a. in het e-mailbericht van 30 mei 2024 aan [eiser] :
“Er is inmiddels uitspraak gedaan in de huurprijszaak en servicekostenzaken. Voor de huurprijszaak zijn mijn cliënten jou nog een bedrag verschuldigd en voor de servicekostenzaken jij mijn cliënten. Ik wil daarom voorstellen dat we het een en ander gaan verrekenen.
Huurprijszaak
Vordering [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] afgewezen
Proceskosten 3x € 660,- te betalen aan [eiser] ”
Na verrekening van de proceskosten met de servicekosten staat een door [eiser] te betalen bedrag open van € 6.123,85. De gemachtigde van [gedaagde sub 1] e.a. zinspeelt daarbij op het sluiten van het dossier:
“ Andere mogelijkheid is dat ik je namens cliënten zal dagvaardingen en de kosten voor beide kanten verder oplopen. Echter, ga ik ervan uit dat jij dit dossier nu ook wenst te sluiten.”
3.17
[eiser] heeft op 20 juni 2024 het volgende aanbod gedaan:
“ (…) Verhuurder doet hierbij het aanbod om het bedrag van € 4.500,-- totaal terug te betalen tegen finale kwijting over en weer, daaronder begrepen dat partijen geen gevolg zullen geven aan het rectificatieverzoek.”
Waarop [gedaagde sub 1] e.a. een dag later hebben geantwoord:
“Bij deze laat ik je weten dat de huurders [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3] akkoord gaan met het door de heer [eiser] gedane voorstel. Dit houdt in dat wij de uitgebrachte dagvaarding niet zullen aanbrengen en partijen de kwestie zullen laten rusten.
Graag zien we dat de heer [eiser] de betaling van € 4.500,- voor aankomende maandag 17.00 uur verricht op (…) o.v.v. [adres] . Wij zullen het dossier hierna als gesloten beschouwen.”
3.18
In de gegeven omstandigheden heeft [eiser] uit de door [gedaagde sub 1] e.a. gedane mededelingen, in samenhang bezien met het voorstel tegen finale kwijting, redelijkerwijs mogen afleiden dat met de betaling van € 4.500,- het geschil over de huurprijs was afgesloten en partijen op dat punt finale kwijting zijn overeengekomen. Dat [gedaagde sub 1] e.a. dat ondanks de mededelingen over ‘het sluiten van het dossier’ en ‘de kwestie laten rusten’ niet voor ogen hebben gehad, blijkt nergens uit. Zo hebben [gedaagde sub 1] e.a. bij het aanvaarden van het voorstel van [eiser] - dat ging over de (kosten in de) huurprijszaak en uitdrukkelijk onder de voorwaarde van finale kwijting is gedaan - geen enkel voorbehoud gemaakt of een tegenvoorwaarde geformuleerd. Het voorstel van [eiser] omvatte daarnaast de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] e.a. geen gevolg zouden geven aan het rectificatieverzoek, dat onweersproken betrekking had op die huurprijszaak. Ook die voorwaarde hebben [gedaagde sub 1] e.a. geaccepteerd. Het antwoord op de vraag welk rectificatieverzoek [eiser] heeft bedoeld - de klacht van [gedaagde sub 1] e.a. van 29 mei 2024 bij de Huurcommissie of een eerder gedaan verzoek om rectificatie - kan in het midden blijven. Op het moment van de schikkingsonderhandelingen waren de gerechtelijke procedures over de huurprijs afgerond en wisten [gedaagde sub 1] e.a. op dat punt waar zij aan toe waren. Het rectificatieverzoek was gericht tegen de Huurcommissie en de voorwaarde die [eiser] daaraan stelde kan niet anders worden uitgelegd dan dat dat verzoek geen gevolgen zou hebben. [gedaagde sub 1] e.a. woonden toen ook al jaren niet meer in het gehuurde. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat partijen definitief een streep hebben willen zetten onder het geschil over de huurprijs van de [adres] . [eiser] mocht er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde sub 1] e.a. daar niet meer op terug zouden komen.
De beslissingen in de vonnissen van 27 december 2023 hebben bindende kracht tussen partijen
3.19
Uit de overeengekomen finale kwijting volgt dat [gedaagde sub 1] e.a. voor wat betreft de huurprijs van de [adres] geen vorderingsrecht meer hebben op [eiser] .
