Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6242
2026-08-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/605335 / BE ZA 26-2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Geschil tussen blooteigenaar/erfgenaam en vruchtgebruiker/weduwe. Onderhoudskosten woning, verjaring van verrekenvordering.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:93 Hoge Raad 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.307 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605335 / BE ZA 26-2
Vonnis van 12 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Kuizenga,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 januari 2026, met daarbij de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 12, - de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord in reconventie,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overleggen producties tevens wijziging eis in reconventie met producties 17 en 18 van [gedaagde] ,
1.2
De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Mr. Kuizenga heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen en de griffier heeft voor het overige aantekeningen gemaakt.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Op [datum] 2001 is in Amersfoort overleden [erflater] (erflater). Erflater was tot zijn overlijden (onder het maken van huwelijkse voorwaarden, in tweede echt) gehuwd met [gedaagde] . [eiseres] is zijn dochter uit zijn eerste huwelijk.
2.2
Naast [eiseres] had erflater nog twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, [A] (roepnaam: [A] ) en [B] (roepnaam: [B] ). Beide zonen van erflater zijn overleden. [B] overleed in 2020 en [A] overleed in 2025.
2.3
Erflater heeft bij testament van 30 augustus 1995 over zijn nalatenschap beschikt. Aan [gedaagde] liet hij een keuzelegaat na, onder de verplichting om de waarde van de verkozen goederen in te brengen in de nalatenschap. Ook verkreeg [gedaagde] het vruchtgebruik van de goederen van de nalatenschap. Onder de last van het genoemde legaat, benoemde erflater zijn drie kinderen gezamenlijk en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen.
2.4
Tot de nalatenschap van erflater behoort in ieder geval de woning aan het [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en banktegoeden op een betaal- en spaarrekening van de SNS bank. Op de SNS rekening met rekeningnummer: [rekeningnummer] stond op 31 januari 2001 een saldo van € 2.721,64. Op de SNS rekening met rekeningnummer: [rekeningnummer] stond op 1 februari 2001 een saldo van € 25.936,09.
2.5
Ruim zeven jaar na het overlijden van erflater, op 19 maart 2008, bereikten de kinderen van erflater en [gedaagde] overeenstemming over het keuzelegaat en het vruchtgebruik. In de notariële akte van de eerder genoemde datum werd ten gunste van [gedaagde] onder meer het vruchtgebruik gevestigd op de woning in [plaats] .
2.6
In de notariële akte van 19 maart 2008 is ook bepaald dat het saldo op beide SNS bankrekeningen gebruikt zou worden om het onderhoud aan de woning te bekostigen. De akte vermeldt verder dat met de SNS bank wordt overeengekomen dat alleen over het saldo kan worden beschikt, nadat zowel [gedaagde] (de vruchtgebruikster) als [A] (als vertegenwoordiger van de bloot-eigenaren), door het zetten van een handtekening hun toestemming daarvoor hebben gegeven.
2.7
In 2021 zijn de twee SNS-rekeningen opgeheven. Het resterende saldo van die twee rekeningen, op dat moment in totaal € 11.707,91, is op 3 maart 2021 overgeboekt naar een ABN Amro rekening van [gedaagde] .
3De kern van de zaak
3.1
Deze zaak betreft een geschil tussen [eiseres] , als mede-blooteigenaar van de woning en [gedaagde] , als vruchtgebruikster van de woning over de naleving van de afspraken over het onderhoud van de woning die bij de vestiging van het vruchtgebruik zijn gemaakt.
3.2
Het gaat met name over de hoogte van het bedrag dat vanuit de twee SNS-rekeningen is betaald voor onderhoud van de woning, en in het verlengde daarvan, op de vraag wat er van het totaal-saldo van die twee rekeningen nog over zou moeten zijn geweest, toen die rekeningen in 2021 werden opgeheven. Volgens [eiseres] had er op dat moment nog een bedrag van ten minste € 26.337,23 op de rekeningen moeten staan, omdat volgens haar alleen een factuur van een dakdekker ter hoogte van € 2.320,50 van het tegoed is betaald. [eiseres] vordert, met volmacht van de weduwen van haar broers, nakoming van de gemaakte afspraak over het onderhoud van de woning in die zin dat [gedaagde] € 26.337, met rente, terugstort.
3.3
[gedaagde] betwist dat alleen de factuur van de dakdekker van het tegoed is betaald, volgens haar zijn daarvan ook nog andere onderhoudskosten betaald. Bovendien stelt [gedaagde] dat zij na opheffing van de rekeningen (uit eigen vermogen) nog onderhoudskosten heeft betaald die eigenlijk ook van het gereserveerde tegoed betaald hadden moeten worden. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij destijds zelf de uitvaartkosten van erflater heeft betaald, terwijl die eigenlijk voor rekening van de nalatenschap hadden moeten komen. [gedaagde] wil ten slotte dat achterstallig onderhoud van de woning (alsnog) wordt uitgevoerd. Zij heeft daarom tegenvorderingen ingesteld.
