Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6070
2026-08-24
Bestuursrecht
UTR 26/1906
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De Svb heeft de hoogte van de boete terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Er zijn geen dringende redenen gebleken en het is niet gebleken dat de Svb een aandeel heeft gehad in het oplopen van het benadelingsbedrag.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2026:123 Centrale Raad van Beroep 22-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.420 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: W. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de Svb, waarbij is vastgesteld dat eiser een bedrag van € 8.322,70 moet terugbetalen en aan hem een boete van € 4.161,35 is opgelegd. Eiser is het niet eens met de hoogte van de boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 18 oktober 2024 heeft de Svb eisers uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw-uitkering) beëindigd per 1 juni 2023. Dit besluit staat in rechte vast.
2.1.
Met het besluit van 22 juli 2025 (het primaire besluit) heeft de Svb de te veel betaalde Anw-uitkering teruggevorderd en aan eiser een boete opgelegd.
2.2.
Met het besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de terugvordering en boete gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de Svb. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser kreeg sinds januari 2023 een Anw-uitkering uitbetaald. Op 8 oktober 2024 heeft de Svb een melding een Brp-melding ontvangen dat eiser op 22 mei 2023 is gehuwd. De Svb heeft eisers Anw-uitkering daarom met de beschikking van 18 oktober 2024 per 1 juni 2023 beëindigd. Eiser heeft daardoor van 1 juni 2023 tot en met september 2024 € 8.332,70 te veel aan Anw-uitkering ontvangen. De Svb heeft dit bedrag met het primaire besluit teruggevorderd. Daarnaast heeft de Svb eiser een boete ter hoogte van € 4.161,35 opgelegd, omdat eiser zijn huwelijk niet binnen vier weken aan de Svb heeft doorgegeven. De boete bedraagt 50% van het te veel ontvangen bedrag.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft de Svb de terugvordering en boete gehandhaafd. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat niet is gebleken dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering of deze te matigen. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de financiële situatie van eiser en is vastgesteld dat er een maandelijkse aflossingscapaciteit van € 637,- is en eiser over voldoende vermogen beschikt in de vorm van overwaarde op zijn woning. Ten aanzien van de boete heeft de Svb verder gesteld dat er sprake is van volledige verwijtbaarheid van eiser. Het is niet gebleken dat eiser op het moment dat hij het huwelijk had moeten doorgeven in emotioneel ontwrichtende omstandigheden verkeerde dan wel in een zodanig geestelijke toestand verkeerde dat de overtreding van de inlichtingenplicht hem niet valt aan te rekenen.
De hoogte van de boete
4. Voor eiser is het begrijpelijk dat onterecht ontvangen gelden terugbetaald moeten worden, maar eiser kan zich niet verenigen met de opgelegde boete. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Svb ten onrechte is uitgegaan van verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld. Eiser voert aan dat het voor hem onduidelijk was dat hij zijn huwelijk moest doorgeven, omdat zijn partner nog niet in Nederland was. Daarnaast kon zijn partner gedurende de periode dat zij in het buitenland verbleef, ook geen bijdrage leveren aan de kosten van het levensonderhoud. Het is dan ook de vraag of het redelijk is om de Anw-uitkering dan al te beëindigen. Volgens eiser is er sprake van een verminderde verwijtbaarheid. Hij stelt in dat kader dat de Svb een aandeel heeft gehad in het oplopen van het benadelingsbedrag. De Svb heeft de verplichting om burgers tijdig te informeren over misstanden.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft de inlichtingenverplichting geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden. De Svb is daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. De Svb heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van € 4.161,35. Daarnaast zijn geen dringende redenen gebleken om van het opleggen van een boete af te zien. Eiser is er eerder bij de toekenning en vaststelling van de Anw-uitkering op gewezen dat hij veranderingen in zijn situatie binnen vier weken aan de Svb moet doorgeven. Dat eiser niet wist dat hij zijn huwelijk niet door moest geven volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat de Svb een aandeel heeft gehad in het oplopen van het benadelingsbedrag. De Svb heeft de Anw-uitkering namelijk op 18 oktober 2024 beëindigd nadat op 8 oktober 2024 een melding is binnengekomen dat eiser in mei 2023 gehuwd is. Verder heeft eiser onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat er sprake is van ernstige sociale en financiële gevolgen. Bovendien heeft de gemachtigde van de Svb ter zitting medegedeeld dat er rekening is gehouden met een lagere aflossingscapaciteit en een ruimere aflossingstermijn dan eerder is vastgesteld. Dat de boete onevenredig is, is ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 39 van de Anw.