Dat de Huurcommissie de eerdere uitspraken over de huurprijs vervallen heeft verklaard en opnieuw heeft beslist op de verzoeken van [gedaagde sub 1] e.a. (van 5 september 2021 en 21 maart 2022), maakt dat niet anders.
3.20
De kantonrechter begrijpt dat de Huurcommissie naar aanleiding van de klacht van [gedaagde sub 1] e.a. van 29 mei 2024 ambtshalve een procedure tot rectificatie/vervallenverklaring is gestart. Ondanks dat partijen op dat moment al hadden afgesproken dat geen gevolg zou worden gegeven aan het rectificatieverzoek, hebben [gedaagde sub 1] e.a. wel een zienswijze ingediend. Wat daar ook van zij, bij de beantwoording van de vraag wat het (rechts)gevolg is van de uitspraken van de Huurcommissie is het volgende doorslaggevend.
3.21
In de tussen partijen gewezen vonnissen van 27 december 2023 is de door [gedaagde sub 1] e.a. gevorderde verklaring van recht dat [eiser] in de uitspraken van de Huurcommissie wordt aangemerkt als wederpartij, afgewezen, evenals de vordering van [gedaagde sub 1] e.a. tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld zodat deze vonnissen kracht van gewijsde hebben verkregen.
3.22
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. In deze procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] e.a. kan de kantonrechter daar niet omheen. De Huurcommissie heeft echter in de uitspraken van 20 maart en 9 oktober 2025 [eiser] alsnog als wederpartij aangemerkt. De Huurcommissie heeft daarmee de beslissing van de kantonrechter in de vonnissen van 27 december 2023 doorkruist. Dat is in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter begrijpt dat de Huurcommissie een fout in de eerste procedure - het aanmerken van [onderneming] als wederpartij terwijl [eiser] de verhuurder was - heeft willen rechtzetten omdat [onderneming] eerder geen openheid van zaken zou hebben betracht over de contactgegevens van [eiser] , maar dat vormt naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende rechtvaardiging voor het opnieuw behandelen van en beslissen op het verzoek van [gedaagde sub 1] e.a.. Voor zover in dit kader door [gedaagde sub 1] e.a. is gesuggereerd dat sprake is geweest van ‘een opzetje’ tussen de beheerder en de verhuurder om kennelijk een hen onwelgevallige uitspraak van de Huurcommissie te omzeilen, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde sub 1] e.a. onvoldoende aanknopingspunten hebben geboden om te kunnen beoordelen of dat verwijt wel klopt. Hoewel het opmerkelijk is dat [onderneming] de contactgegevens van [eiser] niet aan de Huurcommissie wilde verstrekken heeft de gemachtigde van [eiser] tijdens de mondeling behandeling verklaard dat die gegevens eenvoudig waren te achterhalen. Dat is [gedaagde sub 1] e.a. ook gelukt. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze omstandigheid dat daar al eerder in rechte over is geoordeeld en die beslissing heeft bindende kracht tussen [gedaagde sub 1] e.a. en [eiser] . De kantonrechter heeft in de vonnissen van 27 december 2023 immers overwogen dat het op de weg van [gedaagde sub 1] e.a. lag om de gegevens van [eiser] - desnoods na enig speurwerk - aan te leveren en dat het ontstaan van onduidelijkheid rondom de vraag wie precies de verhuurder/wederpartij op het conto van [gedaagde sub 1] e.a. moet worden geschreven. Ook dit heeft kracht van gewijsde.
3.23
Met het alsnog aanmerken van [eiser] als wederpartij van [gedaagde sub 1] e.a. heeft de Huurcommissie gedaan wat de kantonrechter in het geschil tussen [gedaagde sub 1] e.a. en [eiser] niet heeft toegestaan. Daar komt bij dat de Huurcommissie hiervoor een zo genoemde ‘procedure van vervallen verklaring’ heeft gevolgd waarvan de kantonrechter de (wettelijke) basis niet heeft kunnen vaststellen. Daar naar gevraagd hebben [gedaagde sub 1] e.a. tijdens de mondelinge behandeling hierop geen toelichting kunnen geven, anders dan dit ‘kennelijk een buitenwettelijke bevoegdheid van de Huurcommissie is’. Dit alles leidt tot de slotsom dat aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 niet het rechtsgevolg kan worden verbonden dat [gedaagde sub 1] e.a. daaraan geven en waarop zij hun vordering hebben gebaseerd.
