Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6199
2026-07-06
Civiel recht
C/16/609601 / KG ZA 26-182
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding; bank mocht bankrelatie met eiseres beëindigen en haar registreren
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2957 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2025:3542 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.917 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609601 / KG ZA 26-182
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. F.J.H.M. Berndsen en mr. M.M.P.E. van Helmond te Breda,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen de: bank,
advocaat: mr. J. Achterberg te Amsterdam.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 mei 2026 met producties 1 tot en met 19- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026, gelijktijdig met het kort geding dat de heer [A] (de enige statutair bestuurder van [eiseres] , hierna: [A] ) en zijn echtgenote mevrouw [B] (hierna: [B] ) tegen de bank zijn begonnen.
Namens eisers zijn verschenen:
- [A] (voor zichzelf en als de enige statutair bestuurder van [eiseres] )
- [B]
- mr. Berndsen
- mr. Van Helmond.
Namens de bank zijn verschenen
- de heer [C] ( [functie] van de bank)
- mevrouw [D] ( [functie] van de bank)
- mr. Achterberg.
Daarnaast is de mondelinge behandeling bijgewoond door één andere belangstellende.
1.3
Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De advocaten van [eiseres] hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn toegevoegd aan de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat heden vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
De bank heeft de bankrelatie met [eiseres] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) onbeheersbare integriteitsrisico’s heeft geconstateerd. Daarnaast heeft de bank [eiseres] geregistreerd op haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering-lijst (deze registratie hierna: de CAAML-registratie). Volgens [eiseres] mocht de bank dat niet doen. In deze kort gedingprocedure vordert zij voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en beëindiging van de CAAML-registratie. Deze vorderingen worden afgewezen.
3Achtergrond
3.1
[eiseres] is een vennootschap die zich bezig houdt met het verstrekken van (grotendeels hypothecaire) kredieten aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de aankoop van onroerende zaken. [A] is de enige statutaire bestuurder en houdt alle aandelen. [A] is gehuwd met [B] . De bank heeft met [eiseres] , [A] en [B] de bankrelatie opgezegd en hen alle drie in het CAAML-register geregistreerd.
3.2
De bank heeft vanaf 18 januari 2023 vragen gesteld aan [eiseres] . Dit was onderdeel van een klantenonderzoek dat de bank vanaf begin 2023 heeft uitgevoerd naar [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ), diens enige statutair bestuurder de heer [E] , diens broer [F] en andere vennootschappen en natuurlijke personen. Vanwege de transacties tussen deze vennootschappen en personen heeft de bank deze klanten aangemerkt als een zogenoemd klantcomplex.
3.3
De bank is dit onderzoek naar eigen zeggen gestart:
vanwege ongebruikelijke transacties in de (vastgoed)activiteiten van [onderneming 1] en [E] in 2021;
omdat het Openbaar Ministerie in 2021 beslag heeft laten leggen op 28 panden van [onderneming 1] en [E] , voor een vordering van € 4.900.000,-;
omdat [E] strafrechtelijk is vervolgd voor fraude bij hypotheekaanvragen in 2015, welke procedure op 22 maart 2023 met een vrijspraak is geëindigd; en
omdat de bank eind 2022 uit de pers had vernomen dat de broer van [E] , [F] , werd verdacht van georganiseerde internationale drugshandel ( [F] is daarvoor op 5 juni 2024 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf).
3.4
Bij dat onderzoek heeft de bank geen bewijs gevonden voor betrokkenheid van anderen in het klantcomplex bij de drugshandel van [F] . De bank heeft wel geconcludeerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en natuurlijke personen, dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. Bovendien maakt de manier waarop zij dat doen het moeilijk voor de bank om de onderlinge geldstromen in beeld te krijgen. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met een aantal klanten partijen in het klantcomplex, waaronder dus ook die met [eiseres] .
3.5
Naar aanleiding van die opzeggingen zijn er elf kortgedingprocedures bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. In het kort geding van [onderneming 1] is de bank op 19 juni 2026 veroordeeld om de bankrelatie voort te zetten en de CAAML-registratie te beëindigen. In een ander kort geding waarin een andere vennootschap in het klantennetwerk opkwam tegen de beëindiging en registratie, zij de vorderingen echter afgewezen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiseres] heeft voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De beëindiging en de registratie heeft niet alleen tot gevolg dat zij geen gebruik meer zal kunnen maken van haar bankrekeningen, maar ook dat het voor haar moeilijker wordt om in de toekomst van bank te wisselen. Als de bank – zoals [eiseres] stelt – onvoldoende gronden had voor die beëindiging en de registratie, kan van haar niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.
4.3
De kernvraag in deze zaak is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eiseres] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daar geldt het volgende toetsingskader.