4De vorderingen
In conventie
4.1
[eiseres] vordert – samengevat en voor zover nog van belang– dat de rechtbank, bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot:
I. betaling van € 26.337,23, vermeerderd met 2% (bank)rente vanaf 28 januari 2001, op een nog te openen bankrekening die voldoet aan de afspraken in de akte van vruchtgebruik van 19 maart 2008,
II. betaling van € 1.038,37 aan buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover,
III. betaling van de nakosten,
IV. betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
4.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
In reconventie
4.3
[gedaagde] vordert in reconventie – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 5.491,50 aan uitvaartkosten en de wettelijke rente daarover,
II. [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 1.035,- aan onderhoudskosten, met de wettelijke rente daarover:
a. vanaf 29 juni 2022 over een bedrag van € 335,-
b. vanaf 25 oktober 2025 over een bedrag van € 700,-
III. [eiseres] beveelt tot uitvoering van onderhoud aan de woning door:
a. binnen tien werkdagen de opdracht te verlenen aan [bedrijf 1] om buitenschilderwerk inclusief de noodzakelijk geachte herstelwerkzaamheden uit te voeren,
b. de kosten hiervoor volledig te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag tot een maximum van. € 12.500 is bereikt,
IV. [eiseres] veroordeelt tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie.
4.4
[eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen in reconventie, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie en in reconventie
5.1
Omdat de tegenvordering in reconventie samenhangt met de vordering in conventie, zal de rechtbank de vorderingen in conventie en reconventie zoveel mogelijk gezamenlijk beoordelen.
Moet [gedaagde] een bedrag terugplaatsen in depot?
5.2
De vraag die als eerste ter beantwoording voorligt is of [gedaagde] , ter nakoming van de afspraken over het onderhoud van de woning, een bedrag moet storten op een te openen (depot-)rekening, bestemd voor de financiering van dat onderhoud. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, maar vermindert het door [gedaagde] in depot te plaatsen bedrag. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Het beginsaldo op de twee SNS-rekeningen is onduidelijk
5.3
De hoogte van de vordering van [eiseres] wordt bepaald door de uitkomst van een door haar gemaakte rekensom. Zij gaat uit van een beginsaldo van € 28.657,73 op het moment van de vestiging van het vruchtgebruik en trekt daar vervolgens het bedrag van € 2.320,50 af dat aan de dakdekker is betaald. Het verschil, € 26.337,23 is de hoofdsom van haar vordering. Hoeveel geld er op 19 maart 2008 – het moment dat partijen de afspraken maakten – op de SNS rekeningen stond is echter onduidelijk gebleven. De bijlage waarnaar de akte verwijst ontbreekt.
5.4
Uit door [eiseres] overgelegde bankafschriften van de desbetreffende SNS-rekeningen (productie 6 en productie 7) blijkt dat er op 31 januari 2001 op een van de twee rekeningen € 2.721,64 stond en op de andere rekening € 25.936,09. In totaal bedroeg het saldo van die rekeningen omstreeks de sterfdatum van erflater dus het door [eiseres] genoemde bedrag van € 28.657,73. Maar dat was zeven jaar voordat de afspraken over het onderhoud werden gemaakt. Dat hetzelfde bedrag nog op de rekeningen aanwezig was zeven jaar later (in maart 2008), zoals [eiseres] betoogt, blijkt echter nergens uit, integendeel. Hoewel [gedaagde] , twee decennia later, niet meer over alle bankadministratie beschikt, wat haar gelet op het tijdsverloop niet kan worden aangerekend, heeft zij in ieder geval twee bankafschriften overgelegd van 1 november 2005. Daaruit blijkt dat er twee kasopnames van € 200 en € 1.300 hebben plaatsgevonden, welke door [eiseres] bovendien zijn erkend. Dat betekent dat het tegoed op de SNS rekeningen in maart 2008 lager moet zijn geweest dan, of in ieder geval niet meer gelijk was aan, het saldo omstreeks de overlijdensdatum van erflater. Niet uitgesloten en zelfs heel aannemelijk is dat tot het moment dat partijen in maart 2008 afspraken maakten, naast de kasopnames in 2005 nog andere afschrijvingen (en/of bijschrijvingen) van de SNS rekeningen hebben plaatsgevonden. Omdat onduidelijk is welk bedrag er op de rekeningen stond toen partijen daarover, in maart 2008, afspraken maakten, kan [eiseres] niet in haar standpunt worden gevolgd dat er, na aftrek van de rekening van de dakdekker, nog € 26.337,23 op de rekeningen zou moeten hebben gestaan toen de rekeningen werden opgeheven.
Op 3 maart 2021 ontving [gedaagde] € 11.707,91
5.5
[gedaagde] heeft toegelicht dat achteraf uit haar bankadministratie is gebleken dat op 3 maart 2021 twee overboekingen van een SNS rekening naar haar ABN Amro rekening hebben plaatsgevonden. Daarbij is een totaalbedrag van € 11.707,91 naar haar overgeboekt met de omschrijving: “opheffen rekening”. Of deze overboekingen in verband met opheffing van de SNS rekeningen op initiatief van [gedaagde] of op initiatief van de bank hebben plaatsgevonden, laat de rechtbank in het midden. In ieder geval staat vast dat [gedaagde] in maart 2021 het resterende tegoed, dat bedoeld was om onderhoudskosten van de woning te betalen, heeft ontvangen. Wat er ook zij van de stelling van [gedaagde] dat ook nog andere onderhoudskosten van het tegoed zijn betaald, vaststaat dat in ieder geval het resterende tegoed op dat moment niet was aangewend voor onderhoud van de woning en in strijd met de afspraken in het vermogen van [gedaagde] is gevloeid. [gedaagde] moet dus in beginsel dat bedrag terugstorten.
