Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6250
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Omgevingswet. Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een steiger met open golfbreker in de Loosdrechtse plassen. Voor zover de gording binnen de bestemming ‘Water’ valt, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren of het bouwplan van vergunninghouder in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij dient het college ook de door eisers ingebrachte belangen af te wegen. Verder dient het college in te gaan op de beroepsgrond dat het voorgenomen gebruik van de steiger in strijd is met het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan en te motiveren of alternatieven voor het bouwplan zijn onderzocht en wat het resultaat van dat onderzoek is geweest. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2017:2271 Raad van State 23-08-2017
- ECLI:NL:RVS:2026:3479 Raad van State 17-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1704 Raad van State 24-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1174 Raad van State 19-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:4621 Raad van State 13-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.067 tekens)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6000 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
3. [eiser 3] en
4. [eiser 4] uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder
(gemachtigde: H. Ayoujil).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende], uit [plaats] , vergunninghouder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een steiger met open golfbreker op het perceel [adres] ter hoogte van het woonschip van eiser 1 in [plaats] , kadastraal bekend als sectie [sectienummer] .
Tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Eisers huren woonschepen en ligplaatsen voor hun (plezier)boten op het perceel van vergunninghouder. De steiger met open golfbreker wordt direct langs de steiger gebouwd waaraan het woonschip van eiser 1 is gelegen.
In het besluit van 29 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit (gedeeltelijk) gegrond verklaard, de omgevingsvergunning herroepen en na heroverweging opnieuw verleend op basis van een gewijzigde tekening.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Het college en vergunninghouder zijn niet verschenen.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
1. Eiser 2 voert aan dat hij ten onrechte niet is aangemerkt als belanghebbende, terwijl zijn woonschip en plezierbootligplaats zijn gelegen op hetzelfde kadastrale perceel als waar de steiger wordt gebouwd. Omdat uit vaste rechtspraak volgt dat de bewoner van een aangrenzend perceel waarop het betrokken besluit ziet belanghebbende is, geldt dat helemaal voor een bewoner van hetzelfde perceel. Bovendien verwacht eiser 2 gevolgen van de steiger met open golfbreker te ondervinden, omdat de steiger openbaar toegankelijk is en hij de gebruikers daarvan kan zien en horen vanuit zijn ligplaats.
2. De rechtbank overweegt dat een bezwaarschrift alleen kan worden ingediend door een belanghebbende. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Iemand is belanghebbende als diegene een objectief, persoonlijk, eigen rechtstreeks en actueel belang heeft bij een besluit. Volgens vaste rechtspraak is degene die feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
3. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eisers ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie. De bezwarencommissie adviseerde echter om eiser 2 niet ontvankelijk te verklaren, omdat zijn woonschip op een te grote afstand van de vergunde steiger ligt om gevolgen van enige betekenis te ondervinden. Alhoewel het bestreden besluit op dit punt tegenstrijdig is, neemt de rechtbank aan dat het college alle bezwaarmakers, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank is met het college van oordeel dat alle bezwaarmakers door hun ligplaatsen en/of woonschepen feitelijke gevolgen van de steiger met open golfbreker zullen ondervinden en dat die gevolgen van enige betekenis zijn.
Primair geen aanvraag, subsidiair privaatrechtelijke belemmering
4. Eisers voeren primair aan dat vergunninghouder geen belanghebbende is, waardoor zijn verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de steiger geen aanvraag is om een besluit te nemen. Vergunninghouder is volgens eisers geen belanghebbende, omdat zijn steiger wordt bevestigd aan de houten zwemtrap van de steiger van eiser 1 (die 55 centimeter uitsteekt), terwijl eiser 1 daarvoor geen toestemming heeft verleend. Subsidiair voeren eisers aan dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering waardoor de activiteit niet verwezenlijkt kan worden. Ook wijzen eisers op artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan het verboden is om binnen 2 meter van de grenslijn met het naburige erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van onder oud recht door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ontwikkelde jurisprudentie kan een privaatrechtelijke belemmering in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. In die rechtspraak is als uitgangspunt gehanteerd dat de burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter als eerste moet beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. Alleen in het geval er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter, kan de bestuursrechter vaststellen dat deze aan vergunningverlening in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. De omgevingsvergunning moet in zo’n geval dus worden geweigerd.