4.4
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. Een klantonderzoek moet intensiever zijn naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.
4.5
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.6
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij witwassen of andere criminele activiteiten.
4.7
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant vragen slechts gedeeltelijke of gebrekkig beantwoordt of onvoldoende stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.8
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.9
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.10
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n artikel 5 lid 3 Wwft-zaak immers helemaal niet om te doen.
Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.11
De opzegging waar het in deze zaak om gaat is de brief van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 is expliciet ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de bank niet in haar standpunt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als slechts een nadere toelichting op de brief van 22 september 2025. Voor zover [eiseres] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 ook de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. De bank heeft de bankrelatie meerdere keren opgezegd en vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiseres] een nieuwe beslissing genomen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden.
4.12
De ex-tunc toetsing betekent voor deze zaak dus dat de bank aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.
De verwijten in de beëindigingsbrief van 2 februari 2026
4.13
In de brief van 2 februari 2026 deelt de bank mee dat ze de bankrelatie met [eiseres] opzegt omdat:
“… de aangeleverde informatie en documentatie onvoldoende is gebleken om het klantenonderzoek positief te kunnen afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn wegenomen.”
De bank werkt dit uit in drie concrete verwijten:
“Lening aan een derde partij
Uit het klantenonderzoek blijkt dat uw cliënt sinds 2016 een hypotheekrecht heeft op een woning van een derde. Daarbij merkt de bank op dat er sprake is van conservatoir beslag ter hoogte van EUR 4.900.000 door de Officier van Justitie van het Landelijk Parket. Ook is gebleken uit openbare bronnen dat deze derde partij ten tijde van het onderzoek gezocht werd door Europol wegens de handel in verboden middelen. Tijdens het klantenonderzoek heeft uw cliënt aangegeven dat deze partij enkel een zakelijke relatie betreft en dat het gaat om een lening uit het verleden. Tijdens het klantenonderzoek wilde uw cliënt geen verdere verklaring geven over de integriteitsrisico’s met betrekking tot deze derde partij. Daarnaast verklaarde uw cliënt tijdens het klantenonderzoek dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de herkomst van de middelen van de klanten. De bank merkt op dat het feit dat de derde partij waarmee uw cliënt zaken doet gezocht lijkt te worden in verband met mogelijke strafbare feiten en, dat uw cliënt geen onderzoek doet naar de herkomst van de middelen voor de bank integriteitsrisico’s met zich meebrengen. Daarnaast kan de bank hierdoor niet uitsluiten dat de herkomst van deze middelen illegitiem is. Voornoemde omstandigheden brengen voor de bank grote integriteitsrisico’s met zich mee.
AFM-vergunning
Daarnaast merkt de bank op dat de rekening van uw cliënt op dit moment en in het verleden is gebruikt om hypotheken te verstrekken aan consumenten zonder dat uw cliënt hiervoor een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft. Tijdens het klantonderzoek heeft uw cliënt verklaard telefonisch contact te hebben gehad met de AFM waarbij de AFM uw cliënt een vrijstelling voor de vergunning zou hebben gegeven omdat uw cliënt een beleggingsinstelling betreft. De bank merkt echter op dat uw cliënt geen beleggingsinstelling betreft en dat een dergelijke vrijstelling van de vergunning niet is terug te vinden in de communicatie van de AFM. Tijdens het klantenonderzoek heeft uw cliënt tevens verklaard dat andere financiële instellingen, notarissen en accountants uw cliënt nooit hebben gewezen op de vergunningsplicht. De bank volgt de verklaringen van uw cliënt echter niet. Uw cliënt ontvangt van diverse partijen rente en aflossingen op de zakelijke rekening. Uw cliënt heeft verklaard dat de activiteiten worden afgebouwd, maar de bank wil benadrukken dat dit niet betekent dat uw cliënt niet vergunningsplichtig is/was. Derhalve gaat de bank niet mee met de verklaring van uw cliënt dat uw cliënt volgens de AFM een vrijstelling zou hebben gekregen.
Transacties met derden partijen
Tijdens het klantenonderzoek heeft de bank geconstateerd dat uw cliënt verschillende transacties verricht met diverse tegenpartijen waarmee de bank tevens de bancaire relatie heeft beëindigd/aan het beëindigen is. De bank merkt op dat bij deze diverse tegenpartijen tevens integriteitsrisico’s zijn geconstateerd. Hierdoor is het voor de bank tevens onvoldoende duidelijk wat de herkomst van de gelden betreft en heeft de bank twijfels over de legitimiteit van deze gelden. Ook dit brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee.