Heeft [gedaagde] opeisbare tegenvorderingen, die zij kan verrekenen?
5.6
Vervolgens dient zich de vraag aan of [gedaagde] een tegenvordering heeft uit hoofde van door haar na het overlijden van erflater betaalde uitvaartkosten en door haar na maart 2021 betaalde onderhoudskosten, waardoor zij zich in conventie kan beroepen op verrekening. De rechtbank beantwoordt die vraag voor de onderhoudskosten bevestigend en voor de begrafeniskosten ontkennend.
Onderhoudskosten
5.7
[gedaagde] heeft in 2022 € 335,- betaald aan [bedrijf 2] vanwege een afgewaaide schoorsteendeksel en in 2025 heeft zij € 700,- betaald aan [C] voor het herstel van stucwerk op zolder en de schoorsteen. Volgens [gedaagde] hadden deze onderhoudskosten van in totaal € 1.035,- volgens de afspraken van 19 maart 2008 betaald moeten worden van het tegoed dat voorheen op de SNS rekeningen stond. Zij vordert in reconventie dan ook terugbetaling van deze bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling. In conventie heeft zij zich beroepen op verrekening van deze kosten (inclusief de wettelijke rente), mocht zij enig bedrag moeten terugstorten.
5.8
[eiseres] heeft dat betwist. Volgens haar hebben partijen niet afgesproken dat alle onderhoudskosten van het tegoed betaald zouden worden. Uit de akte van 19 maart 2008 volgt namelijk dat partijen ten aanzien van de onderhoudskosten hebben aangesloten bij de bepalingen (in titel 7 van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW)) over onderhoud in het huurrecht. Volgens [eiseres] houdt die afspraak in dat de onderhoudskosten die volgens de genoemde huurbepalingen voor rekening komen van de huurder, in dit geval door [gedaagde] betaald moeten worden omdat zij vruchtgebruikster is van de woning. Omdat [gedaagde] de genoemde kosten nooit eerder met [eiseres] heeft besproken en dus ook niet (op tijd) aan [eiseres] heeft gemeld dat het verrichten van deze onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk was, moet [gedaagde] deze kosten zelf betalen.
5.9
De rechtbank volgt het verweer van [eiseres] niet. [gedaagde] heeft toegelicht dat de gemaakte kosten voor het stucwerk zien op herstelwerkzaamheden vanwege een lekkage en dat ook het terugplaatsen van een afgewaaide schoorsteendeksel ziet op herstelwerkzaamheden. Dat zijn geen kosten die verband houden met het (vrucht)gebruik van de woning door [gedaagde] , maar deze kosten hebben betrekking op het pand (opstal) van de woning. De door [gedaagde] zelf gedragen kosten van € 1.035,- hadden daarom van het tegoed betaald moeten worden. Het moge zo zijn dat daarover vooraf geen overleg is geweest met [A] , maar dit maakt dat niet anders. De verhoudingen tussen [gedaagde] en [eiseres] en haar broers maakten immers een constructief overleg niet mogelijk. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 1.035,- mag verrekenen met het door haar in depot te plaatsen bedrag. De gevorderde wettelijke rente daarover komt niet voor verrekening in aanmerking omdat de bedragen die op 3 maart 2021 vanuit de SNS-rekeningen aan [gedaagde] zijn overgemaakt haar tegenvordering te boven gaan. Omdat de rechtbank het beroep op verrekening in conventie honoreert wordt de vordering in reconventie voor zover die ziet op deze onderhoudskosten afgewezen.
Uitvaartkosten
5.10
[gedaagde] heeft op 3 mei 2001 (omgerekend naar euro) € 2.103,73 betaald aan uitvaartkosten. Zij vordert terugbetaling van genoemd bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover berekend vanaf 3 mei 2001, dan wel dat de uitvaartkosten (inclusief de wettelijke rente) worden verrekend met het bedrag dat [gedaagde] (terug) in depot moet plaatsen.
5.11
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de uitvaartkosten heeft betaald. Op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW vormen de uitvaartkosten een schuld van de nalatenschap. Dit is ook uitdrukkelijk zo in het testament bepaald, zij het dat tevens is bepaald dat [gedaagde] bevoegd was deze kosten voor te schieten. Daaruit volgt dat de kosten uiteindelijk voor rekening hadden moeten komen van de nalatenschap waarover [gedaagde] overigens het vruchtgebruik had. Indien en voor zover [gedaagde] die kosten op 3 mei 2001 uit haar eigen vermogen heeft betaald en niet uit de nalatenschap heeft zij die destijds, als legataris, onverschuldigd voor haar rekening genomen, waardoor de nalatenschap ongerechtvaardigd is verrijkt en [gedaagde] is verarmd. [gedaagde] kreeg dus op dat moment een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de nalatenschap. Gezien de uitdrukkelijke bewoordingen in het testament wordt zij geacht daar op dat moment ook van op de hoogte te zijn geweest.
5.12
De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] tot terugbetaling van de uitvaartkosten desalniettemin af op de grond dat het beroep van [eiseres] op verjaring van deze vordering slaagt.
