Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6209

2026-08-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/16/615149 / JL RK 26-465
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Conservatoire maatregel
Zaaknummer
C/16/615149 / JL RK 26-465
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

GI niet-ontvankelijk in verlengingsverzoek. Ots is verlopen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.020 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Almere



Zaaknummer: C/16/615149 / JL RK 26-465
Datum uitspraak: 11 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,





[vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juli 2026;


de e-mail van de vader, ontvangen op 3 augustus 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [A] namens de GI.


De vader is niet verschenen. De vader heeft in de e-mail van 3 augustus 2026 zijn standpunt kenbaar gemaakt en zich afgemeld voor de zitting.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft bij brief van 4 augustus 2026 laten weten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om zijn mening te geven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.



2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 juli 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten



De GI

De GI heeft het verzoek ingediend omdat de zorgen rondom [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. De hulpverlening vanuit [instelling] is in de afgelopen periode weggevallen, omdat de beschikking niet is verlengd door de gemeente. Ook zijn er meerdere therapeuten uitgevallen bij [instelling] . Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de GI het verzoek pas kort voor het verlopen van de ondertoezichtstelling heeft kunnen indienen. De komende periode hoopt de GI dat de speltherapie van de [minderjarige] – en zijn broertje – kan worden voortgezet bij [instelling] , zodat zij dezelfde therapeut zullen blijven houden.




De moeder



4.1.
Volgens de moeder gaat het niet goed met [minderjarige] . Hij heeft last van de thuissituatie. Ook de school heeft hier melding van gemaakt. Sinds november 2025 ging [minderjarige] naar speltherapie bij [instelling] , maar omdat [instelling] is gestopt en de therapeut bij een andere organisatie is gaan werken, wordt geprobeerd om de speltherapie bij deze organisatie te vervolgen. Ten aanzien van het Parallel Solo Ouderschap-traject heeft de moeder verteld dat het goed liep, totdat haar hulpverlener ziek werd en [instelling] is gestopt. Er zal dus een nieuwe aanmelding voor Parallel Solo Ouderschap moeten plaatsvinden.



De vader




4.2.
De vader heeft via zijn e-mail van 3 augustus 2026 laten weten dat hij niet instemt met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer heeft volgens hem niet tot verbetering geleid. De situatie is sinds haar betrokkenheid juist aantoonbaar verslechterd.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter zal de GI niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Hierna wordt uitgelegd hoe zij tot deze beslissing is gekomen.


5.2.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de GI. De duur van deze ondertoezichtstelling kan telkens worden verlengd met maximaal één jaar. Wanneer de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, dan eindigt deze maatregel na de door de kinderrechter bepaalde duur. Dat gebeurt van rechtswege, in ander woorden: automatisch. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd.



5.3.
De GI heeft het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen ingediend op 22 juli 2026, slechts acht dagen voor de einddatum van de lopende ondertoezichtstelling op 30 juli 2026. Er waren geen mogelijkheden om het verzoek voor deze datum te behandelen, waardoor de ondertoezichtstelling op 30 juli 2026 is verlopen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd kan worden. De GI zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.



5.4.
De kinderrechter merkt daarnaast het volgende op. Het beginsel van hoor en wederhoor is een van de grondbeginselen van een goed proces. Dit betekent dat partijen over en weer de mogelijkheid moeten hebben om hun standpunten in te nemen en daar ook op te reageren. Ook wanneer het de rechtbank wel was gelukt om voor het einde van de lopende ondertoezichtstelling een zitting te plannen, is het maar de vraag of de ouders – gezien de korte periode tussen het indienen van het verzoek en het aflopen van de ondertoezichtstelling – voldoende in staat waren geweest om zich eventueel tegen het verzoek te kunnen verweren. Het is dus niet onbegrijpelijk dat het op een dusdanig korte termijn indienen van een verlengingsverzoek in strijd zou zijn met het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee de goede procesorde.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek.









Deze beslissing is gegeven door mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 1:260 lid 1 BW.


Kamerstukken I 1994/95, 23003, nr. 58b, p. 4.


ECLI:NL:HR:2021:1113, onder 3.2.


Artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.