4.14
Het eerste verwijt gaat over de hypothecaire geldlening van € 390.000,- die [eiseres] in 2016 aan [F] en zijn toenmalige echtgenote heeft verstrekt voor de aankoop van twee appartementen. [eiseres] heeft in 2019 onder die lening een aanvullend bedrag van € 100.000,- aan hen uitgeleend. Het verwijt komt erop neer dat [eiseres] , ondanks steeds duidelijker aanwijzingen dat [F] betrokken was bij grootschalige drugshandel, nooit serieus onderzoek heeft willen doen naar de herkomst van de middelen waarmee de rente en aflossingen op die lening werden betaald en dat zij hierover ook niet verder heeft willen verklaren.
4.15
Dat verwijt is terecht. [eiseres] heeft op 17 februari 2023 de vraag wat zij doet om de integriteitsrisico’s op dit punt te beheersen, als volgt beantwoord:
“De heer [F] heeft mij op de hoogte gebracht van het beslag van het OM. Het OM heeft mij tot de dag van vandaag nog niet bericht. Als er niet meer betaald zou worden dan ga ik de procedure in van verkoop van de panden, ik ben eerste hypotheekhouder en gaat voor iedereen. Maar dit is niet het geval er wordt nog steeds keurig betaald. De waarde van het onderpand is tussen de € 900.000 - € 1.000.000, een grote overwaarde dus op de totale uitstaande lening van € 490.000.-.”
4.16
[eiseres] heeft dit antwoord op 30 maart 2026 op verzoek van de bank als volgt verder toegelicht:
“U vroeg mij toe te lichten hoe ik het risico dat volgt uit de beslaglegging doorjustitie op het pand beheers ten aanzien van de herkomst van de afbetalingen van de hypotheek. Ik begreep dat het een voorlopig beslag is tot zekerheid ingeval de heer [F] wordt veroordeeld. Ik neem aan dat justitie de herkomst van de gelden van de heer [F] uitgebreid zal onderzoeken en vervolgens zal de rechter erover moeten oordelen of dat allemaal klopt. Het is niet aan mij om daarover te oordelen en ik vind het te ver gaan om daarop enkel op grond van een verdenking vooruitlopend al te oordelen. De heer [achternaam van E en F] kan immers ook worden vrijgesproken of de zaak kan worden geseponeerd. Bovendien wordt de hypotheek momenteel gewoon netjes door de echtgenote van de heer [achternaam van E en F] , mevrouw [G] , betaald. Mocht de heer [achternaam van E en F] inderdaad worden veroordeeld dan zal ik mij uiteraard beraden op
de situatie waarbij de aard van de veroordeling ook van belang is.”
4.17
Die opstelling is te vrijblijvend. Drugshandel is een sterke risicofactor voor witwassen. De aanwijzingen voor betrokkenheid van [F] bij grootschalige internationale drugshandel waren – zeker na het strafrechtelijke beslag – zodanig dat [eiseres] , als zij de zakelijke relatie met hem wilde voortzetten, op zijn minst had moeten onderzoeken of de rente en aflossingen op die lening niet werden betaald met uit die drugshandel verkregen gelden. De voorzieningenrechter is met de bank van oordeel dat het standpunt van [eiseres] dat zij dat pas hoeft te onderzoeken als [F] is veroordeeld, een ernstige inschattingsfout is. Daar komt nog bij dat [F] op 5 juni 2024 strafrechtelijk ìs veroordeeld wegens grootschalige drugshandel, maar dat [eiseres] nog steeds geen onderzoek of maatregelen heeft aangekondigd.
4.18
De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat zij op dit punt kon volstaan met haar antwoorden:
dat de hypotheektermijnen vanaf april 2022 niet meer door [F] werden betaald maar alleen door [G] ;
dat het huwelijk tussen [G] en [F] inmiddels is geëindigd en dat de woning toen aan [G] is toebedeeld;
dat de € 2.800,- aan huur die [G] maandelijks ontvangt voor de [straat] [nummeraanduiding 1] en [straat] [nummeraanduiding 2] meer is dan de € 1.800,- aan rente en aflossingen die zij maandelijks aan [eiseres] betaalt; en
[G] naast die huurinkomsten nog inkomsten geniet uit haar dienstbetrekking bij uitzend- en detacheringsbureau [onderneming 2] B.V. dan wel uit de door haar geëxploiteerde schoonheidssalon.
De bank heeft zich op het standpunt heeft gesteld dat deze antwoorden niet voldoende zijn om de terechte zorgen over integriteitsrisico’s weg te nemen. In het licht van de veroordeling van [F] is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter begrijpelijk en terecht.