5.13
Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zoals de onderhavige door verloop van vijf jaren. De verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling van de uitvaartkosten is daarom voltooid na verloop van vijf jaren na het moment dat [gedaagde] de uitvaartkosten betaalde (en dus op 4 mei 2006). Dat betekent dat [gedaagde] de nalatenschap nu niet meer om terugbetaling van de door haar betaalde uitvaartkosten kan vragen, nog daargelaten dat (waarschijnlijk) niet alle erfgenamen in deze procedure zijn vertegenwoordigd.
5.14
Ook verrekening van de uitvaartkosten met de kosten die [gedaagde] (terug) in depot moet plaatsen is niet (meer) mogelijk. Weliswaar bepaalt artikel 6:131 lid 1 BW dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de onderliggende rechtsvordering, maar deze bevoegdheid laat alleen een bestaande verrekeningsbevoegdheid voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart. Het schept niet de bevoegdheid tot verrekening van een al verjaarde vordering met een schuld die na de voltooiing van de verjaring is ontstaan. De vordering van [gedaagde] op de erfgenamen uit hoofde van door haar voorgeschoten uitvaartkosten was al verjaard toen partijen met de akte van 19 maart 2008 het vruchtgebruik op de woning ten gunste van [gedaagde] vestigde en afspraken over het onderhoud van de woning maakten. Dat betekent dat de uitvaartkosten, nu vijfentwintig jaar later, niet meer verrekenbaar zijn.
Tussenconclusie: [gedaagde] moet € 10.672,91 in depot plaatsen
5.15
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen moet de conclusie daarom zijn dat [gedaagde] een bedrag van (€ 11.707,91 - € 1.035 =) € 10.672,91 op een door haar te openen
(depot-)rekening moet plaatsen.
5.16
[eiseres] vordert over het door [gedaagde] aldus te betalen bedrag een gemiddelde bankrente van 2% vanaf 28 januari 2001. Zoals uit het voorgaande al bleek is (pas) op 3 maart 2021 het resterende tegoed van de SNS rekeningen naar [gedaagde] overgemaakt, zodat eerst vanaf dat moment rente berekend zou kunnen worden. De rechtbank wijst de gevorderde rente over het tegoed dat [gedaagde] ontving desalniettemin af, omdat onvoldoende duidelijk is hoe [eiseres] tot een gemiddeld rentepercentage van 2% komt. In de jaren 2021 en 2022 was de gemiddelde spaarrente overigens historisch laag (0,01%) om vervolgens licht te stijgen tot een percentage dat ruim onder de twee procent ligt.
De rechtbank laat de gewijzigde vordering van [gedaagde] tot nakoming van de onderhoudsverplichting niet toe
5.17
[gedaagde] heeft kort voor de zitting haar eis in reconventie vermeerderd in die zin dat zij nu ook vordert dat [eiseres] haar onderhoudsverplichting nakomt door [bedrijf 1] opdracht te geven om buitenschilderwerk en herstelwerkzaamheden aan de woning uit te voeren. Voor deze werkzaamheden heeft het schildersbedrijf een offerte uitgebracht voor totaal van € 8.720 inclusief btw.
5.18
Deze eiswijziging van [gedaagde] is per e-mail van 15 juli 2026 en per post op 20 juli 2026 door de griffie van deze rechtbank ontvangen, terwijl de zitting op 21 juli 2026 plaatsvond. Doordat de eiswijziging op zo een korte termijn voor de zitting is gedaan, heeft [eiseres] onvoldoende gelegenheid gehad om te onderzoeken of de aan de eiswijziging gehechte offerte met daarop de geoffreerde prijs van € 8.720 (inclusief btw) een redelijke prijs is voor de uit te voeren werkzaamheden. De rechtbank staat de eisvermeerdering daarom niet toe wegens strijd met een goede procesorde. De rechtbank acht het overigens wel voor de hand liggen dat partijen met elkaar in overleg gaan over de offerte en de uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aan de woning. Het door [gedaagde] in depot te plaatsen tegoed is, blijkens de afspraken die partijen daarover in maart 2008 hebben gemaakt, bestemd voor het bekostigen van onderhoud aan de woning en kan daar beter ook maar zo snel mogelijk voor worden aangewend, gelet op de door beide partijen onderschreven noodzaak van onderhoud.
De buitengerechtelijke incassokosten wijst de rechtbank af
5.19
[eiseres] vordert vergoeding door [gedaagde] van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.038,37, omdat haar advocaat op 19 december 2025 per gewone en aangetekende – de rechtbank begrijpt – post een sommatie naar [gedaagde] heeft gestuurd. Deze brief van 19 december 2025 is niet overgelegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan in te brengen in de procedure. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen, omdat de rechtbank niet kan controleren of een correcte aanmaning is gestuurd.
De proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd
5.20
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten voor zowel de zaak in conventie als de zaak in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
In conventie
6.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 10.672,91 op een door [gedaagde] te openen bankrekening, die voldoet aan de tussen partijen gemaakte afspraken in de akte van 19 maart 2008,
6.2
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.3
verklaart dit vonnis -tot zover- uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
6.4
wijst het gevorderde af;
In conventie en in reconventie
6.5
compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, bijgestaan door mr. D.J.C. Oltmans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
41825
Hoge Raad, 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, r.o. 3.2.