Zie ECLI:NL:CRVB:2026:123.
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: W. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de Svb, waarbij is vastgesteld dat eiser een bedrag van € 8.322,70 moet terugbetalen en aan hem een boete van € 4.161,35 is opgelegd. Eiser is het niet eens met de hoogte van de boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 18 oktober 2024 heeft de Svb eisers uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw-uitkering) beëindigd per 1 juni 2023. Dit besluit staat in rechte vast.
2.1.
Met het besluit van 22 juli 2025 (het primaire besluit) heeft de Svb de te veel betaalde Anw-uitkering teruggevorderd en aan eiser een boete opgelegd.
2.2.
Met het besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de terugvordering en boete gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de Svb. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser kreeg sinds januari 2023 een Anw-uitkering uitbetaald. Op 8 oktober 2024 heeft de Svb een melding een Brp-melding ontvangen dat eiser op 22 mei 2023 is gehuwd. De Svb heeft eisers Anw-uitkering daarom met de beschikking van 18 oktober 2024 per 1 juni 2023 beëindigd. Eiser heeft daardoor van 1 juni 2023 tot en met september 2024 € 8.332,70 te veel aan Anw-uitkering ontvangen. De Svb heeft dit bedrag met het primaire besluit teruggevorderd. Daarnaast heeft de Svb eiser een boete ter hoogte van € 4.161,35 opgelegd, omdat eiser zijn huwelijk niet binnen vier weken aan de Svb heeft doorgegeven. De boete bedraagt 50% van het te veel ontvangen bedrag.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft de Svb de terugvordering en boete gehandhaafd. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat niet is gebleken dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering of deze te matigen. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de financiële situatie van eiser en is vastgesteld dat er een maandelijkse aflossingscapaciteit van € 637,- is en eiser over voldoende vermogen beschikt in de vorm van overwaarde op zijn woning. Ten aanzien van de boete heeft de Svb verder gesteld dat er sprake is van volledige verwijtbaarheid van eiser. Het is niet gebleken dat eiser op het moment dat hij het huwelijk had moeten doorgeven in emotioneel ontwrichtende omstandigheden verkeerde dan wel in een zodanig geestelijke toestand verkeerde dat de overtreding van de inlichtingenplicht hem niet valt aan te rekenen.
De hoogte van de boete
4. Voor eiser is het begrijpelijk dat onterecht ontvangen gelden terugbetaald moeten worden, maar eiser kan zich niet verenigen met de opgelegde boete. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Svb ten onrechte is uitgegaan van verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld. Eiser voert aan dat het voor hem onduidelijk was dat hij zijn huwelijk moest doorgeven, omdat zijn partner nog niet in Nederland was. Daarnaast kon zijn partner gedurende de periode dat zij in het buitenland verbleef, ook geen bijdrage leveren aan de kosten van het levensonderhoud. Het is dan ook de vraag of het redelijk is om de Anw-uitkering dan al te beëindigen. Volgens eiser is er sprake van een verminderde verwijtbaarheid. Hij stelt in dat kader dat de Svb een aandeel heeft gehad in het oplopen van het benadelingsbedrag. De Svb heeft de verplichting om burgers tijdig te informeren over misstanden.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft de inlichtingenverplichting geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden. De Svb is daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. De Svb heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van € 4.161,35. Daarnaast zijn geen dringende redenen gebleken om van het opleggen van een boete af te zien. Eiser is er eerder bij de toekenning en vaststelling van de Anw-uitkering op gewezen dat hij veranderingen in zijn situatie binnen vier weken aan de Svb moet doorgeven. Dat eiser niet wist dat hij zijn huwelijk niet door moest geven volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat de Svb een aandeel heeft gehad in het oplopen van het benadelingsbedrag. De Svb heeft de Anw-uitkering namelijk op 18 oktober 2024 beëindigd nadat op 8 oktober 2024 een melding is binnengekomen dat eiser in mei 2023 gehuwd is. Verder heeft eiser onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat er sprake is van ernstige sociale en financiële gevolgen. Bovendien heeft de gemachtigde van de Svb ter zitting medegedeeld dat er rekening is gehouden met een lagere aflossingscapaciteit en een ruimere aflossingstermijn dan eerder is vastgesteld. Dat de boete onevenredig is, is ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 39 van de Anw.
Zie ECLI:NL:CRVB:2026:123.