Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6038

2026-08-28 Bestuursrecht UTR 25/1019
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/1019
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Rectificatie. Compensatieregeling Wht. 1. Er zijn geen aanknopingspunten dat er stukken ontbreken. 2. Verweerder heeft mogen stellen dat er voor de berekeningsjaren 2010 en 2013 'evident geen recht'op kinderopvangtoeslag was. 3. beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. 4. overschrijding redelijke termijn.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.405 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere



Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/1019 Rectificatie (p. 1)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),


en


Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).


Samenvatting


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen heeft eiseres compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2008 en 2009. Dienst Toeslagen heeft eiseres geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013. Eiseres is het er niet mee eens dat zij over toeslagjaren 2010 en 2013 geen compensatie krijgt. De rechtbank oordeelt dat eiseres wat betreft berekeningsjaar 2010 gelijk krijgt. Het beroep is om die reden gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een herbeoordeling kinderopvangtoeslag.



2.1.
Bij besluit van 1 april 2021 heeft Dienst Toeslagen eiseres op basis van de zogeheten Catshuisregeling/lichte toets, een bedrag van € 30.000,- toegekend.



2.2.
Bij het primaire besluit van 4 januari 2023 heeft Dienst Toeslagen de compensatie vastgesteld op € 48.878,-, voor de kinderopvangtoeslagjaren 2007, 2008 en 2009. Voor de jaren 2010 en 2013 heeft eiseres geen compensatie ontvangen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.



2.3.
Met het bestreden besluit van 27 december 2024 is Dienst Toeslagen gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar, wegens onjuistheden in de berekeningen van het compensatiebedrag.



2.4.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft 19 april 2026 aanvullende gronden ingediend.




2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.



2.6.
Na behandeling op zitting is de uitspraaktermijn verlengd. De rechtbank heeft in de verlengde termijn geen uitspraak kunnen doen. Op 13 augustus 2026 is partijen gevraagd of zij er bezwaar tegen hebben dat het beroep door een andere rechter zal worden behandeld, waarbij de rechtbank een nieuwe mondelinge behandeling niet nodig achtte. Geen van de partijen heeft laten weten hier bezwaar tegen te hebben, daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet opnieuw behandeld op een zitting.




Inleiding

3. Eiseres heeft een kind, geboren op [geboortedatum] 2006. Op 8 februari 2021 heeft eiseres zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.



Toetsingskader



4. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven.

5. Verder is in artikel 2.6 van de Wht bepaald dat Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekent indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (OG/S-kwalificatie) van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.



Het bestreden besluit



6. Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres compensatie krijgt vanwege hardheid van het stelsel over 2007 en vanwege institutioneel vooringenomenheid over de jaren 2008 en 2009. Eiseres krijgt geen compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013.

-Over de jaren 2011 en 2012 was er geen sprake van hardheid in de toepassing van het wettelijk systeem en geen institutioneel vooringenomen handelen. In 2011 is de kinderopvangtoeslag vastgesteld conform de aanvraag en hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. In 2012 heeft een neerwaartse correctie plaatsgevonden op grond van opvanguren per kind dat door de kinderopvangorganisatie is doorgegeven.
-Over de jaren 2010 en 2013 is er geen hardheid van het stelsel, maar wordt wel institutioneel vooringenomen handelen aangenomen. Omdat er niet gesteld kan worden dat er opvang heeft plaatsgevonden, dat eiseres gewerkt heeft of dat eiseres doelgroeper was, wordt er evident geen recht op kinderopvangtoeslag aangenomen. Eiseres heeft daarom over 2010 en 2013 geen recht op compensatie vanwege institutioneel vooringenomen handelen. Verder is er geen schending van het vertrouwensbeginsel voor het toeslagjaar 2010.




Omvang van het geding



7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep zien op de jaren 2010 en 2013. Er zijn geen gronden ingediend over de jaren 2007, 2008, 2009, 2011, 2012. De rechtbank beperkt zich bij de bespreking van de gronden daarom tot de jaren 2010 en 2013.



Heeft Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?