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605335 / BE ZA 26-2
Vonnis van 12 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Kuizenga,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 januari 2026, met daarbij de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 12, - de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord in reconventie,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overleggen producties tevens wijziging eis in reconventie met producties 17 en 18 van [gedaagde] ,
1.2
De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Mr. Kuizenga heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen en de griffier heeft voor het overige aantekeningen gemaakt.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Op [datum] 2001 is in Amersfoort overleden [erflater] (erflater). Erflater was tot zijn overlijden (onder het maken van huwelijkse voorwaarden, in tweede echt) gehuwd met [gedaagde] . [eiseres] is zijn dochter uit zijn eerste huwelijk.
2.2
Naast [eiseres] had erflater nog twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, [A] (roepnaam: [A] ) en [B] (roepnaam: [B] ). Beide zonen van erflater zijn overleden. [B] overleed in 2020 en [A] overleed in 2025.
2.3
Erflater heeft bij testament van 30 augustus 1995 over zijn nalatenschap beschikt. Aan [gedaagde] liet hij een keuzelegaat na, onder de verplichting om de waarde van de verkozen goederen in te brengen in de nalatenschap. Ook verkreeg [gedaagde] het vruchtgebruik van de goederen van de nalatenschap. Onder de last van het genoemde legaat, benoemde erflater zijn drie kinderen gezamenlijk en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen.
2.4
Tot de nalatenschap van erflater behoort in ieder geval de woning aan het [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en banktegoeden op een betaal- en spaarrekening van de SNS bank. Op de SNS rekening met rekeningnummer: [rekeningnummer] stond op 31 januari 2001 een saldo van € 2.721,64. Op de SNS rekening met rekeningnummer: [rekeningnummer] stond op 1 februari 2001 een saldo van € 25.936,09.
2.5
Ruim zeven jaar na het overlijden van erflater, op 19 maart 2008, bereikten de kinderen van erflater en [gedaagde] overeenstemming over het keuzelegaat en het vruchtgebruik. In de notariële akte van de eerder genoemde datum werd ten gunste van [gedaagde] onder meer het vruchtgebruik gevestigd op de woning in [plaats] .
2.6
In de notariële akte van 19 maart 2008 is ook bepaald dat het saldo op beide SNS bankrekeningen gebruikt zou worden om het onderhoud aan de woning te bekostigen. De akte vermeldt verder dat met de SNS bank wordt overeengekomen dat alleen over het saldo kan worden beschikt, nadat zowel [gedaagde] (de vruchtgebruikster) als [A] (als vertegenwoordiger van de bloot-eigenaren), door het zetten van een handtekening hun toestemming daarvoor hebben gegeven.
2.7
In 2021 zijn de twee SNS-rekeningen opgeheven. Het resterende saldo van die twee rekeningen, op dat moment in totaal € 11.707,91, is op 3 maart 2021 overgeboekt naar een ABN Amro rekening van [gedaagde] .
3De kern van de zaak
3.1
Deze zaak betreft een geschil tussen [eiseres] , als mede-blooteigenaar van de woning en [gedaagde] , als vruchtgebruikster van de woning over de naleving van de afspraken over het onderhoud van de woning die bij de vestiging van het vruchtgebruik zijn gemaakt.
3.2
Het gaat met name over de hoogte van het bedrag dat vanuit de twee SNS-rekeningen is betaald voor onderhoud van de woning, en in het verlengde daarvan, op de vraag wat er van het totaal-saldo van die twee rekeningen nog over zou moeten zijn geweest, toen die rekeningen in 2021 werden opgeheven. Volgens [eiseres] had er op dat moment nog een bedrag van ten minste € 26.337,23 op de rekeningen moeten staan, omdat volgens haar alleen een factuur van een dakdekker ter hoogte van € 2.320,50 van het tegoed is betaald. [eiseres] vordert, met volmacht van de weduwen van haar broers, nakoming van de gemaakte afspraak over het onderhoud van de woning in die zin dat [gedaagde] € 26.337, met rente, terugstort.
3.3
[gedaagde] betwist dat alleen de factuur van de dakdekker van het tegoed is betaald, volgens haar zijn daarvan ook nog andere onderhoudskosten betaald. Bovendien stelt [gedaagde] dat zij na opheffing van de rekeningen (uit eigen vermogen) nog onderhoudskosten heeft betaald die eigenlijk ook van het gereserveerde tegoed betaald hadden moeten worden. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij destijds zelf de uitvaartkosten van erflater heeft betaald, terwijl die eigenlijk voor rekening van de nalatenschap hadden moeten komen. [gedaagde] wil ten slotte dat achterstallig onderhoud van de woning (alsnog) wordt uitgevoerd. Zij heeft daarom tegenvorderingen ingesteld.