4.19
Het tweede verwijt van de bank is dat [eiseres] hypothecair krediet aan consumenten heeft verstrekt zonder de noodzakelijke vergunning of ontheffing. [eiseres] heeft op dit punt achtereenvolgens aangevoerd:
dat zij vóór 2015 inderdaad aan enkele consumenten hypothecair krediet heeft verstrekt voor aankoop van een eigen woning, en daarna alleen nog aan zakelijke partijen;
dat zij rond 2013 aan haar adviseurs heeft gevraagd of daarvoor een vergunning nodig was, maar dat zij daarop geen duidelijk antwoord heeft gekregen en dat de AFM daar evenmin telefonisch uitsluitsel over heeft willen geven;
dat zij toen daarom heeft besloten geen nieuwe hypothecaire kredieten aan consumenten te vertrekken en bestaande af te bouwen;
dat zij op 30 maart 2023 heeft aangegeven dat zij de AFM opnieuw zal vragen of een vergunning nodig is en heeft toegezegd dat zij – als blijkt dat een vergunning inderdaad nodig is – de overgebleven leningen zal overdragen aan een professionele partij; en
dat deze kwestie strik genomen niets zegt over witwassen.
4.20
Ook dit verwijt is terecht. Uit de verweren volgt dat [eiseres] in het verleden krediet aan consumenten heeft verstrekt zonder vergunning en dat enkele daarvan nog steeds uitstaan. [eiseres] heeft verklaard dat zij de kredieten al vanaf 2013 is gaan afbouwen is, maar dat is kennelijk niet gelukt. Haar toezegging op 30 maart 2023 om de overgebleven kredieten aan consumenten over te dragen is ook zonder gevolgen gebleven. Dat houdt wellicht verband met haar voorwaarde dat de AFM eerst moet bevestigen dat een vergunning (ook tijdens dat afbouwen inderdaad nog) nodig is, maar dat is een vraag waarop [eiseres] naar eigen zeggen al vanaf 2013 probeert antwoord te krijgen. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat [eiseres] op het punt van deze vergunning haar zaken niet op orde heeft. De voorzieningenrechter is met de bank van oordeel dat dit iets zegt over het witwasrisico. Als het [eiseres] al niet lukt om op het vrij basale punt van de vergunning integer te handelen, is dat immers ook een indicatie dat de controle op witwassen onder de maat is.
Conclusie
4.21
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het eerste verwijt voldoende ernstig is om beëindiging van de bankrelatie te rechtvaardigen. Dat geldt te meer als het eerste en het tweede verwijt samen worden genomen. Dat betekent dat in het midden kan blijven of ook het derde verwijt – dat [eiseres] regelmatig transacties verricht met rechtspersonen en natuurlijke personen in het klantnetwerk met wie de bankrelatie ook is beëindigd – terecht en voldoende ernstig is.
4.22
De slotsom is dat de bank bij haar klantonderzoek naar [eiseres] voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij op basis van dat onderzoek mocht concluderen dat ze het klantonderzoek niet positief kon afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn weggenomen. De voorzieningenrechter eraan te vermelden dat dit niet betekent dat er aanwijzingen zijn [eiseres] opzettelijk heeft meegewerkt aan witwassen of andere criminele handelingen. Het betekent wel dat de bank op grond van het derde lid van artikel 5 Wwft verplicht is om de bankrelatie te beëindigen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van die relatie wordt daarom afgewezen.
De bank hoeft de CAAML-registratie van [eiseres] niet te verwijderen
4.23
[eiseres] vordert dat de bank haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. De bank stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiseres] in die lijst op te nemen. Zij benadrukt dat het een interne lijst is, die alleen zichtbaar is voor de bank (en de met haar verbonden rechtspersonen). Volgens de bank is de CAAML-registratie nodig om te voorkomen dat [eiseres] in de toekomst per abuis weer wordt toegelaten als klant van de bank, omdat bij betreffende afdeling niet bekend is dat de bank de bankrelatie met haar juist kort geleden heeft beëindigd. Gelet op dat doel en het interne karakter van de registratie is de voorzieningenrechter van oordeel dat als de redenen van de bank voldoende zijn om de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen op grond van artikel 5 Wwft lid 3, die redenen ook voldoende zijn om haar in het CAAML te registreren. De vordering om de CAAML-registratie van [eiseres] te verwijderen, wordt dan afgewezen.
[eiseres] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan de bank
4.24
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2026.
JO/4972
Zaaknummer C/16/609602 / KG ZA 26-183. De twee zaken zijn overigens niet gevoegd en in beide zaken wordt apart vonnis gewezen.
Rechtbank Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2957.
Art. 3 lid 2 onder d Wwft
ECLI:NL:GHARL:2025:3542, onder. 3.7.
Zie 4.9.
[straat] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] te ( [postcode] ) [plaats 2] .
Artikel 2:60 Wet financieel toezicht.
Een adviseur van [.] zou wel hebben gezegd dat als [eiseres] de kredieten aan consumenten zou afbouwen, een vergunning waarschijnlijk niet nodig was.
