Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6045
2026-06-19
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/5067
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om dwangsom is onterecht afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de bestreden uitspraak is gegrond. Dwnagsom wordt vastgesteld op € 1.442,-.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.354 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] .
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde vastgesteld op € 652.000,- voor de woning. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
1.2.
Eiser heeft op 30 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft met uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting achterwege blijft en sluit heden met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek.
Het geschil
2. In geschil is enkel nog of de heffingsambtenaar terecht stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is, omdat de heffingsambtenaar binnen de wettelijke termijn zou hebben beslist op het bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet tijdig beslissen
3. Op 24 maart 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat een beslissing op het bezwaar uitbleef, heeft eiser op 30 januari 2024 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en vervolgens op 30 juli 2024 beroep ingesteld.
4. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar alsnog beslist op het bezwaar van eiser van 24 maart 2023. Omdat de heffingsambtenaar met de bestreden uitspraak niet aan eiser tegemoet is gekomen, heeft het beroep mede betrekking op de bestreden uitspraak. Het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is vervallen, omdat uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarom zal dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Is het verzoek op dwangsom terecht afgewezen in de bestreden uitspraak?
5. De heffingsambtenaar stelt zich in het verweerschrift van 19 augustus 2024 op het standpunt dat wel tijdig is beslist en hierdoor geen dwangsom is verbeurd. Volgens de heffingsambtenaar is op 19 december 2023 met dagtekening 23 december 2023 een beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Volgens de heffingsambtenaar is abusievelijk verzuimd om eiser een kopie te sturen van de bestreden uitspraak van 19 december 2023, echter is alsnog hiermee tijdig beslist. De bestreden uitspraak is met het verweerschrift samen op 21 augustus 2024 door de rechtbank doorgestuurd naar eiser.
6. In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
7. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tegen de beschikking van28 februari 2023 is ingediend op 24 maart 2023. Gelet op het bepaalde in artikel 30, negende lid, van de Wet Woz, verstreek de termijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar daarom op 31 december 2023.
8. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Niet in geschil is dat de bestreden uitspraak door de heffingsambtenaar niet naar eiser is verstuurd. Dat brengt met zich mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de bestreden uitspraak niet voor het verstrijken van de termijn op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bedoelde wijze is bekendgemaakt. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de bestreden uitspraak eiser eerder onder ogen is gekomen dan na doorzending door de rechtbank op 21 augustus 2024. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak niet tijdig heeft bekendgemaakt en een dwangsom moet betalen aan eiser voor elke dag dat hij in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. Bij brief van 30 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. De eerste dag waarover dwangsom was verschuldigd was dus 14 februari 2024. Tussen die datum en de datum dat de bestreden uitspraak aan eiser is toegezonden zitten meer dan 42 dagen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom op grond van artikel 8:55c en artikel 4:17 van de Awb daarom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak voor zover het betrekking heeft op de dwangsom;
stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] .
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde vastgesteld op € 652.000,- voor de woning. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
1.2.
Eiser heeft op 30 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft met uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting achterwege blijft en sluit heden met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek.
Het geschil
2. In geschil is enkel nog of de heffingsambtenaar terecht stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is, omdat de heffingsambtenaar binnen de wettelijke termijn zou hebben beslist op het bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet tijdig beslissen
3. Op 24 maart 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat een beslissing op het bezwaar uitbleef, heeft eiser op 30 januari 2024 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en vervolgens op 30 juli 2024 beroep ingesteld.
4. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar alsnog beslist op het bezwaar van eiser van 24 maart 2023. Omdat de heffingsambtenaar met de bestreden uitspraak niet aan eiser tegemoet is gekomen, heeft het beroep mede betrekking op de bestreden uitspraak. Het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is vervallen, omdat uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarom zal dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Is het verzoek op dwangsom terecht afgewezen in de bestreden uitspraak?
5. De heffingsambtenaar stelt zich in het verweerschrift van 19 augustus 2024 op het standpunt dat wel tijdig is beslist en hierdoor geen dwangsom is verbeurd. Volgens de heffingsambtenaar is op 19 december 2023 met dagtekening 23 december 2023 een beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Volgens de heffingsambtenaar is abusievelijk verzuimd om eiser een kopie te sturen van de bestreden uitspraak van 19 december 2023, echter is alsnog hiermee tijdig beslist. De bestreden uitspraak is met het verweerschrift samen op 21 augustus 2024 door de rechtbank doorgestuurd naar eiser.
6. In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
7. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tegen de beschikking van28 februari 2023 is ingediend op 24 maart 2023. Gelet op het bepaalde in artikel 30, negende lid, van de Wet Woz, verstreek de termijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar daarom op 31 december 2023.
8. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Niet in geschil is dat de bestreden uitspraak door de heffingsambtenaar niet naar eiser is verstuurd. Dat brengt met zich mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de bestreden uitspraak niet voor het verstrijken van de termijn op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bedoelde wijze is bekendgemaakt. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de bestreden uitspraak eiser eerder onder ogen is gekomen dan na doorzending door de rechtbank op 21 augustus 2024. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak niet tijdig heeft bekendgemaakt en een dwangsom moet betalen aan eiser voor elke dag dat hij in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. Bij brief van 30 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. De eerste dag waarover dwangsom was verschuldigd was dus 14 februari 2024. Tussen die datum en de datum dat de bestreden uitspraak aan eiser is toegezonden zitten meer dan 42 dagen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom op grond van artikel 8:55c en artikel 4:17 van de Awb daarom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak voor zover het betrekking heeft op de dwangsom;
stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.