4De vorderingen
In conventie
4.1
[eiseres] vordert – samengevat en voor zover nog van belang– dat de rechtbank, bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt tot:
I. betaling van € 26.337,23, vermeerderd met 2% (bank)rente vanaf 28 januari 2001, op een nog te openen bankrekening die voldoet aan de afspraken in de akte van vruchtgebruik van 19 maart 2008,
II. betaling van € 1.038,37 aan buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover,
III. betaling van de nakosten,
IV. betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
4.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
In reconventie
4.3
[gedaagde] vordert in reconventie – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 5.491,50 aan uitvaartkosten en de wettelijke rente daarover,
II. [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 1.035,- aan onderhoudskosten, met de wettelijke rente daarover:
a. vanaf 29 juni 2022 over een bedrag van € 335,-
b. vanaf 25 oktober 2025 over een bedrag van € 700,-
III. [eiseres] beveelt tot uitvoering van onderhoud aan de woning door:
a. binnen tien werkdagen de opdracht te verlenen aan [bedrijf 1] om buitenschilderwerk inclusief de noodzakelijk geachte herstelwerkzaamheden uit te voeren,
b. de kosten hiervoor volledig te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag tot een maximum van. € 12.500 is bereikt,
IV. [eiseres] veroordeelt tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie.
4.4
[eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen in reconventie, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie en in reconventie
5.1
Omdat de tegenvordering in reconventie samenhangt met de vordering in conventie, zal de rechtbank de vorderingen in conventie en reconventie zoveel mogelijk gezamenlijk beoordelen.
Moet [gedaagde] een bedrag terugplaatsen in depot?
5.2
De vraag die als eerste ter beantwoording voorligt is of [gedaagde] , ter nakoming van de afspraken over het onderhoud van de woning, een bedrag moet storten op een te openen (depot-)rekening, bestemd voor de financiering van dat onderhoud. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, maar vermindert het door [gedaagde] in depot te plaatsen bedrag. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Het beginsaldo op de twee SNS-rekeningen is onduidelijk
5.3
De hoogte van de vordering van [eiseres] wordt bepaald door de uitkomst van een door haar gemaakte rekensom. Zij gaat uit van een beginsaldo van € 28.657,73 op het moment van de vestiging van het vruchtgebruik en trekt daar vervolgens het bedrag van € 2.320,50 af dat aan de dakdekker is betaald. Het verschil, € 26.337,23 is de hoofdsom van haar vordering. Hoeveel geld er op 19 maart 2008 – het moment dat partijen de afspraken maakten – op de SNS rekeningen stond is echter onduidelijk gebleven. De bijlage waarnaar de akte verwijst ontbreekt.
5.4
Uit door [eiseres] overgelegde bankafschriften van de desbetreffende SNS-rekeningen (productie 6 en productie 7) blijkt dat er op 31 januari 2001 op een van de twee rekeningen € 2.721,64 stond en op de andere rekening € 25.936,09. In totaal bedroeg het saldo van die rekeningen omstreeks de sterfdatum van erflater dus het door [eiseres] genoemde bedrag van € 28.657,73. Maar dat was zeven jaar voordat de afspraken over het onderhoud werden gemaakt. Dat hetzelfde bedrag nog op de rekeningen aanwezig was zeven jaar later (in maart 2008), zoals [eiseres] betoogt, blijkt echter nergens uit, integendeel. Hoewel [gedaagde] , twee decennia later, niet meer over alle bankadministratie beschikt, wat haar gelet op het tijdsverloop niet kan worden aangerekend, heeft zij in ieder geval twee bankafschriften overgelegd van 1 november 2005. Daaruit blijkt dat er twee kasopnames van € 200 en € 1.300 hebben plaatsgevonden, welke door [eiseres] bovendien zijn erkend. Dat betekent dat het tegoed op de SNS rekeningen in maart 2008 lager moet zijn geweest dan, of in ieder geval niet meer gelijk was aan, het saldo omstreeks de overlijdensdatum van erflater. Niet uitgesloten en zelfs heel aannemelijk is dat tot het moment dat partijen in maart 2008 afspraken maakten, naast de kasopnames in 2005 nog andere afschrijvingen (en/of bijschrijvingen) van de SNS rekeningen hebben plaatsgevonden. Omdat onduidelijk is welk bedrag er op de rekeningen stond toen partijen daarover, in maart 2008, afspraken maakten, kan [eiseres] niet in haar standpunt worden gevolgd dat er, na aftrek van de rekening van de dakdekker, nog € 26.337,23 op de rekeningen zou moeten hebben gestaan toen de rekeningen werden opgeheven.
Op 3 maart 2021 ontving [gedaagde] € 11.707,91
5.5
[gedaagde] heeft toegelicht dat achteraf uit haar bankadministratie is gebleken dat op 3 maart 2021 twee overboekingen van een SNS rekening naar haar ABN Amro rekening hebben plaatsgevonden. Daarbij is een totaalbedrag van € 11.707,91 naar haar overgeboekt met de omschrijving: “opheffen rekening”. Of deze overboekingen in verband met opheffing van de SNS rekeningen op initiatief van [gedaagde] of op initiatief van de bank hebben plaatsgevonden, laat de rechtbank in het midden. In ieder geval staat vast dat [gedaagde] in maart 2021 het resterende tegoed, dat bedoeld was om onderhoudskosten van de woning te betalen, heeft ontvangen. Wat er ook zij van de stelling van [gedaagde] dat ook nog andere onderhoudskosten van het tegoed zijn betaald, vaststaat dat in ieder geval het resterende tegoed op dat moment niet was aangewend voor onderhoud van de woning en in strijd met de afspraken in het vermogen van [gedaagde] is gevloeid. [gedaagde] moet dus in beginsel dat bedrag terugstorten.