Conclusie ten aanzien van de vordering en de tegenvordering
3.24
De vordering van [eiser] om te bepalen dat [gedaagde sub 1] e.a. geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 wordt toegewezen. Er bestaat geen aanleiding om de uitspraken onverbindend te verklaren of te vernietigen. Met het instellen van de vordering door [eiser] is de uitspraak van de Huurcommissie immers al vervallen.
3.25
De kantonrechter komt niet toe aan het opnieuw toetsen van de aanvangshuurprijs. De bindende kracht van de beslissingen in de vonnissen van 27 december 2023 en de goede procesorde staan daaraan in de weg.
3.26
Er is dus niets gewijzigd aan de destijds tussen partijen overeengekomen huurprijzen van respectievelijk € 900,-, € 890,- en € 915,-. De primaire vordering van [eiser] om de kale huurprijs op die bedragen te bepalen wordt toegewezen. Aan het subsidiair gevorderde wordt dan niet toegekomen.
3.27
De vordering van [eiser] om te bepalen dat hij geen leges is verschuldigd voor de uitspraken van de Huurcommissie waarover de kantonrechter anders heeft geoordeeld, wordt afgewezen. De kantonrechter kan hier niet over beslissen omdat de Huurcommissie geen partij is in deze procedure. [eiser] zal zich met deze eis tot de Huurcommissie moeten wenden.
3.28
De vorderingen van [gedaagde sub 1] e.a. worden afgewezen omdat er ten aanzien van de huurprijs van de [adres] over en weer finale kwijting is verleend en zij zich niet kunnen beroepen op de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025.
[gedaagde sub 1] e.a. moeten de proceskosten betalen
3.29
[gedaagde sub 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. [eiser] vordert een vergoeding voor de werkelijke proceskosten. Daarvoor bestaat geen grond. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen door de wederpartij. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat de kantonrechter de standpunten van [gedaagde sub 1] e.a. niet volgt, betekent nog niet dat zij een evident kansloze procedure hebben gevoerd of anderszins misbruik van procesrecht hebben gemaakt. De kantonrechter weegt mee dat de handelwijze van de Huurcommissie niet heeft geholpen. Deze heeft [gedaagde sub 1] e.a. op het verkeerde been gezet en heeft [eiser] gedwongen tot het starten van deze procedure. Dat kan [gedaagde sub 1] e.a. niet geheel worden verweten. De kantonrechter zal de proceskosten (inclusief nakosten) daarom begroten aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief.
3.30
De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
€
866,82
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.666,32
3.31
De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op € 108,50 (1 punt x factor 0,5 x € 217,00) aan salaris gemachtigde.
3.32
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.33
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4De beslissing
De kantonrechter
in conventie
4.1
bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2505327 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 900,- per maand bedraagt van 15 augustus 2020 tot 1 september 2021;
4.2
bepaalt dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2504904 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] € 890,- per maand bedraagt van 1 augustus 2021 tot 1 januari 2022;
4.3
bepaalt dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2505330 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] € 915,- per maand bedraagt van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022;
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.666,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.6
wijst de vorderingen af;
4.7
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en reconventie
4.8
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] e.a. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.10
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op
2 september 2026
1257
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6]
Op grond van artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat destijds gold
Zie de uitspraken met zaaknummers 409629, 436962, en 436964, producties 1d, 2d en 3d van [eiser]
Vonnissen van 27 december 2023, producties 1b, 2b en 3b van [eiser]
Vonnissen van 17 april 2024, producties 1e, 2e, en 3e van [eiser]
Zaaknummers: 774278, 774509, en 774542, productie 1 van [gedaagde sub 1] e.a.
Zaaknummers: 2505327, 2504904, en 2505330, producties 1a, 2a, en 3a van [eiser]
Zie producties 18, 19 en 20 van [gedaagde sub 1] e.a.
Zie productie 4 van [eiser]
De zogeheten Haviltex-maatstaf. Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:AG4158
Zie uitspraak van de Huurcommissie van 20 maart 2025, productie 1 van [gedaagde sub 1] e.a.
Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Zie artikel 7:262 BW en Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:657
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12017755 \ UC EXPL 25-10069
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.P. Visser,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende in [plaats 2] ,3. [gedaagde sub 3],
wonende in [plaats 1] ,4. [gedaagde sub 4],
wonende in [plaats 3] ,5. [gedaagde sub 5],
wonende in [plaats 1] ,6. [gedaagde sub 6],
wonende in [plaats 4] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] e.a.,
gemachtigde: Y. Delfstra, Robin Hood Legal.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de zes dagvaardingsexploten van 3 december 2025
- de akte overlegging producties 1-4- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties 1-6- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging eis in conventie en overlegging productie 5
- de akte overlegging producties 7-20 van [gedaagde sub 1] e.a.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 7 juli 2026. De heer [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. [gedaagde sub 1] e.a. zijn allen verschenen. Mevrouw [gedaagde sub 6] heeft namens [gedaagde sub 1] e.a. het woord gevoerd, bijgestaan door de heer Delfstra. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De kern
De Huurcommissie heeft in de uitspraken van 9 oktober 2025 op verzoek van [gedaagde sub 1] e.a. de aanvangshuurprijs getoetst en een huurprijsverlaging uitgesproken (na de uitspraken van 29 maart 2023 vervallen te hebben verklaard). [eiser] vindt dat [gedaagde sub 1] e.a. aan deze uitspraken geen rechten kunnen ontlenen. De kantonrechter volgt hem daarin. [gedaagde sub 1] e.a. eisen in deze procedure als tegenvordering (onder meer) dat [eiser] de teveel betaalde huur terugbetaalt. Die vordering wordt afgewezen omdat partijen elkaar in juni 2024 finale kwijting hebben verleend en omdat de beslissingen in de tussen partijen gewezen vonnissen van 27 december 2023 bindende kracht hebben. Om beide redenen hebben [gedaagde sub 1] e.a. geen vordering op [eiser] . Per saldo wordt de primaire vordering van [eiser] grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevraagde werkelijke advocaatkosten en wordt de tegenvordering afgewezen.
3De beoordeling in conventie en reconventie
Inleiding
3.1
[gedaagde sub 1] e.a. hebben in de periode 2020-2022 per tweetal een appartement gehuurd in de woning aan de [adres] in [plaats 1] , steeds voor de bepaalde tijd van een jaar.
[eiser] is de verhuurder/pachter van het pand. [onderneming] trad op als de beheerder.
3.2
Na afloop van de huurovereenkomsten hebben [gedaagde sub 1] e.a. op 5 september 2021 respectievelijk 21 maart 2022 de Huurcommissie verzocht om te beoordelen of de overeengekomen huurprijs redelijk is. In die procedure is [onderneming] (hierna: [onderneming] ) door de Huurcommissie als wederpartij/verhuurder aangemerkt. [onderneming] heeft zich in de procedure bij de Huurcommissie onttrokken als gemachtigde van de verhuurder.
3.3
De (zittingsvoorzitter van de) Huurcommissie heeft in de uitspraken van
29 maart 2023, tussen [gedaagde sub 1] e.a. als verzoekers en [onderneming] als wederpartij, geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk was en verder dat in verband met gebreken de huurprijs tijdelijk verminderd moest worden tot 80% van de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs.
3.4
Na deze uitspraken hebben [gedaagde sub 1] e.a. een procedure gestart tegen [eiser] om de teveel betaalde huur terug te krijgen. [gedaagde sub 1] e.a. hebben de kantonrechter in dit verband verzocht om een verklaring van recht dat [eiser] in de uitspraken van de Huurcommissie als wederpartij wordt aangemerkt. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring van recht afgewezen. Ook de vordering tot betaling van onverschuldigd betaalde huur is door de kantonrechter afgewezen.
3.5
In een procedure tussen [onderneming] en [gedaagde sub 1] e.a. heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [onderneming] niet de verhuurder is en [gedaagde sub 1] e.a. aldus geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie.
3.6
Op 29 mei 2024 hebben [gedaagde sub 1] e.a. bij de Huurcommissie geklaagd dat [eiser] ten onrechte niet als verhuurder is aangemerkt in de uitspraken van 29 maart 2023.