8. Eiseres voert aan dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken conform artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingebracht. Zij verwijst ter onderbouwing van wat op de zaak betrekking hebbende stukken zijn naar een overweging van de Hoge Raad in het arrest van 23 oktober 2020. Eiseres betoogt in dit verband dat zij moet beschikken over het Sas-rapport. In het rapport staat onder meer informatie over aanvragen kinderopvangtoeslag die in het verleden zijn gedaan, alsmede interne (gespreks)notities van telefoongesprekken en beoordelingen die hebben
plaatsgevonden. De inhoud van het rapport kan het verschil maken in een zaak waarbij er discussie bestaat over het antwoord op de vraag of er wel of niet sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Verder voert eiseres aan dat zaken tegenwoordig worden afgedaan op ouderdossiers, maar dat deze ouderdossier nog steeds niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken bevatten. Het ouderdossier bevat niet de stukken die betrekking hebben op het recht op een tegemoetkoming wegens de kwalificatie O/GS en opname in de FSV. Volgens een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026 zijn dit wel op de zaak betrekking hebbende stukken. Zo lang Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt, kan niet worden vastgesteld of Dienst Toeslagen bij de voorbereiding van de bestreden beslissing de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen heeft vergaard, zoals Dienst Toeslagen dat behoort te doen op grond van artikel 3:2 van de Awb. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2024.

9. Dienst Toeslagen stelt dat zij in het kader van de bezwaarprocedure aan eiseres een volledig bezwaardossier ter beschikking heeft gesteld en dat in alle systemen is gezocht. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan de rechtbank gestuurd. Verder stelt Dienst Toeslagen dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam niet in lijn is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 oktober 2025.

10. De rechtbank moet deze grond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat Dienst Toeslagen het bezwaardossier van eiseres heeft overgelegd. Dit dossier is op dezelfde wijze samengesteld als een ouderdossier, maar is beperkt tot de jaren waarover het geschil gaat. Met het bezwaardossier kan de juistheid van het toepassen van de compensatieregeling worden gecontroleerd.



Sas-rapport


11. Dienst Toeslagen heeft over de in geschil zijnde jaren 2010 en 2013 aangenomen dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. De rechtbank ziet daarom niet in hoe het Sas-rapport verder van belang kan zijn voor de vaststelling dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Dat is immers al vastgesteld. Eiseres heeft ook geen enkel aanknopingspunt gegeven over wat er dan in dat Sas-rapport zou moeten staan, dat het antwoord op de vraag over institutioneel vooringenomenheid zou wijzigen.



Stukken die gaan over de kwalificatie O/GS



11.1.
De rechtbank stelt voorop dat Dienst toeslagen op zitting heeft verklaard dat het Landelijk Incasso Centrum (LIC) een zoekslag heeft gedaan, maar dat die zoekslag niet meer kon worden overgelegd in verband met de tien dagen termijn voor het inbrengen van stukken. De rechtbank heeft geen reden aan deze mededeling te twijfelen, te meer omdat de betrokkenheid van het LIC blijkt uit het primaire besluit. En overigens heeft eiseres deze mededeling ook niet bestreden. Over het jaar 2013 heeft eiseres de kwalificatie O/GS gekregen en zij is daarvoor gecompenseerd. Verder blijkt nergens uit het dossier een aanknopingspunt voor de stelling dat eiseres over 2010 (eventueel) een kwalificatie O/GS heeft gekregen. Eisers heeft ook geen concrete punten voor twijfel hierover aangedragen. De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat er in 2010 stukken zijn die gaan over een kwalificatie O/GS bij eiseres en die ten onrechte niet zouden zijn overgelegd.



Opname in FSV




11.2.
Volgens het informatie- en beoordelingsformulier is eiseres niet geregistreerd in het FSV. Het LIC heeft bij zowel 2010 als bij 2013 gemeld dat de terugvordering niet te maken had met: “het niet betalen van een deel van de kosten voor de opvang, een kleine formele tekortkoming, dan wel fraude door derden of andere bijzondere omstandigheden.” Er is daarom geen enkel aanknopingspunt dat eiseres in de FSV staat. De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat eiseres toch wel is opgenomen in de FSV en Dienst Toeslagen ten onrechte stukken daarover niet zou hebben overgelegd.



