Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6247

2026-09-10 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 26/126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/126
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wmo, de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsbediening houdt stand, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.247 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/126


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.C. Dijkstra),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, het college
(gemachtigde: B. van Dijk).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsbediening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat de zorg die eiser ontvangt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) als passend en toereikend kan worden beschouwd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. Eiser heeft op 23 december 2024 een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wmo. Bij besluit van 24 december 2024 heeft het college de gevraagde aanpassing van twee deuren toegekend en de gevraagde omgevingsbediening afgewezen. Volgens het college kan eiser voor het bedienen van de lampen en de thermostaat de zorgverleners vragen, die hem op grond van zijn Wlz-indicatie 24 uur zorg in de nabijheid bieden.

4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de omgevingsbediening. Het college heeft het bezwaar in het bestreden besluit van 26 november 2025 ongegrond verklaard.

5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn gemachtigde en zijn begeleider [A.] , en de gemachtigde van het college, vergezeld door case manager [B.] .

7. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.



Beoordeling door de rechtbank

8. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij de omgevingsbediening nodig heeft om nog enigszins zijn eigen ding te kunnen doen en zelfstandig te zijn in huis. Het is volgens eiser onrealistisch dat zijn zorgverlener hem kan helpen. De Wlz-zorg is toegekend op basis van zijn lichamelijke klachten en gericht op het uitvoeren van medische handelingen. De zorg is niet verantwoordelijk voor huishoudelijke taken, zoals het aan- en uitdoen van lampen en het openen en sluiten van gordijnen. Hiervoor is de Wmo aangewezen. Ook volstaat het zelf kopen van apparatuur niet. De kwaliteit hiervan is niet goed. Eiser moet erop kunnen vertrouwen dat het werkt. Ter onderbouwing heeft eiser een zorgbeschrijving en de rapportages van de ergotherapeut van 16 maart 2026 en 8 juni 2026 ingebracht.

9. Het beroep slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gevraagde omgevingsbediening op goede gronden afgewezen. Dit legt de rechtbank hieronder uit.

10. Het college heeft in het onderzoeksverslag van 23 januari 2025 volgens het voorgeschreven stappenplan uiteen gezet wat de hulpvraag van eiser is, welke beperkingen eiser ondervindt, welke ondersteuning hierbij passend is en in hoeverre deze ondersteuning kan worden geboden vanuit de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen. Uit dit onderzoeksverslag volgt dat eisers hulpvraag met betrekking tot het bedienen van de lampen en de thermostaat volgens het college op te lossen is door voorliggende (algemene) voorzieningen. Eiser kan hulp vragen aan de aanwezige zorgverleners, die op grond van de Wlz 24 uur zorg in de nabijheid bieden. Ook kan hij algemeen gebruikelijke voorzieningen gebruiken, zoals lampen die te bedienen zijn met een app. Daarbij wordt het frequent wijzigen van de temperatuur middels de thermostaat afgeraden vanwege de aanwezige vloerverwarming.

11. Dat wat eiser in beroep hiertegen inbrengt, werpt geen ander licht op de beoordeling van het college. De rechtbank begrijpt de wens van eiser om zelf de lampen en thermostaat in zijn woning te kunnen bedienen en hiervoor niet afhankelijk te zijn van anderen. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij een drempel ervaart bij het vragen om hulp hiervoor. Hoewel dit invoelbaar is, leidt dit niet tot toekenning van de gevraagde omgevingsbediening. Eiser ontvangt op grond van de Wlz 24 uurs zorg in de nabijheid. Dat betekent dat er zorgverleners bij zijn woning aanwezig zijn, die eiser 24 uur per dag om hulp kan vragen als hij dat nodig heeft. Het bedienen van de lampen en de thermostaat valt ook onder de hulp die die zorgverleners eiser bieden. Dat volgt uit de wet en de toelichting daarbij. Voor zover eiser op de zitting heeft betoogd dat de zorgverleners ook rust nodig hebben en dat hij hen niet in de nacht wil storen, overweegt de rechtbank dat de consequenties van deze afweging voor eisers rekening komen.
Daarnaast bestaan algemeen gebruikelijke voorzieningen voor het bedienen van lampen op afstand via een app op de telefoon. Eiser heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat deze algemeen gebruikelijke voorzieningen voor hem niet toegankelijk zijn. Dat de lampen van de Action voor eiser niet voldoen, sluit niet uit dat er andere algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn. Dat eiser deze niet kan betalen, heeft hij niet onderbouwd.

12. Voor zover eiser ook zelfstandige bediening van de gordijnen heeft aangevraagd, stelt de rechtbank vast dat de bestreden besluitvorming hier niet op ziet. Dat onderdeel van de aanvraag valt dan buiten de omvang van dit geding.



Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de omgevingsbediening in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.


Artikel 3.1.1., eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz.


Kamerstukken II 2013-2014, 33 891, nr. 3, p. 136.