6. Naast bovenbedoelde rechtspraak over het moeten weigeren van een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan is er door de Afdeling tegelijkertijd ook rechtspraak ontwikkeld over het begrip ‘aanvraag’ uit artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de uitvoerbaarheid van een activiteit. Die rechtspraak geldt voor alle activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en beperkt zich dus niet tot activiteiten voor afwijkingen van een bestemmingsplan. Op grond van die rechtspraak geldt als hoofdregel dat een aanvrager om een omgevingsvergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbend te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. Op deze regel wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor situaties waarbij aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt. Bij de beantwoording van de vraag of de voorgenomen activiteit kan worden verwezenlijkt, gaat het in wezen ook om de uitvoerbaarheid van de aangevraagde activiteit. En daarbij kan het dus ook gaan om privaatrechtelijke belemmeringen. Als van zo’n belemmering sprake is, wordt de verzoeker van de omgevingsvergunning niet als belanghebbende aangemerkt en is het verzoek geen aanvraag. In zo’n geval moet het verzoek worden afgewezen en kan het dus niet als aanvraag in behandeling worden genomen. De vraag of de omgevingsvergunning moet worden geweigerd komt helemaal niet meer aan de orde als vanwege een privaatrechtelijke belemmering wordt vastgesteld dat het verzoek geen aanvraag is.
7. Onder de Omgevingswet wordt een meer terughoudende benadering voorgestaan als het gaat om de uitvoerbaarheid van omgevingsplannen (en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan). Zo kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit en de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet. De bepalingen dat in de plantoelichting van een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan aandacht moet worden geschonken aan de uitvoerbaarheid zijn onder de Omgevingswet niet teruggekomen.
8. De rechtbank laat in deze zaak in het midden of de onder oud recht ontwikkelde jurisprudentielijnen onder de Omgevingswet ongewijzigd van toepassing zijn en een verzoek om omgevingsvergunning nog steeds moet worden afgewezen als een activiteit vanwege een privaatrechtelijke belemmering niet kan worden verwezenlijkt of moet worden geweigerd vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. De rechtbank stelt namelijk vast dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan verwezenlijking van het bouwplan in de weg staat. Blijkens de huurovereenkomst is eiser 1 eigenaar van de steiger bij zijn woonschip. Voor de vergunningenprocedure is de bouwtekening leidend en daarop is geen belemmering voor de uitvoering te zien, omdat de vergunde steiger op 10 centimeter afstand van de steiger van eiser 1 ligt. In de huurovereenkomst is geen bepaling opgenomen over het recht op aanwezigheid van een zwemtrap aan de steiger. Een steiger is in het vigerende bestemmingsplan [naam 1] (het bestemmingsplan), dat van toepassing is op het perceel van vergunninghouder, gedefinieerd als ‘bouwwerk in het water bedoeld als aanlegplaats voor vaartuigen’. Uit deze definitie volgt dat een steiger niet in verbinding hoeft te staan met het land. Ook gelet daarop, ziet de rechtbank geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bouwplan doordat de steiger van vergunninghouder alleen via de steiger van eiser 1 toegankelijk zou zijn. Om die reden is ook geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De beroepsgrond slaagt niet.
Coördinatieregeling
9. Eisers voeren aan dat de aanvragen van vergunninghouder voor een omgevingsplan- en wateractiviteit verplicht gecoördineerd hadden moeten worden.
De coördinatieregeling is ten onrechte niet toegepast en dat heeft geleid tot twee verschillende besluiten van twee verschillende bestuursorganen, terwijl de wetgever die situatie met de coördinatieregeling juist heeft willen voorkomen. Omdat sprake is van één plan (het bouwen van een steiger) had de weigering van de wateractiviteit door het waterschap automatisch moeten leiden tot een weigering van de omgevingsplanactiviteit door het college. Het college heeft dat volgens eisers ten onrechte niet onderkend.