Tussenconclusie


12. Dienst Toeslagen heeft in deze zaak het bezwaardossier overgelegd. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe Dienst Toeslagen tot het bestreden besluit is gekomen.



Heeft eiseres evident geen recht over berekeningsjaren 2010 en 2013?



13. Eiseres voert aan dat Dienst Toeslagen toe redeneert naar de stelling dat er sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag, terwijl het voor het innemen van die stelling klip en klaar moet zijn dat er geen recht op kinderopvangtoeslag is.
Eiseres wijst verder op r.o. 8 in een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 september 2025 en stelt in dat verband dat Dienst Toeslagen niet onderkent dat de bewijsdrempel van aannemelijkheid is gehaald, op het moment dat het verdedigbaar is dat er sprake was van een recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres stelt in de aanvullende gronden van beroep dat zij in 2010 en 2013 aanspraak maakte op kinderopvangtoeslag, omdat zij werkte en/of in een re-integratietraject zat. Eiseres meent zich inmiddels te herinneren dat zij in 2010 (vermoedelijk) via een uitzendbureau schoonmaakwerkzaamheden verrichtte en in 2013 een re-integratietraject volgde via stichting [naam 1] . Eiseres herinnert zich dat zij haar dochter in 2010 naar een opvanglocatie in de wijk bracht. Uit het RKT-bestand (productie 33 van productie 4) van Dienst Toeslagen over 2010 blijkt verder dat eiseres in dat jaar opvang afnam bij [naam 2] . De dochter van eiseres stelt in de aanvullende gronden van beroep dat zij in 2013 naar de nso ging. Volgens eiseres is het dus (op zijn minst) verdedigbaar dat er sprake is van recht op kinderopvangtoeslag en heeft zij voldaan aan de bewijslast om dit aannemelijk te maken. Dienst Toeslagen moet dan bewijzen dat er evident geen recht is. Dienst Toeslagen kan het ontbreken van gegevens in Koi-viewer niet tegenwerpen. Er ontbreekt regelmatig informatie in de Koi-viewer en dat is de reden dat Dienst Toeslagen destijds informatie had moeten opvragen. Institutioneel vooringenomen handelen is aangenomen en dan kan je het ontbreken van gegevens in de discussie over “evident geen recht” niet tegenwerpen. De inkomensgegevens over 2010 en 2013 maken ook niet dat er sprake is van “evident geen recht”, omdat iemand die tijdelijk werkt of een uitkering heeft, ook recht kan hebben op kinderopvangtoeslag. De bewijslast rust bij Dienst Toeslagen, omdat Dienst Toeslagen erkent dat toeslagen op nihil zijn gesteld zonder verdere uitvraag. Onder deze omstandigheden kan van eiseres daarom niet, na meer dan de bewaartermijn van administratieve stukken, worden verwacht dat zij met aanvullende stukken komt.

14. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft vanaf het begin van de herbeoordelingsprocedure, dat is vanaf het oudergesprek op 20 september 2010, aangegeven dat zij zich niet kan herinneren wanneer haar dochter gebruik maakte van opvang en dat zij zich niet kan herinneren wanneer zij gewerkt heeft, gestudeerd heeft of een uitkering ontving. Daarnaast blijkt uit de informatie bij Dienst Toeslagen over 2010 dat er in de Koi-viewer geen informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat er kinderopvang is genoten, terwijl in de Koi-viewer van de jaren daarvoor die informatie er wel in stond. Ook is er geen informatie beschikbaar waaruit blijkt dat eiseres doelgroeper is geweest. Over 2013 is ook niet gebleken dat belanghebbende heeft gewerkt dan wel gestudeerd heeft. Belanghebbende ontving een bijstandsuitkering en er is geen informatie beschikbaar waaruit blijkt dat zij doelgroeper is geweest. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen op grond van de in het dossier beschikbare gegevens niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er voor de jaren 2010 en 2013 “evident geen recht” op kinderopvangtoeslag bestaat.
Vervolgens wijzigt eiseres hangende beroep (en niet eerder dan in de aanvullende gronden) haar verklaring en herinnert zij zich dat zij werkte of in een re-integratietraject zat er dat er opvang is afgenomen. De rechtbank stelt vast dat de herinneringen van eiseres weinig concreet zijn en dat eiseres in het geheel geen gegevens heeft overgelegd die deze herinneringen onderbouwen, terwijl dat wel van haar verwacht mag worden. Met het enkele noemen van deze herinneringen heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2010 en 2013 kinderopvang heeft afgenomen.