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609601 / KG ZA 26-182
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. F.J.H.M. Berndsen en mr. M.M.P.E. van Helmond te Breda,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen de: bank,
advocaat: mr. J. Achterberg te Amsterdam.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 mei 2026 met producties 1 tot en met 19- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026, gelijktijdig met het kort geding dat de heer [A] (de enige statutair bestuurder van [eiseres] , hierna: [A] ) en zijn echtgenote mevrouw [B] (hierna: [B] ) tegen de bank zijn begonnen.
Namens eisers zijn verschenen:
- [A] (voor zichzelf en als de enige statutair bestuurder van [eiseres] )
- [B]
- mr. Berndsen
- mr. Van Helmond.
Namens de bank zijn verschenen
- de heer [C] ( [functie] van de bank)
- mevrouw [D] ( [functie] van de bank)
- mr. Achterberg.
Daarnaast is de mondelinge behandeling bijgewoond door één andere belangstellende.
1.3
Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De advocaten van [eiseres] hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn toegevoegd aan de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat heden vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
De bank heeft de bankrelatie met [eiseres] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) onbeheersbare integriteitsrisico’s heeft geconstateerd. Daarnaast heeft de bank [eiseres] geregistreerd op haar interne Client Acceptance and Anti-Money Laundering-lijst (deze registratie hierna: de CAAML-registratie). Volgens [eiseres] mocht de bank dat niet doen. In deze kort gedingprocedure vordert zij voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en beëindiging van de CAAML-registratie. Deze vorderingen worden afgewezen.
3Achtergrond
3.1
[eiseres] is een vennootschap die zich bezig houdt met het verstrekken van (grotendeels hypothecaire) kredieten aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor de aankoop van onroerende zaken. [A] is de enige statutaire bestuurder en houdt alle aandelen. [A] is gehuwd met [B] . De bank heeft met [eiseres] , [A] en [B] de bankrelatie opgezegd en hen alle drie in het CAAML-register geregistreerd.
3.2
De bank heeft vanaf 18 januari 2023 vragen gesteld aan [eiseres] . Dit was onderdeel van een klantenonderzoek dat de bank vanaf begin 2023 heeft uitgevoerd naar [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ), diens enige statutair bestuurder de heer [E] , diens broer [F] en andere vennootschappen en natuurlijke personen. Vanwege de transacties tussen deze vennootschappen en personen heeft de bank deze klanten aangemerkt als een zogenoemd klantcomplex.
3.3
De bank is dit onderzoek naar eigen zeggen gestart:
vanwege ongebruikelijke transacties in de (vastgoed)activiteiten van [onderneming 1] en [E] in 2021;
omdat het Openbaar Ministerie in 2021 beslag heeft laten leggen op 28 panden van [onderneming 1] en [E] , voor een vordering van € 4.900.000,-;
omdat [E] strafrechtelijk is vervolgd voor fraude bij hypotheekaanvragen in 2015, welke procedure op 22 maart 2023 met een vrijspraak is geëindigd; en
omdat de bank eind 2022 uit de pers had vernomen dat de broer van [E] , [F] , werd verdacht van georganiseerde internationale drugshandel ( [F] is daarvoor op 5 juni 2024 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf).
3.4
Bij dat onderzoek heeft de bank geen bewijs gevonden voor betrokkenheid van anderen in het klantcomplex bij de drugshandel van [F] . De bank heeft wel geconcludeerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en natuurlijke personen, dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. Bovendien maakt de manier waarop zij dat doen het moeilijk voor de bank om de onderlinge geldstromen in beeld te krijgen. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met een aantal klanten partijen in het klantcomplex, waaronder dus ook die met [eiseres] .
3.5
Naar aanleiding van die opzeggingen zijn er elf kortgedingprocedures bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. In het kort geding van [onderneming 1] is de bank op 19 juni 2026 veroordeeld om de bankrelatie voort te zetten en de CAAML-registratie te beëindigen. In een ander kort geding waarin een andere vennootschap in het klantennetwerk opkwam tegen de beëindiging en registratie, zij de vorderingen echter afgewezen.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiseres] heeft voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De beëindiging en de registratie heeft niet alleen tot gevolg dat zij geen gebruik meer zal kunnen maken van haar bankrekeningen, maar ook dat het voor haar moeilijker wordt om in de toekomst van bank te wisselen. Als de bank – zoals [eiseres] stelt – onvoldoende gronden had voor die beëindiging en de registratie, kan van haar niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.
4.3
De kernvraag in deze zaak is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eiseres] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daar geldt het volgende toetsingskader.
4.4
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. Een klantonderzoek moet intensiever zijn naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere.
4.5
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.6
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij witwassen of andere criminele activiteiten.