3.7
In mei/juni 2024 hebben partijen onderhandeld over verrekening van (door [gedaagde sub 1] e.a. te betalen) proceskosten voor de procedure bij de kantonrechter en (door [eiser] te betalen) servicekosten. [eiser] heeft een bedrag van € 4.500,- aan [gedaagde sub 1] e.a. betaald.
3.8
De Huurcommissie heeft in uitspraken van 20 maart 2025 besloten dat de uitspraken van 29 maart 2023 zijn (komen te) vervallen en de dat de oorspronkelijke verzoeken van [gedaagde sub 1] e.a. van 5 september 2021 dan wel 21 maart 2022 opnieuw in behandeling worden genomen. In die procedure is [eiser] wel als wederpartij betrokken.
3.9
In de uitspraken van 9 oktober 2025 heeft de Huurcommissie beslist dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk is en dat de huurprijs in verband met een gebrek tijdelijk moet worden verlaagd tot 70% van de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs.
De vordering en de tegenvordering
3.10
[eiser] vordert primair dat de kantonrechter bepaalt dat [gedaagde sub 1] e.a. geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025, dat de kantonrechter deze uitspraken onverbindend verklaart dan wel vernietigt, en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomsten van [gedaagde sub 1] e.a. € 900,-, dan wel € 890,-, dan wel € 915,- per maand bedraagt. Ook wil [eiser] dat de kantonrechter bepaalt dat hij geen legeskosten is verschuldigd voor de uitspraken van de Huurcommissie waar de kantonrechter anders over oordeelt. Ten slotte vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] e.a. in de werkelijke advocaatkosten van € 8.262,-.
3.11
[gedaagde sub 1] e.a. vorderen in reconventie dat de kantonrechter:
1) de huurkorting vanwege onderhoudsgebreken vaststelt op 80%, tot een hoogte van 20% van de nieuwe huur, en
2) de onverschuldigd betaalde huur tussen partijen vaststelt en [gedaagde sub 1] e.a. een executoriale titel voor de vordering toekent, bestaande uit de onverschuldigd betaald huur en aangevuld met wettelijke rente. [gedaagde sub 1] e.a. hebben hun vorderingen gespecificeerd in bedragen van respectievelijk € 10.262,57, € 9.888,60 en € 3.222,60.
3.12
Volgens [eiser] zijn de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 in strijd met de bindende kracht van de vonnissen van de kantonrechter van 27 december 2023. Daarnaast hebben partijen in juni 2024, na de eerdere uitspraken van de Huurcommissie en de vonnissen van de kantonrechter, een regeling getroffen tegen finale kwijting over en weer. [eiser] is de mening toegedaan dat de handelwijze van [gedaagde sub 1] e.a. (en de Huurcommissie) in strijd is met de goede procesorde.
3.13
[gedaagde sub 1] e.a. stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter het geschil over de huurprijs en de gebreken, dat in de procedure bij de Huurcommissie voorlag, in zijn volledige omvang opnieuw moet beoordelen. Volgens [gedaagde sub 1] e.a. moet de door de Huurcommissie vastgestelde huurprijs verminderd worden tot 80% in plaats van de door de Huurcommissie uitgesproken verlaging tot 70%. Omdat [gedaagde sub 1] e.a. tijdens hun huurperiode altijd de contractuele huur hebben voldaan hebben zij te veel huur betaald. [gedaagde sub 1] e.a. willen de teveel betaalde huur terug.
[gedaagde sub 1] e.a. hebben geen vorderingsrecht op [eiser]
3.14
Het gaat in deze procedure in de kern om de vraag of [gedaagde sub 1] e.a. recht hebben op terugbetaling van huur. De kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is.
Er is finale kwijting verleend
3.15
Vast staat dat [eiser] in het kader van de in mei/juni 2024 gevoerde (schikkings)onderhandelingen een bedrag van € 4.500,- aan [gedaagde sub 1] e.a. heeft betaald. Het verweer van [gedaagde sub 1] e.a. dat partijen geen finale kwijting hebben afgesproken voor het geschil over de huurprijs, wordt verworpen. Daartoe is het volgende van belang.
3.16
De aanleiding voor de betaling van € 4.500,- is het voorstel van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] e.a. in het e-mailbericht van 30 mei 2024 aan [eiser] :
“Er is inmiddels uitspraak gedaan in de huurprijszaak en servicekostenzaken. Voor de huurprijszaak zijn mijn cliënten jou nog een bedrag verschuldigd en voor de servicekostenzaken jij mijn cliënten. Ik wil daarom voorstellen dat we het een en ander gaan verrekenen.