14.1.
Op zitting is nog naar voren gekomen dat uit het RKT bestand over 2010 lijkt te volgen dat eiseres toen een inkomen had van € 10.160,- in plaats van de door Dienst Toeslagen gestelde € 160,-. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat iemand gewerkt heeft betekent niet dat er kinderopvang is afgenomen en er is verder geen enkele onderbouwing van de herinnering van eiseres dat zij in 2010 kinderopvang heeft afgenomen. Dat in het RKT bestand de naam [naam 2] wordt genoemd, maakt niet dat eiseres in dat jaar daar kinderopvang heeft genoten, omdat er buiten de genoemde naam geen enkele informatie is dat eiseres daadwerkelijk in 2010 (bij [naam 2] ) kinderopvang heeft afgenomen.



Tussenconclusie


15. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er over de jaren 2010 en 2013 sprake is van “evident geen recht op kinderopvangtoeslag”, omdat niet is gebleken dat er opvang is genoten of dat eiseres doelgroeper is geweest.



Is er strijd met het vertrouwensbeginsel?



16. Eiseres voert aan dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van 2010 is geschonden en dat zij voor dat jaar recht heeft op volledige compensatie. Zij onderbouwt dit onder meer door te wijzen op een e-mail van 31 oktober 2022 van de persoonlijk zaakbehandelaar die daarin meedeelt dat eiseres over het jaar 2010 volledige compensatie krijgt op basis van vooringenomen handelen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, komt eiseres een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toe.

17. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel geldt het volgende toetsingskader. Er moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste stap is dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Hierbij geldt dat bij de vraag of er sprake is van een toezegging, meer de nadruk moet worden gelegd op hoe een uitlating bij een redelijk denkende burger overkomt en minder op wat het bestuursorgaan daarmee bedoelde. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of, als er sprake is van een toezegging, die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Daarbij geldt dat een toezegging kan worden toegerekend aan het bevoegde orgaan, indien de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat degene die de toezegging heeft gedaan de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Indien beide voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. Daarbij moeten de betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen. Er kunnen tegenover het belang van degene bij wie gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, zwaarder wegende belangen zijn, gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en belangen van derden.

18. Tegen de achtergrond van dit kader overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de persoonlijk zaakbehandelaar op 31 oktober 2022 een e-mail heeft gestuurd naar de gemachtigde van eiseres. Daarin heeft de persoonlijk zaakbehandelaar – voor zover nu van belang - het volgende meegedeeld:


“Ik ben als Persoonlijk Zaakbehandelaar gekoppeld aan ouder [eiseres] voor de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Ik heb zojuist de uitkomst van de herbeoordeling met de ouder gedeeld. In het kort deel ik deze ook met u:
(…)

- Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 komt ouder [eiseres] in aanmerking voor volledige compensatie vanwege vooringenomenheid.”