4.7
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant vragen slechts gedeeltelijke of gebrekkig beantwoordt of onvoldoende stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.8
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.9
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.10
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n artikel 5 lid 3 Wwft-zaak immers helemaal niet om te doen.
Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.11
De opzegging waar het in deze zaak om gaat is de brief van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 is expliciet ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt de bank niet in haar standpunt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als slechts een nadere toelichting op de brief van 22 september 2025. Voor zover [eiseres] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 ook de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. De bank heeft de bankrelatie meerdere keren opgezegd en vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiseres] een nieuwe beslissing genomen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden.
4.12
De ex-tunc toetsing betekent voor deze zaak dus dat de bank aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft.
De verwijten in de beëindigingsbrief van 2 februari 2026
4.13
In de brief van 2 februari 2026 deelt de bank mee dat ze de bankrelatie met [eiseres] opzegt omdat:
“… de aangeleverde informatie en documentatie onvoldoende is gebleken om het klantenonderzoek positief te kunnen afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn wegenomen.”
De bank werkt dit uit in drie concrete verwijten:
“Lening aan een derde partij
Uit het klantenonderzoek blijkt dat uw cliënt sinds 2016 een hypotheekrecht heeft op een woning van een derde. Daarbij merkt de bank op dat er sprake is van conservatoir beslag ter hoogte van EUR 4.900.000 door de Officier van Justitie van het Landelijk Parket. Ook is gebleken uit openbare bronnen dat deze derde partij ten tijde van het onderzoek gezocht werd door Europol wegens de handel in verboden middelen. Tijdens het klantenonderzoek heeft uw cliënt aangegeven dat deze partij enkel een zakelijke relatie betreft en dat het gaat om een lening uit het verleden. Tijdens het klantenonderzoek wilde uw cliënt geen verdere verklaring geven over de integriteitsrisico’s met betrekking tot deze derde partij. Daarnaast verklaarde uw cliënt tijdens het klantenonderzoek dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de herkomst van de middelen van de klanten. De bank merkt op dat het feit dat de derde partij waarmee uw cliënt zaken doet gezocht lijkt te worden in verband met mogelijke strafbare feiten en, dat uw cliënt geen onderzoek doet naar de herkomst van de middelen voor de bank integriteitsrisico’s met zich meebrengen. Daarnaast kan de bank hierdoor niet uitsluiten dat de herkomst van deze middelen illegitiem is. Voornoemde omstandigheden brengen voor de bank grote integriteitsrisico’s met zich mee.
AFM-vergunning
Daarnaast merkt de bank op dat de rekening van uw cliënt op dit moment en in het verleden is gebruikt om hypotheken te verstrekken aan consumenten zonder dat uw cliënt hiervoor een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft. Tijdens het klantonderzoek heeft uw cliënt verklaard telefonisch contact te hebben gehad met de AFM waarbij de AFM uw cliënt een vrijstelling voor de vergunning zou hebben gegeven omdat uw cliënt een beleggingsinstelling betreft. De bank merkt echter op dat uw cliënt geen beleggingsinstelling betreft en dat een dergelijke vrijstelling van de vergunning niet is terug te vinden in de communicatie van de AFM. Tijdens het klantenonderzoek heeft uw cliënt tevens verklaard dat andere financiële instellingen, notarissen en accountants uw cliënt nooit hebben gewezen op de vergunningsplicht. De bank volgt de verklaringen van uw cliënt echter niet. Uw cliënt ontvangt van diverse partijen rente en aflossingen op de zakelijke rekening. Uw cliënt heeft verklaard dat de activiteiten worden afgebouwd, maar de bank wil benadrukken dat dit niet betekent dat uw cliënt niet vergunningsplichtig is/was. Derhalve gaat de bank niet mee met de verklaring van uw cliënt dat uw cliënt volgens de AFM een vrijstelling zou hebben gekregen.
Transacties met derden partijen
Tijdens het klantenonderzoek heeft de bank geconstateerd dat uw cliënt verschillende transacties verricht met diverse tegenpartijen waarmee de bank tevens de bancaire relatie heeft beëindigd/aan het beëindigen is. De bank merkt op dat bij deze diverse tegenpartijen tevens integriteitsrisico’s zijn geconstateerd. Hierdoor is het voor de bank tevens onvoldoende duidelijk wat de herkomst van de gelden betreft en heeft de bank twijfels over de legitimiteit van deze gelden. Ook dit brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee.