Huurprijszaak
Vordering [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] afgewezen
Proceskosten 3x € 660,- te betalen aan [eiser] ”
Na verrekening van de proceskosten met de servicekosten staat een door [eiser] te betalen bedrag open van € 6.123,85. De gemachtigde van [gedaagde sub 1] e.a. zinspeelt daarbij op het sluiten van het dossier:
“ Andere mogelijkheid is dat ik je namens cliënten zal dagvaardingen en de kosten voor beide kanten verder oplopen. Echter, ga ik ervan uit dat jij dit dossier nu ook wenst te sluiten.”
3.17
[eiser] heeft op 20 juni 2024 het volgende aanbod gedaan:
“ (…) Verhuurder doet hierbij het aanbod om het bedrag van € 4.500,-- totaal terug te betalen tegen finale kwijting over en weer, daaronder begrepen dat partijen geen gevolg zullen geven aan het rectificatieverzoek.”
Waarop [gedaagde sub 1] e.a. een dag later hebben geantwoord:
“Bij deze laat ik je weten dat de huurders [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3] akkoord gaan met het door de heer [eiser] gedane voorstel. Dit houdt in dat wij de uitgebrachte dagvaarding niet zullen aanbrengen en partijen de kwestie zullen laten rusten.
Graag zien we dat de heer [eiser] de betaling van € 4.500,- voor aankomende maandag 17.00 uur verricht op (…) o.v.v. [adres] . Wij zullen het dossier hierna als gesloten beschouwen.”
3.18
In de gegeven omstandigheden heeft [eiser] uit de door [gedaagde sub 1] e.a. gedane mededelingen, in samenhang bezien met het voorstel tegen finale kwijting, redelijkerwijs mogen afleiden dat met de betaling van € 4.500,- het geschil over de huurprijs was afgesloten en partijen op dat punt finale kwijting zijn overeengekomen. Dat [gedaagde sub 1] e.a. dat ondanks de mededelingen over ‘het sluiten van het dossier’ en ‘de kwestie laten rusten’ niet voor ogen hebben gehad, blijkt nergens uit. Zo hebben [gedaagde sub 1] e.a. bij het aanvaarden van het voorstel van [eiser] - dat ging over de (kosten in de) huurprijszaak en uitdrukkelijk onder de voorwaarde van finale kwijting is gedaan - geen enkel voorbehoud gemaakt of een tegenvoorwaarde geformuleerd. Het voorstel van [eiser] omvatte daarnaast de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] e.a. geen gevolg zouden geven aan het rectificatieverzoek, dat onweersproken betrekking had op die huurprijszaak. Ook die voorwaarde hebben [gedaagde sub 1] e.a. geaccepteerd. Het antwoord op de vraag welk rectificatieverzoek [eiser] heeft bedoeld - de klacht van [gedaagde sub 1] e.a. van 29 mei 2024 bij de Huurcommissie of een eerder gedaan verzoek om rectificatie - kan in het midden blijven. Op het moment van de schikkingsonderhandelingen waren de gerechtelijke procedures over de huurprijs afgerond en wisten [gedaagde sub 1] e.a. op dat punt waar zij aan toe waren. Het rectificatieverzoek was gericht tegen de Huurcommissie en de voorwaarde die [eiser] daaraan stelde kan niet anders worden uitgelegd dan dat dat verzoek geen gevolgen zou hebben. [gedaagde sub 1] e.a. woonden toen ook al jaren niet meer in het gehuurde. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat partijen definitief een streep hebben willen zetten onder het geschil over de huurprijs van de [adres] . [eiser] mocht er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde sub 1] e.a. daar niet meer op terug zouden komen.
De beslissingen in de vonnissen van 27 december 2023 hebben bindende kracht tussen partijen
3.19
Uit de overeengekomen finale kwijting volgt dat [gedaagde sub 1] e.a. voor wat betreft de huurprijs van de [adres] geen vorderingsrecht meer hebben op [eiser] .
Dat de Huurcommissie de eerdere uitspraken over de huurprijs vervallen heeft verklaard en opnieuw heeft beslist op de verzoeken van [gedaagde sub 1] e.a. (van 5 september 2021 en 21 maart 2022), maakt dat niet anders.