Heeft [gedaagde] opeisbare tegenvorderingen, die zij kan verrekenen?
5.6
Vervolgens dient zich de vraag aan of [gedaagde] een tegenvordering heeft uit hoofde van door haar na het overlijden van erflater betaalde uitvaartkosten en door haar na maart 2021 betaalde onderhoudskosten, waardoor zij zich in conventie kan beroepen op verrekening. De rechtbank beantwoordt die vraag voor de onderhoudskosten bevestigend en voor de begrafeniskosten ontkennend.
Onderhoudskosten
5.7
[gedaagde] heeft in 2022 € 335,- betaald aan [bedrijf 2] vanwege een afgewaaide schoorsteendeksel en in 2025 heeft zij € 700,- betaald aan [C] voor het herstel van stucwerk op zolder en de schoorsteen. Volgens [gedaagde] hadden deze onderhoudskosten van in totaal € 1.035,- volgens de afspraken van 19 maart 2008 betaald moeten worden van het tegoed dat voorheen op de SNS rekeningen stond. Zij vordert in reconventie dan ook terugbetaling van deze bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling. In conventie heeft zij zich beroepen op verrekening van deze kosten (inclusief de wettelijke rente), mocht zij enig bedrag moeten terugstorten.
5.8
[eiseres] heeft dat betwist. Volgens haar hebben partijen niet afgesproken dat alle onderhoudskosten van het tegoed betaald zouden worden. Uit de akte van 19 maart 2008 volgt namelijk dat partijen ten aanzien van de onderhoudskosten hebben aangesloten bij de bepalingen (in titel 7 van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW)) over onderhoud in het huurrecht. Volgens [eiseres] houdt die afspraak in dat de onderhoudskosten die volgens de genoemde huurbepalingen voor rekening komen van de huurder, in dit geval door [gedaagde] betaald moeten worden omdat zij vruchtgebruikster is van de woning. Omdat [gedaagde] de genoemde kosten nooit eerder met [eiseres] heeft besproken en dus ook niet (op tijd) aan [eiseres] heeft gemeld dat het verrichten van deze onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk was, moet [gedaagde] deze kosten zelf betalen.
5.9
De rechtbank volgt het verweer van [eiseres] niet. [gedaagde] heeft toegelicht dat de gemaakte kosten voor het stucwerk zien op herstelwerkzaamheden vanwege een lekkage en dat ook het terugplaatsen van een afgewaaide schoorsteendeksel ziet op herstelwerkzaamheden. Dat zijn geen kosten die verband houden met het (vrucht)gebruik van de woning door [gedaagde] , maar deze kosten hebben betrekking op het pand (opstal) van de woning. De door [gedaagde] zelf gedragen kosten van € 1.035,- hadden daarom van het tegoed betaald moeten worden. Het moge zo zijn dat daarover vooraf geen overleg is geweest met [A] , maar dit maakt dat niet anders. De verhoudingen tussen [gedaagde] en [eiseres] en haar broers maakten immers een constructief overleg niet mogelijk. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 1.035,- mag verrekenen met het door haar in depot te plaatsen bedrag. De gevorderde wettelijke rente daarover komt niet voor verrekening in aanmerking omdat de bedragen die op 3 maart 2021 vanuit de SNS-rekeningen aan [gedaagde] zijn overgemaakt haar tegenvordering te boven gaan. Omdat de rechtbank het beroep op verrekening in conventie honoreert wordt de vordering in reconventie voor zover die ziet op deze onderhoudskosten afgewezen.
Uitvaartkosten
5.10
[gedaagde] heeft op 3 mei 2001 (omgerekend naar euro) € 2.103,73 betaald aan uitvaartkosten. Zij vordert terugbetaling van genoemd bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover berekend vanaf 3 mei 2001, dan wel dat de uitvaartkosten (inclusief de wettelijke rente) worden verrekend met het bedrag dat [gedaagde] (terug) in depot moet plaatsen.
5.11
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de uitvaartkosten heeft betaald. Op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW vormen de uitvaartkosten een schuld van de nalatenschap. Dit is ook uitdrukkelijk zo in het testament bepaald, zij het dat tevens is bepaald dat [gedaagde] bevoegd was deze kosten voor te schieten. Daaruit volgt dat de kosten uiteindelijk voor rekening hadden moeten komen van de nalatenschap waarover [gedaagde] overigens het vruchtgebruik had. Indien en voor zover [gedaagde] die kosten op 3 mei 2001 uit haar eigen vermogen heeft betaald en niet uit de nalatenschap heeft zij die destijds, als legataris, onverschuldigd voor haar rekening genomen, waardoor de nalatenschap ongerechtvaardigd is verrijkt en [gedaagde] is verarmd. [gedaagde] kreeg dus op dat moment een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de nalatenschap. Gezien de uitdrukkelijke bewoordingen in het testament wordt zij geacht daar op dat moment ook van op de hoogte te zijn geweest.
5.12
De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] tot terugbetaling van de uitvaartkosten desalniettemin af op de grond dat het beroep van [eiseres] op verjaring van deze vordering slaagt.
