Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6229

2026-09-08 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 26/1414
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1414
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WHT. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. Verzoek om overname van een informele private schuld. Ontbreken notariële akte. Beroep op de hardheidsclausule slaagt. Het bestaan en de opeisbaarheid van de informele schuld is voldoende gebleken uit andere authentieke stukken. De rechtbak wijst de aanvraag om overname van de private schulld toe.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.357 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/1414


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),


en


de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: H. Polat).




Procesverloop

1. In een besluit van 4 juli 2025 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens verweerder geweigerd een schuld van € 25.000,- van eiseres over te nemen. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.

2. In een besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 18 juni 2026 schriftelijk op het verweerschrift gereageerd en daarbij aanvullende stukken ingediend.

4. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van eiseres en verweerder. Eiseres is op de zitting vergezeld door haar echtgenoot [A] .




Overwegingen



Het geschil



5. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van € 25.000,- van eiseres bij [bedrijf 1] B.V. over te nemen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.



Beoordelingskader



6. Verweerder neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De geldschulden die worden overgenomen, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: zij zijn ontstaan na 31 december 2005, waren vóór 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.



Ontstaan van de lening



7. In een leningsovereenkomst van 31 december 2010 is vastgelegd dat eiseres en haar echtgenoot een bedrag van € 25.000,- van [bedrijf 1] B.V. lenen. Blijkens bankafschriften heeft [bedrijf 1] B.V. op 3 januari 2011 daadwerkelijk een bedrag van € 25.000,- aan de echtgenoot van eiseres overgemaakt. Uit het voorgaande volgt dat de geldlening na 31 december 2005 is ontstaan.



Opeisbaarheid van de lening



8. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat onvoldoende objectief kan worden vastgesteld dat de lening vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. In de hiervoor genoemde leningsovereenkomst staat dat eiseres en haar echtgenoot het geleende bedrag van € 25.000,- uiterlijk op 1 januari 2012 moeten terugbetalen en dat er een rente van 6% per jaar over de lening verschuldigd is. Verder heeft [bedrijf 1] B.V. eiseres en haar echtgenoot in een brief van 18 september 2012 gesommeerd om deze lening (met rente) vóór 1 oktober 2012 te betalen.

9. Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat de lening voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De stelling van verweerder dat niet wordt voldaan aan het opeisbaarheidsvereiste omdat de schuldeiser niets zou hebben gedaan om de lening daadwerkelijk op te eisen, maakt niet dat de schuld daardoor vóór 1 juni 2021 niet opeisbaar was of zou zijn geweest. Anders dan verweerder veronderstelt, is niet relevant of de schuldeiser ook daadwerkelijk stappen tot invordering of opeising heeft gezet.



Openstaande schuld



10. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat de hoofdsom van de lening niet is voldaan. Dit blijkt ook uit de door eiseres overgelegde administratie, zoals hierna onder 14 genoemd. De stelling van verweerder dat de lening mogelijk wel is voldaan, is niet onderbouwd. De rechtbank stelt daarom vast dat de schuld ten tijde van de aanvraag niet is voldaan.



Informele schuld



11. De lening van € 25.000,- van [bedrijf 1] B.V. aan eiseres en haar echtgenoot is een informele lening, aangezien het verstrekken van leningen blijkens de gegevens van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geen kernactiviteit van [bedrijf 1] B.V. is. Dit staat tussen partijen niet ter discussie.

12. Informele schulden worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte, die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, of blijken uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt. De rechtbank stelt met partijen vast dat de geldlening niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak.

13. In de uitspraak van 15 mei 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld als aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Deze hier relevante hardheidsclausule is neergelegd in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.

14. Eiseres beroept zich op de hardheidsclausule en voert aan dat zij voldoende authentieke documenten heeft ingebracht op grond waarvan aan het bestaan van de lening niet valt te twijfelen. Het gaat om de volgende stukken:


de leningsovereenkomst van 31 december 2010, waarin wordt vermeld dat [bedrijf 1] B.V. een bedrag van € 25.000,- aan eiseres en haar echtgenoot leent;


bankafschriften waaruit blijkt dat [bedrijf 1] B.V. op 3 januari 2011 een bedrag van € 25.000,- op de rekening van [A] heeft overgemaakt;


de jaarstukken van v.o.f. [bedrijf 2] van 2011;


aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2015, 2020 en 2023 van eiseres en [A] ;


de jaarstukken van [bedrijf 1] B.V. over de jaren 2012, 2013 en 2023;


de aanslagen Vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] B.V. over de jaren 2012, 2013 en 2023.