De rechtbank stelt vast dat in deze e-mail een ondubbelzinnige concrete toezegging is gedaan dat eiseres voor het jaar 2010 in aanmerking komt voor compensatie. Die toezegging kan Dienst Toeslagen ook worden toegerekend. Het standpunt van Dienst Toeslagen dat een persoonlijk zaakbehandelaar niet bevoegd is om een herbeoordeling te maken, zodat de uitlatingen in de e-mail niet aan het bestuursorgaan kunnen worden toegerekend, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit, omdat de persoonlijk zaakbehandelaar hier niet een eigen oordeel meedeelt, maar de uitkomst van de door het bevoegde beoordelingsteam uitgevoerde herbeoordeling. Dat het verslag van het oudergesprek op 2 december 2022 aan de ouder is verstuurd en op 8 december 2022 de vooraankondiging van de compensatie met de ouder is besproken, waardoor het volgens Dienst Toeslagen gaat om een menselijke fout, waar eiseres geen vertrouwen aan kan ontlenen, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Dit, omdat deze stukken ruim een maand na de toezegging zijn verzonden, daarin nergens is vermeld wat er is besproken, en bovendien niet blijkt van een uitdrukkelijk herstel van de eerder gedane toezegging. Eiseres mocht daarom gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan deze mededeling en compensatie over 2010 verwachten. De rechtbank is niet gebleken van zwaarder wegende belangen als bedoeld in stap 3. De rechtbank ziet dat er door het beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren compensatie verleend moet worden voor een jaar waarvoor mogelijk niet eens een recht op compensatie bestaat, omdat eiseres dat voor 2010 niet aannemelijk heeft gemaakt. Maar juist bij de afwikkeling van de toeslagenaffaire moet Dienst Toeslagen op het moment dat zij de uitkomst van een herbeoordeling doorgeven nauwkeurig werken. Als Dienst Toeslagen dan een fout maakt en daarbij een concrete ondubbelzinnige toezegging doet waar een betrokkene gerechtvaardigd op mag vertrouwen, dan is Dienst Toeslagen aan die toezegging gehouden.
De rechtbank overweegt verder nog dat zij door het beroep op het vertrouwensbeginsel in deze zaak te honoreren geen precedentenwerking ziet, omdat niet in iedere zaak een e-mail zal zitten waarin door een persoonlijk zaakbehandelaar uitdrukkelijk wordt gewezen op de uitkomst van de herbeoordeling. Tot slot vindt de rechtbank dat eiseres tijdig, namelijk in haar bezwaarschrift, een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan.




Tussenconclusie


19. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt. Dit betekent dat Dienst Toeslagen eiseres over 2010 compensatie moet toekennen.



Is er recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?



20. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

21. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.

22. Het bezwaarschrift is door Dienst Toeslagen ontvangen op 15 februari 2023. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit, naar boven afgerond, 3 jaar en 7 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 1 jaar en 7 maanden is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 2.000,-.

23. De bezwaarprocedure heeft een jaar en bijna 11 maanden geduurd. Gelet op de termijn van maximaal zes maanden, is die termijn met een jaar en bijna 5 maanden overschreden door Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen dient daarom € 1.500,- aan eiseres te vergoeden.

24. De Staat dient de overige € 500,- te vergoeden. De beroepsprocedure heeft namelijk een jaar en bijna zeven maanden geduurd, gerekend vanaf het moment dat beroep is ingesteld tot de datum van deze uitspraak. Dat is een overschrijding van een maand die aan de rechtbank is toe te rekenen.





Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond, wegens een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dienst Toeslagen mocht de compensatie voor 2010 niet afwijzen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het gaat over compensatie voor 2010. De rechtbank ziet aanleiding, met toepassing van artikel 8:72a van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Zij doet dit door het besluit van 4 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH voor zover het de compensatie over 2010 betreft te herroepen en de hoogte van dit bedrag zelf vast te stellen op € 11.865,- Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit.

26. De rechtbank bepaalt dat Dienst Toeslagen het bedrag van € 11.865,- alsnog aan eiseres betaalt. Dienst Toeslagen dient tevens het griffierecht aan eiseres te vergoeden en eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten.

27. De rechtbank veroordeelt Dienst Toeslagen in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een wegingsfactor 0,5)

28. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-..




Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de compensatie over 2010 betreft;
- herroept het besluit van 4 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHI voor zover het de compensatie over 2010 betreft, stelt de definitieve compensatie over 2010 vast op € 11.865- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een bedrag van € 11.865,- aan eiseres;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 500,-;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen aan eiseres het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot betaling van € 2.335,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht


Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht


ECLI:NL:HR:2020:1670


ECLI:NL:RBAMS:2026:3643


ECLI:NL:RBROT:2024:3348


ECLI:NL:RVS:2025:5087


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864


ECLI:NL:RBDHA:2025:17804


ECLI:NL:RVS:2024:5413


Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2 e.v..