5.13
Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zoals de onderhavige door verloop van vijf jaren. De verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling van de uitvaartkosten is daarom voltooid na verloop van vijf jaren na het moment dat [gedaagde] de uitvaartkosten betaalde (en dus op 4 mei 2006). Dat betekent dat [gedaagde] de nalatenschap nu niet meer om terugbetaling van de door haar betaalde uitvaartkosten kan vragen, nog daargelaten dat (waarschijnlijk) niet alle erfgenamen in deze procedure zijn vertegenwoordigd.
5.14
Ook verrekening van de uitvaartkosten met de kosten die [gedaagde] (terug) in depot moet plaatsen is niet (meer) mogelijk. Weliswaar bepaalt artikel 6:131 lid 1 BW dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de onderliggende rechtsvordering, maar deze bevoegdheid laat alleen een bestaande verrekeningsbevoegdheid voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart. Het schept niet de bevoegdheid tot verrekening van een al verjaarde vordering met een schuld die na de voltooiing van de verjaring is ontstaan. De vordering van [gedaagde] op de erfgenamen uit hoofde van door haar voorgeschoten uitvaartkosten was al verjaard toen partijen met de akte van 19 maart 2008 het vruchtgebruik op de woning ten gunste van [gedaagde] vestigde en afspraken over het onderhoud van de woning maakten. Dat betekent dat de uitvaartkosten, nu vijfentwintig jaar later, niet meer verrekenbaar zijn.
Tussenconclusie: [gedaagde] moet € 10.672,91 in depot plaatsen
5.15
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen moet de conclusie daarom zijn dat [gedaagde] een bedrag van (€ 11.707,91 - € 1.035 =) € 10.672,91 op een door haar te openen
(depot-)rekening moet plaatsen.
5.16
[eiseres] vordert over het door [gedaagde] aldus te betalen bedrag een gemiddelde bankrente van 2% vanaf 28 januari 2001. Zoals uit het voorgaande al bleek is (pas) op 3 maart 2021 het resterende tegoed van de SNS rekeningen naar [gedaagde] overgemaakt, zodat eerst vanaf dat moment rente berekend zou kunnen worden. De rechtbank wijst de gevorderde rente over het tegoed dat [gedaagde] ontving desalniettemin af, omdat onvoldoende duidelijk is hoe [eiseres] tot een gemiddeld rentepercentage van 2% komt. In de jaren 2021 en 2022 was de gemiddelde spaarrente overigens historisch laag (0,01%) om vervolgens licht te stijgen tot een percentage dat ruim onder de twee procent ligt.
De rechtbank laat de gewijzigde vordering van [gedaagde] tot nakoming van de onderhoudsverplichting niet toe
5.17
[gedaagde] heeft kort voor de zitting haar eis in reconventie vermeerderd in die zin dat zij nu ook vordert dat [eiseres] haar onderhoudsverplichting nakomt door [bedrijf 1] opdracht te geven om buitenschilderwerk en herstelwerkzaamheden aan de woning uit te voeren. Voor deze werkzaamheden heeft het schildersbedrijf een offerte uitgebracht voor totaal van € 8.720 inclusief btw.
5.18
Deze eiswijziging van [gedaagde] is per e-mail van 15 juli 2026 en per post op 20 juli 2026 door de griffie van deze rechtbank ontvangen, terwijl de zitting op 21 juli 2026 plaatsvond. Doordat de eiswijziging op zo een korte termijn voor de zitting is gedaan, heeft [eiseres] onvoldoende gelegenheid gehad om te onderzoeken of de aan de eiswijziging gehechte offerte met daarop de geoffreerde prijs van € 8.720 (inclusief btw) een redelijke prijs is voor de uit te voeren werkzaamheden. De rechtbank staat de eisvermeerdering daarom niet toe wegens strijd met een goede procesorde. De rechtbank acht het overigens wel voor de hand liggen dat partijen met elkaar in overleg gaan over de offerte en de uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aan de woning. Het door [gedaagde] in depot te plaatsen tegoed is, blijkens de afspraken die partijen daarover in maart 2008 hebben gemaakt, bestemd voor het bekostigen van onderhoud aan de woning en kan daar beter ook maar zo snel mogelijk voor worden aangewend, gelet op de door beide partijen onderschreven noodzaak van onderhoud.
De buitengerechtelijke incassokosten wijst de rechtbank af
5.19
[eiseres] vordert vergoeding door [gedaagde] van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.038,37, omdat haar advocaat op 19 december 2025 per gewone en aangetekende – de rechtbank begrijpt – post een sommatie naar [gedaagde] heeft gestuurd. Deze brief van 19 december 2025 is niet overgelegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan in te brengen in de procedure. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen, omdat de rechtbank niet kan controleren of een correcte aanmaning is gestuurd.
De proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd
5.20
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten voor zowel de zaak in conventie als de zaak in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
In conventie
6.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 10.672,91 op een door [gedaagde] te openen bankrekening, die voldoet aan de tussen partijen gemaakte afspraken in de akte van 19 maart 2008,
6.2
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.3
verklaart dit vonnis -tot zover- uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
6.4
wijst het gevorderde af;
In conventie en in reconventie
6.5
compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, bijgestaan door mr. D.J.C. Oltmans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
41825
Hoge Raad, 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, r.o. 3.2.