3.20
De kantonrechter begrijpt dat de Huurcommissie naar aanleiding van de klacht van [gedaagde sub 1] e.a. van 29 mei 2024 ambtshalve een procedure tot rectificatie/vervallenverklaring is gestart. Ondanks dat partijen op dat moment al hadden afgesproken dat geen gevolg zou worden gegeven aan het rectificatieverzoek, hebben [gedaagde sub 1] e.a. wel een zienswijze ingediend. Wat daar ook van zij, bij de beantwoording van de vraag wat het (rechts)gevolg is van de uitspraken van de Huurcommissie is het volgende doorslaggevend.
3.21
In de tussen partijen gewezen vonnissen van 27 december 2023 is de door [gedaagde sub 1] e.a. gevorderde verklaring van recht dat [eiser] in de uitspraken van de Huurcommissie wordt aangemerkt als wederpartij, afgewezen, evenals de vordering van [gedaagde sub 1] e.a. tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur. Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld zodat deze vonnissen kracht van gewijsde hebben verkregen.
3.22
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. In deze procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] e.a. kan de kantonrechter daar niet omheen. De Huurcommissie heeft echter in de uitspraken van 20 maart en 9 oktober 2025 [eiser] alsnog als wederpartij aangemerkt. De Huurcommissie heeft daarmee de beslissing van de kantonrechter in de vonnissen van 27 december 2023 doorkruist. Dat is in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter begrijpt dat de Huurcommissie een fout in de eerste procedure - het aanmerken van [onderneming] als wederpartij terwijl [eiser] de verhuurder was - heeft willen rechtzetten omdat [onderneming] eerder geen openheid van zaken zou hebben betracht over de contactgegevens van [eiser] , maar dat vormt naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende rechtvaardiging voor het opnieuw behandelen van en beslissen op het verzoek van [gedaagde sub 1] e.a.. Voor zover in dit kader door [gedaagde sub 1] e.a. is gesuggereerd dat sprake is geweest van ‘een opzetje’ tussen de beheerder en de verhuurder om kennelijk een hen onwelgevallige uitspraak van de Huurcommissie te omzeilen, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde sub 1] e.a. onvoldoende aanknopingspunten hebben geboden om te kunnen beoordelen of dat verwijt wel klopt. Hoewel het opmerkelijk is dat [onderneming] de contactgegevens van [eiser] niet aan de Huurcommissie wilde verstrekken heeft de gemachtigde van [eiser] tijdens de mondeling behandeling verklaard dat die gegevens eenvoudig waren te achterhalen. Dat is [gedaagde sub 1] e.a. ook gelukt. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze omstandigheid dat daar al eerder in rechte over is geoordeeld en die beslissing heeft bindende kracht tussen [gedaagde sub 1] e.a. en [eiser] . De kantonrechter heeft in de vonnissen van 27 december 2023 immers overwogen dat het op de weg van [gedaagde sub 1] e.a. lag om de gegevens van [eiser] - desnoods na enig speurwerk - aan te leveren en dat het ontstaan van onduidelijkheid rondom de vraag wie precies de verhuurder/wederpartij op het conto van [gedaagde sub 1] e.a. moet worden geschreven. Ook dit heeft kracht van gewijsde.
3.23
Met het alsnog aanmerken van [eiser] als wederpartij van [gedaagde sub 1] e.a. heeft de Huurcommissie gedaan wat de kantonrechter in het geschil tussen [gedaagde sub 1] e.a. en [eiser] niet heeft toegestaan. Daar komt bij dat de Huurcommissie hiervoor een zo genoemde ‘procedure van vervallen verklaring’ heeft gevolgd waarvan de kantonrechter de (wettelijke) basis niet heeft kunnen vaststellen. Daar naar gevraagd hebben [gedaagde sub 1] e.a. tijdens de mondelinge behandeling hierop geen toelichting kunnen geven, anders dan dit ‘kennelijk een buitenwettelijke bevoegdheid van de Huurcommissie is’. Dit alles leidt tot de slotsom dat aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 niet het rechtsgevolg kan worden verbonden dat [gedaagde sub 1] e.a. daaraan geven en waarop zij hun vordering hebben gebaseerd.
