Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6244

2026-06-19 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/6510
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6510
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pw, herziening en terugvordering bijstand, inlichtingenplicht geschonden, eiser kan beschikken over inkomsten o.g.v. zorgovereenkomst, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.657 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/6510


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.C.J. Schobbers),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, het college
(gemachtigde: K. Demir).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn bijstand over de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024, en de verrekening van zijn inkomsten met zijn bijstand vanaf 1 januari 2025.



1.1.
Met het besluit van 14 februari 2025 (het primaire besluit 1) heeft het college de bijstand van eiser herzien en teruggevorderd over de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 ter hoogte van een bedrag van bruto € 4.553,89, vanwege het schenden van de inlichtingenplicht.



1.2.
Met het tweede besluit van 26 februari 2026 (het primaire besluit 2) heeft het college de bijstandsnorm van eiser per 11 februari 2025 gewijzigd naar de norm van een alleenstaande ouder. Verder heeft het college (opnieuw) bepaald dat de inkomsten worden verrekend met de bijstand. Daartoe moet eiser maandelijks de bankafschriften van de [naam stichting] Stichting Nederland inleveren.



1.3.
Met het besluit van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij de primaire besluiten 1 en 2 gebleven.



1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.



1.6.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen
zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. De rechtbank heeft de termijn opnieuw niet gehaald en partijen bericht op 19 juni 2026 uitspraak te doen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser ontvangt sinds 31 januari 2014 bijstand van de gemeente Amersfoort, en heeft daarvóór ook periodes bijstand ontvangen. Eiser is bestuurslid van de [naam stichting] Stichting Nederland (hierna: de stichting), opgericht in 2002. Eiser heeft in 2014 een zorgovereenkomst gesloten met de heer [A] (hierna: [A] ). In de zorgovereenkomst staat dat eiser de zorgverlener is en dat de vergoeding wordt uitbetaald op de rekening van de stichting. De vergoeding wordt betaald uit het persoonsgebonden budget (pgb) van [A] .

3. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en baseert zich op het onderzoeksrapport van 20 januari 2025 en 7 maart 2025 onder meer inhoudende dat eiser naast zijn bijstandsuitkering werkzaamheden verricht bestaande uit de begeleiding van [A] - welke zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten, waar inkomsten tegenover staan. Eiser laat deze inkomsten uitbetalen op de bankrekening van de stichting. Eiser heeft zelf beslist om deze maandelijkse inkomsten over te laten maken naar de bankrekening van de stichting. Eiser had dit moeten melden omdat dit van belang is voor het recht op bijstand. De bijstand is daarom herzien en teruggevorderd over de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024. Verder vindt het college dat eiser over de inkomsten kan beschikken. Eiser heeft namelijk de zorgovereenkomst ondertekend, en had daarbij ook zijn eigen bankrekening kunnen vermelden. Uit het dossier blijkt niet dat eiser de werkzaamheden namens de stichting heeft verricht, onder andere omdat niet is gebleken dat anderen van de stichting bij de zorgverlening van [A] zijn betrokken. Daarom worden de inkomsten die eiser heeft ontvangen van [A] vanaf 1 januari 2025 ook verrekend met eisers bijstandsuitkering.