4.14
Het eerste verwijt gaat over de hypothecaire geldlening van € 390.000,- die [eiseres] in 2016 aan [F] en zijn toenmalige echtgenote heeft verstrekt voor de aankoop van twee appartementen. [eiseres] heeft in 2019 onder die lening een aanvullend bedrag van € 100.000,- aan hen uitgeleend. Het verwijt komt erop neer dat [eiseres] , ondanks steeds duidelijker aanwijzingen dat [F] betrokken was bij grootschalige drugshandel, nooit serieus onderzoek heeft willen doen naar de herkomst van de middelen waarmee de rente en aflossingen op die lening werden betaald en dat zij hierover ook niet verder heeft willen verklaren.
4.15
Dat verwijt is terecht. [eiseres] heeft op 17 februari 2023 de vraag wat zij doet om de integriteitsrisico’s op dit punt te beheersen, als volgt beantwoord:
“De heer [F] heeft mij op de hoogte gebracht van het beslag van het OM. Het OM heeft mij tot de dag van vandaag nog niet bericht. Als er niet meer betaald zou worden dan ga ik de procedure in van verkoop van de panden, ik ben eerste hypotheekhouder en gaat voor iedereen. Maar dit is niet het geval er wordt nog steeds keurig betaald. De waarde van het onderpand is tussen de € 900.000 - € 1.000.000, een grote overwaarde dus op de totale uitstaande lening van € 490.000.-.”
4.16
[eiseres] heeft dit antwoord op 30 maart 2026 op verzoek van de bank als volgt verder toegelicht:
“U vroeg mij toe te lichten hoe ik het risico dat volgt uit de beslaglegging doorjustitie op het pand beheers ten aanzien van de herkomst van de afbetalingen van de hypotheek. Ik begreep dat het een voorlopig beslag is tot zekerheid ingeval de heer [F] wordt veroordeeld. Ik neem aan dat justitie de herkomst van de gelden van de heer [F] uitgebreid zal onderzoeken en vervolgens zal de rechter erover moeten oordelen of dat allemaal klopt. Het is niet aan mij om daarover te oordelen en ik vind het te ver gaan om daarop enkel op grond van een verdenking vooruitlopend al te oordelen. De heer [achternaam van E en F] kan immers ook worden vrijgesproken of de zaak kan worden geseponeerd. Bovendien wordt de hypotheek momenteel gewoon netjes door de echtgenote van de heer [achternaam van E en F] , mevrouw [G] , betaald. Mocht de heer [achternaam van E en F] inderdaad worden veroordeeld dan zal ik mij uiteraard beraden op
de situatie waarbij de aard van de veroordeling ook van belang is.”
4.17
Die opstelling is te vrijblijvend. Drugshandel is een sterke risicofactor voor witwassen. De aanwijzingen voor betrokkenheid van [F] bij grootschalige internationale drugshandel waren – zeker na het strafrechtelijke beslag – zodanig dat [eiseres] , als zij de zakelijke relatie met hem wilde voortzetten, op zijn minst had moeten onderzoeken of de rente en aflossingen op die lening niet werden betaald met uit die drugshandel verkregen gelden. De voorzieningenrechter is met de bank van oordeel dat het standpunt van [eiseres] dat zij dat pas hoeft te onderzoeken als [F] is veroordeeld, een ernstige inschattingsfout is. Daar komt nog bij dat [F] op 5 juni 2024 strafrechtelijk ìs veroordeeld wegens grootschalige drugshandel, maar dat [eiseres] nog steeds geen onderzoek of maatregelen heeft aangekondigd.
4.18
De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat zij op dit punt kon volstaan met haar antwoorden:
dat de hypotheektermijnen vanaf april 2022 niet meer door [F] werden betaald maar alleen door [G] ;
dat het huwelijk tussen [G] en [F] inmiddels is geëindigd en dat de woning toen aan [G] is toebedeeld;
dat de € 2.800,- aan huur die [G] maandelijks ontvangt voor de [straat] [nummeraanduiding 1] en [straat] [nummeraanduiding 2] meer is dan de € 1.800,- aan rente en aflossingen die zij maandelijks aan [eiseres] betaalt; en
[G] naast die huurinkomsten nog inkomsten geniet uit haar dienstbetrekking bij uitzend- en detacheringsbureau [onderneming 2] B.V. dan wel uit de door haar geëxploiteerde schoonheidssalon.
De bank heeft zich op het standpunt heeft gesteld dat deze antwoorden niet voldoende zijn om de terechte zorgen over integriteitsrisico’s weg te nemen. In het licht van de veroordeling van [F] is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter begrijpelijk en terecht.