10. De Omgevingswet bepaalt dat met het oog op een doelmatig waterbeheer een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los wordt aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. Eén van die andere activiteiten is een omgevingsplanactiviteit. Het Omgevingsbesluit specificeert dat voor alle wateractiviteiten de omgevingsvergunning los wordt aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de Omgevingswet. Op de voorbereiding van de beslissingen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een of meer aangewezen wateractiviteiten en een of meer andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4, die gelijktijdig zijn ingediend, is de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat op de aanvragen van vergunninghouder voor een water- en omgevingsplanactiviteit, die hij op 11 april 2024 heeft ingediend, de coördinatieregeling van toepassing was. Op grond van de coördinatieregeling hadden de besluiten gelijktijdig door het college (het coördinerende bestuursorgaan) bekend moeten worden gemaakt. De coördinatieregeling strekt, in tegenstelling tot wat eisers aanvoeren, echter niet zover dat als een vergunning voor de ene activiteit wordt geweigerd, in dit geval de wateractiviteit, dat dan automatisch ook geldt voor de andere activiteit (de omgevingsplanactiviteit). Omdat de coördinatieregeling ten onrechte niet is toegepast, stelt de rechtbank wel een procedureel gebrek vast. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat eisers hierdoor naar het oordeel van de rechtbank niet in hun belangen zijn geschaad doordat zij tegen beide besluiten bezwaar en/of beroep hebben ingesteld.
Hoorplicht
11. Eisers voeren aan dat zij in de beslissing op bezwaar voor het eerst kennis hebben genomen van de omstandigheid dat de aanvraag na de hoorzitting door vergunninghouder is aangepast met een nieuwe tekening (revisie), waarop de breedte van de steiger is verkleind van 1,8 naar 1,7 meter, terwijl zij in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om daarover te worden gehoord.
12. De beroepsgrond slaagt. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat als na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Het college was dus verplicht om de nieuwe tekening naar eisers door te sturen en had hen moeten vragen of zij behoefte hadden aan een tweede hoorzitting. Doordat eisers pas met het bestreden besluit zijn ingelicht over de gewijzigde tekening, is sprake van een procedureel gebrek. Omdat eisers in beroep alsnog op een zitting de mogelijkheid hebben gehad om te worden gehoord, zijn eisers door het geconstateerde gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in hun belangen geschaad. De rechtbank passeert daarom dit gebrek.
Nieuw primair besluit of beslissing op bezwaar
13. Eisers voeren aan dat voor hen niet duidelijk is of het college naar aanleiding van de gewijzigde tekening een nieuwe primaire beslissing heeft genomen of daadwerkelijk heeft beslist op het bezwaar. Eisers houden het erop dat het college een nieuw primair besluit heeft genomen, het nu bestreden besluit, vermomd als beslissing op bezwaar. Een nieuw primair besluit betekent dat deze kwestie eerst nog de bezwaarfase moet doorlopen.
14. Het college heeft in het bestreden besluit het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de omgevingsvergunning herroepen en na heroverweging opnieuw verleend op basis van een aangepaste tekening. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een beslissing op bezwaar, zoals de rechtbank ook op de zitting heeft vastgesteld. Het opnieuw doorlopen van de bezwaarfase acht de rechtbank ook niet in het belang van eisers (en vergunninghouder), omdat dat betekent dat een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning op zich laat wachten. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen wijziging van ondergeschikte aard
15. Eisers voeren aan dat, voor zover geen sprake is geweest van een nieuwe aanvraag (en geen primaire beslissing) dat wel had gemoeten, omdat de wijziging in breedte van de steiger geen wijziging van ondergeschikte aard is. De verandering in breedte van 1,8 naar 1,7 meter is, vanwege de aard en omvang van het bouwplan, ruimtelijk gezien groot. Met deze aanpassing is het bouwplan ingrijpend gewijzigd, aldus eisers.
16. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend, zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. De wijziging in het bestreden besluit ziet op de afmeting van de steiger. De steiger is met de nieuwe tekening 0,1 meter minder breed geworden. Daarmee blijft de uiterlijke verschijningsvorm van het oorspronkelijke vergunde bouwplan en de ruimtelijke uitstraling daarvan naar het oordeel van de rechtbank vrijwel ongewijzigd. Gelet hierop is de wijziging van ondergeschikte aard en hoefde vergunninghouder geen nieuwe aanvraag te doen. De beroepsgrond slaagt niet.
Participatie
17. Eisers voeren aan dat vergunninghouder heeft nagelaten te participeren met de omgeving en andere belanghebbenden, terwijl hem in de brief van 19 december 2023 door het college de verplichting was opgelegd om aan participatie te doen. Vergunninghouder heeft eisers echter nooit ingelicht over zijn plannen, ook niet nadat hij een revisietekening indiende bij het college. De ‘sanctie’ op het niet doen van participatie is volgens eisers dat de vergunning geweigerd moet worden.
18. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, tenzij de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarvoor het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat de aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend. De rechtbank is niet gebleken dat de gemeenteraad van Wijdemeren gevallen heeft aangewezen waarin participatie verplicht is gesteld. De rechtbank heeft geen gepubliceerd besluit hierover kunnen vinden. De rechtbank heeft wel gezien dat de website van de gemeente Wijdemeren melding maakt van activiteiten waarin participatie verplicht is gesteld. Zonder besluit van de gemeenteraad komt hieraan echter geen betekenis toe. Het bouwen van een stijger wordt in het overzicht van activiteiten op de website overigens niet genoemd. Uit het voorgaande volgt dat vergunninghouder niet verplicht was om aan participatie te doen. Aan de eerdere brief van 19 december 2023 kan daarom geen betekenis worden toegekend. Ondanks dat geen verplichting bestond tot participatie, rustte op vergunninghouder wel een plicht te motiveren of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten daarvan zijn geweest. Vergunninghouder heeft in het aanvraagformulier bij de vraag of hij contact met anderen over zijn plannen heeft gehad ‘ja’ opgegeven. Bij de vragen hoe hij anderen heeft betrokken en welke reacties hij heeft gekregen staat ‘geen openbare informatie’. Omdat vergunninghouder noch het college op zitting zijn verschenen, is de rechtbank niet gebleken hoe andere belanghebbenden dan eisers op het bouwplan hebben gereageerd en op welke wijze zij bij het plan zijn betrokken. Vergunninghouder mocht echter ook volstaan met de mededeling dat hij niet aan participatie heeft gedaan, waardoor de rechtbank aan het ontbreken van informatie in de aanvraag geen gevolgen verbindt. De beroepsgrond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
19. Eisers vinden dat het college de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden, omdat het college heeft besloten om de omgevingsvergunning in het besluit op bezwaar te herroepen en opnieuw te verlenen met een revisietekening.
20. Omdat het college heeft besloten de omgevingsvergunning te herroepen, volgt uit de wet dat eisers recht hebben op een proceskostenvergoeding in bezwaar. Omdat de rechtbank wegens het in rechtsoverweging 24 geconstateerde gebrek een tussenuitspraak zal doen, zal de rechtbank het college pas in de einduitspraak opdragen om de proceskosten te vergoeden.
Alternatieve locaties
21. Eisers voeren aan dat elders in de Loosdrechtse plassen meer dan voldoende ruimte beschikbaar is om een steiger met open golfbreker te bouwen. Eisers vinden het onbegrijpelijk dat deze pal voor het woonschip van eiser 1 is geprojecteerd. Nut en noodzaak daarvoor ontbreken en zijn ook nooit aangetoond.
22. Het uitgangspunt is dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Omdat zowel vergunninghouder als het college niet op de zitting zijn verschenen, is voor de rechtbank onbekend in hoeverre onderzoek is gedaan naar alternatieven en wat de resultaten van dat onderzoek zijn geweest. Omdat de rechtbank wegens het in rechtsoverweging 24 geconstateerde gebrek een tussenuitspraak zal doen, zal de rechtbank het college opdragen om in de herstelpoging ook te verduidelijken of onderzoek naar alternatieven is gedaan en wat het resultaat van dat onderzoek is geweest.
Strijd met het omgevingsplan
23. Eisers voeren aan dat het bouwplan om twee redenen in strijd is met het omgevingsplan van de gemeente Wijdemeren, waarvan het bestemmingsplan [naam 1] onderdeel uitmaakt. Het college meent volgens eisers ten onrechte dat sprake is van een gebonden beschikking, terwijl de gording van de steiger met open golfbreker niet in de bestemming [naam 2] , maar in de bestemming ‘Water’ valt. In feite ligt de gording zelfs nog verder in de bestemming ‘Water’, omdat de vergunde steiger op 10 centimeter afstand komt van de steiger van eiser 1 waar een zwemtrap van 55 centimeter aan is bevestigd. Daarnaast is het voorgenomen gebruik van de steiger in strijd met het bestemmingsplan, omdat de steiger met open golfbreker wordt gebouwd ten behoeve van de herontwikkeling van het middendeel (het kadastrale perceel van vergunninghouder) met nieuwe recreatiewoningen, terwijl die herontwikkeling in strijd is met de bestemming [naam 2] . Gebruik van de steiger door bewoners van de recreatiewoningen faciliteert dus een illegaal gebruik. Volgens eisers is op voorhand duidelijk dat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet kan worden verleend, omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De steiger belemmert namelijk de doorvaart, beperkt het vrije uitzicht over de Loosdrechtse plassen en zorgt voor een inbreuk op de privacy omdat iedere willekeurige voorbijganger via de steiger de woonark van eiser 1 binnen kan kijken. De steiger zal volgens eisers ook golfslag veroorzaken richting het woonschip van eiser 1 dat aan lagerwal en aan open water ligt. De steiger van eiser 1 is voorzien van een gesloten damwand. De golfbreker waarop de vergunning ziet zal als akoestische klankkast gaan fungeren, omdat de golfen hier deels doorheen komen en terugbreken op de damwand van eiser 1.