4. Eiser voert aan dat hij het college wel degelijk heeft geïnformeerd over de stichting en de activiteiten en de begeleiding van [A] . In 2012-2013 was er al een geschil over de bijstandsuitkering, waarbij eiser alle documenten en bewijsstukken van de stichting moest overhandigen. Vervolgens heeft hij in 2014 contact gehad met zijn toenmalige contactpersoon van de gemeente over de begeleiding van [A] . Het college had dit kunnen nakijken en/of navragen. Nu dit niet is gebeurd, heeft het college niet voldaan aan zijn bewijslast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 2022. Verder voert eiser aan dat hij niet beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over de inkomsten die hij van [A] ontvangt. Het aanwenden van die inkomsten voor privégebruik zou in strijd zijn met de statuten van de stichting. Uit de beschikbare documenten blijkt ook niet dat eiser privé-inkomsten ontvangt uit de stichting. Verder wordt de begeleiding van [A] wel degelijk namens de stichting verricht. De werkzaamheden zijn immers in overeenstemming met het doel van de stichting volgens de statuten. [A] heeft de stichting via de website systema-nederland.nl gevonden en contact opgenomen en heeft vervolgens eiser gekozen als zijn begeleider. [A] kan op elk moment een andere begeleider kiezen. Het vermelden van eisers persoonlijke bankrekening op de zorgovereenkomst was daarom ook niet mogelijk en passend. Eiser heeft er op de zitting ook nog op gewezen dat op de zorgovereenkomst [naam stichting] achter zijn naam staat vermeld.



Heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden?



5. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden en het inkomen dat daarmee is verkregen. Het gaat om gegevens waarvan het eiser redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De verwijzing van eiser naar de procedure in 2012-2013 treft geen doel, omdat toen nog geen sprake was van de zorgovereenkomst met [A] . Pas na juli 2024, de start van het onderzoek, zijn de zorgovereenkomst en de overzichten van de ontvangen betalingen overgelegd. Verder is de stelling van eiser dat hij in 2014 contact heeft gehad met zijn contactpersoon van de gemeente over de begeleiding van [A] onvoldoende om daar vanuit te gaan. Eiser heeft deze stelling namelijk niet verder concreet gemaakt en onderbouwd.



Mocht het college de bijstand herzien over de periode van 1 juli 2024 tot en met

31 december 2024 en de inkomsten in mindering brengen vanaf januari 2025?



6. Op grond van artikel 31, eerste lid van de Pw, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomstensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

7. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de inkomsten verkregen uit de begeleiding van [A] tot de middelen van eiser moeten worden gerekend omdat hij redelijkerwijs over die middelen kan beschikken. Van belang is dat eiser en [A] in de zorgovereenkomst hebben bepaald dat eiser zorg verleent aan [A] en dat [A] daar een vergoeding voor betaalt. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij deze zorg ook daadwerkelijk verleent. Eiser heeft onvoldoende duidelijk gemaakt en niet onderbouwd dat hij de werkzaamheden namens de stichting verricht, dat de stichting contractspartij is bij de zorgovereenkomst en eiser deze werkzaamheden niet op eigen naam kan verrichten. De rechtbank acht niet doorslaggevend dat eiser bij de zorgovereenkomst het rekeningnummer van de stichting heeft opgegeven en dat daarbij [naam stichting] vóór de naam van eiser staat. Het college mocht tegenwerpen dat dit de keuze van eiser is en dat eiser er ook voor kan kiezen om de inkomsten te ontvangen op zijn privérekening. Dat dit zou betekenen dat de stichting niet meer kan voortbestaan, zoals eiser op de zitting heeft toegelicht, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat er in deze zaak over dat eiser bijstand ontvangt en dat op die bijstand van invloed is dat eiser werkzaamheden verricht, waar inkomsten tegenover staan. Eiser kon en kan dus over de inkomsten op grond van de zorgovereenkomst beschikken.

8. Gelet op hiervoor is overwogen, heeft het college de bijstand terecht herzien over de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 en de inkomsten van eiser met ingang van 1 januari 2025 in mindering gebracht op zijn bijstandsuitkering. De beroepsgronden van eiser slagen niet.



Had het college van terugvordering moeten afzien?



9. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht maar kan wel (gedeeltelijk) van terugvordering af zien als sprake is van dringende reden. De rechtbank stelt vast dat eiser geen dringende redenen heeft aangevoerd op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering af moest zien. Het college heeft dan ook terecht over de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 een bedrag van € 4.553,89 teruggevorderd.



Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Valk, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 17, eerste lid en artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).


ECLI:NL:CRVB:2022:1395.


Artikel 58, eerste lid, en achtste lid, van de Pw.