4.19
Het tweede verwijt van de bank is dat [eiseres] hypothecair krediet aan consumenten heeft verstrekt zonder de noodzakelijke vergunning of ontheffing. [eiseres] heeft op dit punt achtereenvolgens aangevoerd:
dat zij vóór 2015 inderdaad aan enkele consumenten hypothecair krediet heeft verstrekt voor aankoop van een eigen woning, en daarna alleen nog aan zakelijke partijen;
dat zij rond 2013 aan haar adviseurs heeft gevraagd of daarvoor een vergunning nodig was, maar dat zij daarop geen duidelijk antwoord heeft gekregen en dat de AFM daar evenmin telefonisch uitsluitsel over heeft willen geven;
dat zij toen daarom heeft besloten geen nieuwe hypothecaire kredieten aan consumenten te vertrekken en bestaande af te bouwen;
dat zij op 30 maart 2023 heeft aangegeven dat zij de AFM opnieuw zal vragen of een vergunning nodig is en heeft toegezegd dat zij – als blijkt dat een vergunning inderdaad nodig is – de overgebleven leningen zal overdragen aan een professionele partij; en
dat deze kwestie strik genomen niets zegt over witwassen.
4.20
Ook dit verwijt is terecht. Uit de verweren volgt dat [eiseres] in het verleden krediet aan consumenten heeft verstrekt zonder vergunning en dat enkele daarvan nog steeds uitstaan. [eiseres] heeft verklaard dat zij de kredieten al vanaf 2013 is gaan afbouwen is, maar dat is kennelijk niet gelukt. Haar toezegging op 30 maart 2023 om de overgebleven kredieten aan consumenten over te dragen is ook zonder gevolgen gebleven. Dat houdt wellicht verband met haar voorwaarde dat de AFM eerst moet bevestigen dat een vergunning (ook tijdens dat afbouwen inderdaad nog) nodig is, maar dat is een vraag waarop [eiseres] naar eigen zeggen al vanaf 2013 probeert antwoord te krijgen. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat [eiseres] op het punt van deze vergunning haar zaken niet op orde heeft. De voorzieningenrechter is met de bank van oordeel dat dit iets zegt over het witwasrisico. Als het [eiseres] al niet lukt om op het vrij basale punt van de vergunning integer te handelen, is dat immers ook een indicatie dat de controle op witwassen onder de maat is.
Conclusie
4.21
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het eerste verwijt voldoende ernstig is om beëindiging van de bankrelatie te rechtvaardigen. Dat geldt te meer als het eerste en het tweede verwijt samen worden genomen. Dat betekent dat in het midden kan blijven of ook het derde verwijt – dat [eiseres] regelmatig transacties verricht met rechtspersonen en natuurlijke personen in het klantnetwerk met wie de bankrelatie ook is beëindigd – terecht en voldoende ernstig is.
4.22
De slotsom is dat de bank bij haar klantonderzoek naar [eiseres] voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij op basis van dat onderzoek mocht concluderen dat ze het klantonderzoek niet positief kon afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn weggenomen. De voorzieningenrechter eraan te vermelden dat dit niet betekent dat er aanwijzingen zijn [eiseres] opzettelijk heeft meegewerkt aan witwassen of andere criminele handelingen. Het betekent wel dat de bank op grond van het derde lid van artikel 5 Wwft verplicht is om de bankrelatie te beëindigen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van die relatie wordt daarom afgewezen.
De bank hoeft de CAAML-registratie van [eiseres] niet te verwijderen
4.23
[eiseres] vordert dat de bank haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. De bank stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiseres] in die lijst op te nemen. Zij benadrukt dat het een interne lijst is, die alleen zichtbaar is voor de bank (en de met haar verbonden rechtspersonen). Volgens de bank is de CAAML-registratie nodig om te voorkomen dat [eiseres] in de toekomst per abuis weer wordt toegelaten als klant van de bank, omdat bij betreffende afdeling niet bekend is dat de bank de bankrelatie met haar juist kort geleden heeft beëindigd. Gelet op dat doel en het interne karakter van de registratie is de voorzieningenrechter van oordeel dat als de redenen van de bank voldoende zijn om de bankrelatie met [eiseres] te beëindigen op grond van artikel 5 Wwft lid 3, die redenen ook voldoende zijn om haar in het CAAML te registreren. De vordering om de CAAML-registratie van [eiseres] te verwijderen, wordt dan afgewezen.
[eiseres] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan de bank
4.24
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2026.
JO/4972
Zaaknummer C/16/609602 / KG ZA 26-183. De twee zaken zijn overigens niet gevoegd en in beide zaken wordt apart vonnis gewezen.
Rechtbank Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2957.
Art. 3 lid 2 onder d Wwft
ECLI:NL:GHARL:2025:3542, onder. 3.7.
Zie 4.9.
[straat] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] te ( [postcode] ) [plaats 2] .
Artikel 2:60 Wet financieel toezicht.
Een adviseur van [.] zou wel hebben gezegd dat als [eiseres] de kredieten aan consumenten zou afbouwen, een vergunning waarschijnlijk niet nodig was.