15. De rechtbank oordeelt dat er in het geval van eiseres aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen, omdat het bestaan en de opeisbaarheid van de informele schuld van € 25.000,- van eiseres en haar echtgenoot bij [bedrijf 1] B.V. voldoende is gebleken uit authentieke documenten die eiseres heeft ingebracht. De rechtbank legt dit hierna uit.

16. Blijkens de leningsovereenkomst is de lening op 31 december 2010 ontstaan. Uit bankafschriften blijkt dat [bedrijf 1] B.V. op 3 januari 2011 een geldbedrag van € 25.000,- naar de echtgenoot van eiseres heeft overgemaakt. In de leningsovereenkomst staat dat eiseres en haar echtgenoot de lening zijn aangegaan ten behoeve van het bedrijf [bedrijf 2] v.o.f. In de jaarstukken van dit bedrijf van 2011 blijkt dat de echtgenoot van eiseres het bedrag van € 25.000,- naar [bedrijf 2] heeft gestort.

17. In de aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2015, 2020 en 2023 van eiseres en/of haar echtgenoot wordt de schuld van € 25.000,- telkens opgevoerd. Deze aangiften zijn opgesteld door een externe boekhouder. De aanslagen Inkomstenbelasting over deze jaren sluiten telkens aan op de bedragen die in de aangiften worden genoemd. De rechtbank leidt hieruit af dat de Belastingdienst de aangiften akkoord heeft bevonden.

18. Verder wordt de geldschuld consequent in de jaarstukken van [bedrijf 1] B.V. over de jaren 2012, 2013 en 2023 vermeld. Deze jaarstukken zijn opgesteld door een externe accountant en zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. De bedragen in de aanslagen Vennootschapsbelasting over genoemde jaren komen overeen met de bedragen die in de jaarstukken worden genoemd. De Belastingdienst heeft deze stukken dus ook (na controle) akkoord bevonden.



Tussenconclusie



19. Naar het oordeel van de rechtbank valt, gelet op de inhoud van de overgelegde documentatie, redelijkerwijs niet aan het bestaan en de opeisbaarheid van de informele schuld te twijfelen. In de leningsovereenkomst en de financiële administratie van eiseres en haar echtgenoot, van v.o.f. [bedrijf 2] en van [bedrijf 1] B.V. komt de lening consequent naar voren in de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2015, 2020 en 2023. De aangiften Inkomstenbelasting van eiseres en haar echtgenoot en de jaarstukken van [bedrijf 1] B.V. zijn opgesteld door een daartoe bevoegde boekhouder respectievelijk accountant die de rechtbank als onafhankelijke deskundigen beschouwt. De rechtbank gaat ervan uit dat zij objectief en zonder belangenverstrengeling hun werk verrichten zodat in het maatschappelijk verkeer kan worden vertrouwd op de juistheid van de door hen opgestelde financiële stukken. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in de stelling dat de verstrekte gegevens niet zijn gebaseerd op onafhankelijk onderzoek of dat eiseres hier invloed op heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank ziet niet waarom de jaarstukken door een registeraccountant zouden moeten zijn opgesteld, zoals verweerder beweert.

20. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt.




Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond, omdat het vasthouden aan het wettelijke vereiste van een notariële akte in het geval van eiseres ten aanzien van de schuld van € 25.000,- bij [bedrijf 1] B.V. tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, voor zover verweerder in die besluiten heeft beslist om de lening van eiseres van [bedrijf 1] B.V. niet over te nemen. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat verweerder deze schuld van eiseres moet overnemen.

22. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 januari 2026;
- herroept het besluit van 4 juli 2025;
- wijst de aanvraag van eiseres om overname van de private schuld aan [bedrijf 1] B.V. toe;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.


Zo is ook overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101.


Ingevolge artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.


ECLI:NL:RVS:2024:2045.