Conclusie ten aanzien van de vordering en de tegenvordering
3.24
De vordering van [eiser] om te bepalen dat [gedaagde sub 1] e.a. geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025 wordt toegewezen. Er bestaat geen aanleiding om de uitspraken onverbindend te verklaren of te vernietigen. Met het instellen van de vordering door [eiser] is de uitspraak van de Huurcommissie immers al vervallen.
3.25
De kantonrechter komt niet toe aan het opnieuw toetsen van de aanvangshuurprijs. De bindende kracht van de beslissingen in de vonnissen van 27 december 2023 en de goede procesorde staan daaraan in de weg.
3.26
Er is dus niets gewijzigd aan de destijds tussen partijen overeengekomen huurprijzen van respectievelijk € 900,-, € 890,- en € 915,-. De primaire vordering van [eiser] om de kale huurprijs op die bedragen te bepalen wordt toegewezen. Aan het subsidiair gevorderde wordt dan niet toegekomen.
3.27
De vordering van [eiser] om te bepalen dat hij geen leges is verschuldigd voor de uitspraken van de Huurcommissie waarover de kantonrechter anders heeft geoordeeld, wordt afgewezen. De kantonrechter kan hier niet over beslissen omdat de Huurcommissie geen partij is in deze procedure. [eiser] zal zich met deze eis tot de Huurcommissie moeten wenden.
3.28
De vorderingen van [gedaagde sub 1] e.a. worden afgewezen omdat er ten aanzien van de huurprijs van de [adres] over en weer finale kwijting is verleend en zij zich niet kunnen beroepen op de uitspraken van de Huurcommissie van 9 oktober 2025.
[gedaagde sub 1] e.a. moeten de proceskosten betalen
3.29
[gedaagde sub 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. [eiser] vordert een vergoeding voor de werkelijke proceskosten. Daarvoor bestaat geen grond. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen door de wederpartij. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat de kantonrechter de standpunten van [gedaagde sub 1] e.a. niet volgt, betekent nog niet dat zij een evident kansloze procedure hebben gevoerd of anderszins misbruik van procesrecht hebben gemaakt. De kantonrechter weegt mee dat de handelwijze van de Huurcommissie niet heeft geholpen. Deze heeft [gedaagde sub 1] e.a. op het verkeerde been gezet en heeft [eiser] gedwongen tot het starten van deze procedure. Dat kan [gedaagde sub 1] e.a. niet geheel worden verweten. De kantonrechter zal de proceskosten (inclusief nakosten) daarom begroten aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief.
3.30
De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
€
866,82
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.666,32
3.31
De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op € 108,50 (1 punt x factor 0,5 x € 217,00) aan salaris gemachtigde.
3.32
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.33
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4De beslissing
De kantonrechter
in conventie
4.1
bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2505327 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 900,- per maand bedraagt van 15 augustus 2020 tot 1 september 2021;
4.2
bepaalt dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2504904 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] € 890,- per maand bedraagt van 1 augustus 2021 tot 1 januari 2022;
4.3
bepaalt dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] geen rechten kunnen ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie met zaaknummer 2505330 jegens [eiser] en verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de huurovereenkomst van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] € 915,- per maand bedraagt van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022;
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.666,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.6
wijst de vorderingen af;
4.7
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en reconventie
4.8
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] e.a. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9
veroordeelt [gedaagde sub 1] e.a. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.10
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op
2 september 2026
1257
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6]
Op grond van artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat destijds gold
Zie de uitspraken met zaaknummers 409629, 436962, en 436964, producties 1d, 2d en 3d van [eiser]
Vonnissen van 27 december 2023, producties 1b, 2b en 3b van [eiser]
Vonnissen van 17 april 2024, producties 1e, 2e, en 3e van [eiser]
Zaaknummers: 774278, 774509, en 774542, productie 1 van [gedaagde sub 1] e.a.
Zaaknummers: 2505327, 2504904, en 2505330, producties 1a, 2a, en 3a van [eiser]
Zie producties 18, 19 en 20 van [gedaagde sub 1] e.a.
Zie productie 4 van [eiser]
De zogeheten Haviltex-maatstaf. Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:AG4158
Zie uitspraak van de Huurcommissie van 20 maart 2025, productie 1 van [gedaagde sub 1] e.a.
Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Zie artikel 7:262 BW en Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:657