Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6050

2026-07-08 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 24/2909, 24/2913 t/m 24/2919
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 24/2909, 24/2913 t/m 24/2919
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Hoorplicht is geschonden. Eiser wenst de zaak bij de rechtbank voort te zetten. Pkv in bezwaar onjuist vastgesteld. Beroep is gegrond, uitspraak op bezwaar wordt vernietigt.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.090 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 24/2909, 24/2913 t/m 24/2919


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: C.R. Smits)


en




de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)



Verder heeft als partij deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (de minister voor Justitie en Veiligheid).






Inleiding


1. De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de volgende WOZ-waarden vastgesteld:










24/2909



[adres 1] in [plaats]


€ 21.000,-




24/2913



[adres 2] in [plaats]


€ 21.000,-




24/2914



[adres 3] in [plaats]


€ 257.000,-




24/2915



[adres 4] in [plaats]


€ 247.000,-




24/2916



[adres 5] in [plaats]


€ 38.000,-




24/2917



[adres 6] in [plaats]


€ 604.000,-




24/2918



[adres 7] in [plaats]


€ 607.000,-




24/2919



[adres 8] in [plaats]


€ 386.000,-







De waarden zijn vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en gelden voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woningen ook een aanslag onroerendezaakbelasting en een aanslag watersysteemheffing opgelegd. De WOZ-waarden zijn daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.



1.1.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 4 april 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar deels gegrond verklaard en de WOZ-waarden van [adres 3] verlaagd naar € 231.000,-, [adres 4] verlaagd naar € 241.000,-, [adres 6] verlaagd naar € 540.000,- en [adres 7] verlaagd naar € 543.000,-. De overige WOZ-waarden zijn gehandhaafd.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




Het geschil


2. Partijen zijn het eens over de WOZ-waarden. In geschil is enkel nog de vraag of de hoorplicht is geschonden en of de proceskosten in bezwaar correct zijn vastgesteld.




Beoordeling door de rechtbank
Hoorplicht

3. De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Uit artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vloeit voort dat een betrokkene moet vragen om te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat in dit geval partijen het erover eens zijn dat de hoorplicht is geschonden. De heffingsambtenaar heeft derhalve in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en artikel 25, eerste lid, van de AWR gehandeld.
4. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat wat hem betreft de rechtbank de zaak niet terugverwijst naar de heffingsambtenaar, maar de zaak zelf inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank zal dan ook het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.



Proceskosten



Bezwaar


5. Eiser voert aan dat de hoogte van de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar te laag is vastgesteld. Volgens eiser is de heffingsambtenaar onterecht uitgegaan van een waarde van € 310,- per punt, terwijl de heffingsambtenaar € 624,- per punt had moeten toekennen. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024.

6. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld, is de lagere waarde per punt in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen in de bezwaarfase in strijd is met het discriminatieverbod. Dit betekent dat in de bezwaarfase in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen net als bij andere bestuursrechtelijke zaken een waarde per punt moet worden gehanteerd van (inmiddels) € 647,-. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigen en alsnog een proceskostenvergoeding toekennen uitgaande van een waarde van € 647,- per procespunt in de bezwaarfase.
Beroep
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld.
8. De gemachtigde van eiser bepleit wat betreft de proceskostenvergoeding dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij een bijzonder geval is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
9. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven, een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Het geschil in beroep betreft namelijk uitsluitend het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en of de proceskosten in bezwaar juist is vastgesteld.

10. De rechtbank zal hierna beoordelen of de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ op de gemachtigde van eiser van toepassing is.

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.


12. Uit het arrest van 25 april 2025 volgt dat buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan een van de drie in het arrest van 17 januari 2025 genoemde kenmerken voldoet om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt. De stelplicht en de bewijslast hiervoor ligt bij de gemachtigde. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde onvoldoende bewijs heeft aangeleverd waaruit zou blijken dat er sprake zou zijn van een bijzonder geval. De gemachtigde heeft onvoldoende inzage verschaft in de werkwijze voor een eenduidig beeld van het bedrijfsmodel. Een deugdelijke orderadministratie of jaarstukken ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de gemachtigde zijn diensten niet op basis van no cure no pay verleent. Hiermee is niet voldaan aan de criteria uit het arrest van 17 januari 2025 om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt. Dit brengt mee dat artikel 30a Wet WOZ van toepassing is op de in beroep toegekende proceskostenvergoeding. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase moet daarom de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,25 van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast.
12. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan eiser een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 0,5 en de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,25).


14. De rechtbank wijst partijen erop dat de heffingsambtenaar het op grond van deze uitspraak te vergoeden bedrag voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Immateriële schadevergoeding



15. Eiser heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
15. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift, 31 maart 2023, en de dag van deze uitspraak zit afgerond 3 jaar en 2 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en 2 maanden.
15. Het verzoek van eiseres valt onder de werking van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024. Daaruit volgt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan een verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financiële belang minder is dan de bagatelgrens van € 1.000,- en de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. Als het financiële belang minder is dan € 1.000,- maar de redelijke termijn is wel met meer dan twaalf maanden overschreden, volgt uit het arrest van de Hoge Raad dat de belastingrechter naar bevind van zaken beslist op een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


18. Uit voornoemd arrest volgt verder dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. In deze zaak staan de WOZ-waarden niet meer ter discussie en dus heeft belanghebbende in zoverre geen financieel belang bij de procedure. Eiser heeft ook geen andere belangen genoemd waar rekening mee gehouden kan worden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden volstaat de rechtbank in dit geval dan ook met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af.

Conclusie

19. Het beroep is gegrond, omdat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding in bezwaar te laag heeft vastgesteld.






























Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar van 4 april 2024 voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding;


bekrachtigt de uitspraak op bezwaar voor het overige;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar aan eiser van € 647,- onder verrekening van wat al is betaald;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten in beroep aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Deve, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:







Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.






Hoge Raad, 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


ECLI:NL:HR:2025:46.


Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.


ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.


Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853. Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024.



Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, ro 3.4.4.


Hoge Raad, 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1129.