Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6094
2026-08-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
UTR 25/1347
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kennelijk niet-ontvankelijk, geen machtiging
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:556 Hoge Raad 17-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.499 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1347
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
mr. I.N.D.J. Rissema veronderstellenderwijs handelend namens [eiser] , te [plaats] ,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. I.N.D.J. Rissema (Rissema) heeft ingediend op 20 februari 2025 tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in de zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die namens een ander in beroep gaat, moet als de rechtbank daar om vraagt, een (ondertekende) machtiging indienen waar in staat dat hij dat namens die ander mag doen. Dit staat in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen (ondertekende) machtiging is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar men niets aan kan doen.
3. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt.
4. De rechtbank heeft Rissema op 6 juli 2026 een brief gestuurd, waarbij de gelegenheid is gegeven uiterlijk 3 augustus 2026 een (ondertekende) machtiging in te dienen, waarin staat dat Rissema namens [eiser] mag optreden in deze beroepsprocedure. Deze brief is verstuurd via het digitale systeem van de rechtbank. Rissema heeft hiervan een melding ontvangen. Omdat Rissema digitaal deelneemt aan het systeem, geldt de brief van 6 juni 2026 als een aangetekende brief.
4. De rechtbank stelt vast dat Rissema niet heeft gereageerd op deze brief.
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54). Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lith, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1347
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
mr. I.N.D.J. Rissema veronderstellenderwijs handelend namens [eiser] , te [plaats] ,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. I.N.D.J. Rissema (Rissema) heeft ingediend op 20 februari 2025 tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in de zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die namens een ander in beroep gaat, moet als de rechtbank daar om vraagt, een (ondertekende) machtiging indienen waar in staat dat hij dat namens die ander mag doen. Dit staat in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen (ondertekende) machtiging is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar men niets aan kan doen.
3. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt.
4. De rechtbank heeft Rissema op 6 juli 2026 een brief gestuurd, waarbij de gelegenheid is gegeven uiterlijk 3 augustus 2026 een (ondertekende) machtiging in te dienen, waarin staat dat Rissema namens [eiser] mag optreden in deze beroepsprocedure. Deze brief is verstuurd via het digitale systeem van de rechtbank. Rissema heeft hiervan een melding ontvangen. Omdat Rissema digitaal deelneemt aan het systeem, geldt de brief van 6 juni 2026 als een aangetekende brief.
4. De rechtbank stelt vast dat Rissema niet heeft gereageerd op deze brief.
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54). Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lith, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.