24. Het omgevingsplan van de gemeente Wijdemeren (het omgevingsplan) bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Om die reden is het bouwen van een steiger een omgevingsplanactiviteit. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit voor een bouwactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen en in stand houden en gebruiken van het bouwwerk. Tussen partijen is niet in geschil dat de steiger voldoet aan de bouwregels die gelden binnen de bestemming [naam 2] dat deel uitmaakt van het omgevingsplan. De rechtbank kan door het ontbreken van een standpuntbepaling door het college (het college is niet verschenen op zitting en zijn verweerschrift is wegens strijd met de goede procesorde niet aan het dossier toegevoegd), echter niet anders dan vooralsnog concluderen dat de steiger met open golfbreker ook deels binnen de bestemming ‘Water’ wordt gebouwd, omdat de gording op de principedoorsnede (de tekening) op meer dan 1,7 meter afstand ligt en het college eerder het standpunt heeft ingenomen dat na 1,7 meter de bestemming [naam 2] eindigt en de bestemming ‘Water’ begint. De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen en steigers, vlonders of andere afmeervoorzieningen. De lengte van steigers mag niet meer bedragen dan 15 meter, terwijl de aangevraagde steiger een lengte heeft van 24 meter. De breedte van steigers in de bestemming ‘Water’ mag niet meer bedragen dan 1,2 meter, terwijl de aangevraagde steiger een breedte heeft van 1,7 meter. Voor zover de gording binnen de bestemming ‘Water’ valt, is daarom sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een activiteit in strijd met de regels van het omgevingsplan). Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan alleen verleend worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank zal het college daarom opdragen te beoordelen of volgens hem sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank maakt die beoordeling niet zelf, omdat het college daarbij beleidsruimte toekomt. Bij de te maken belangenafweging zal het college ook de door eisers genoemde belangen moeten afwegen tegen het belang van vergunninghouder om te bouwen. Verder zal de rechtbank het college opdragen om te beoordelen of het voorgenomen gebruik van de steiger in strijd is met het omgevingsplan, zoals eisers aanvoeren. De rechtbank heeft dat onderdeel van de beroepsgrond niet kunnen beoordelen, omdat de rechtbank niet weet met welk doel vergunninghouder de steiger wenst aan te leggen.
Tussenuitspraak
25. Zoals onder 24 is overwogen bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank doet dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren of het bouwplan van vergunninghouder in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij dient het college ook de door eisers ingebrachte belangen af te wegen als omschreven in rechtsoverweging 23. Verder dient het college in te gaan op de beroepsgrond van eisers dat het voorgenomen gebruik van de steiger in strijd is met het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan en dient het college te motiveren of alternatieven voor het bouwplan zijn onderzocht en wat het resultaat van dat onderzoek is geweest. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
26. Het college moet én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
27. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, r.o. 3.2.
Jurisprudentie ontwikkeld onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet ruimtelijke ordening en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3479.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1704.
Zie de Nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit, Stb. 2018, 290, p. 105/106 en de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr.3, p. 153.
Zie artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht.
Artikel 1.94 van het bestemmingsplan.
Artikel 5.7, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 10.21 van het Omgevingsbesluit.
Artikel 5.7, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16.7, eerste lid onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 10.25 van het Omgevingsbesluit.
Artikel 3:26 van de Awb.
Artikel 6:22 van de Awb.
Artikel 7:9 van de Awb.
Artikel 6:22 van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1174, r.o. 7.1.
Artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet.
Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4621, r.o. 30.
Artikel 22.26 van het omgevingsplan.
Artikel 22.29 van het omgevingsplan.
Artikel 12.1 aanhef en onder f en g van de planregels.
Artikel 12.2.2. onder d van de planregels.
Artikel 12.2.2. onder c van de planregels.
Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:80a van de Awb.
Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.