Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6037
2026-08-27
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 26/271
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep. Wabo, CHW. Omgevingsvergunning voor realiseren appartementengebouw met 64 appartementen. Procedurele beroepsgronden. Ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:118 Raad van State 18-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.109 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/271
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college)
(gemachtigde: mr. L. Knol).
Als derde-partijen nemen aan de procedure deel:
- [vergunninghouder] B.V (de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. U.E.M. Pinas), en
- de gemeenteraad van de gemeente Almere.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die aan de vergunninghouder is verleend voor het realiseren van een appartementengebouw met 64 appartementen aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel).
1.1.
Op 23 december 2020 heeft de vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een appartementengebouw met tien bouwlagen en een commerciële ruimte van 150m², bovenop een ondergrondse parkeergarage op het perceel. Het appartementengebouw heeft een terrasvorm, waarbij het gebouw aan de voorzijde vanaf de vijfde bouwlaag trapsgewijs oploopt naar 10 bouwlagen. Het bestaande gebouw op het perceel zal worden gesloopt. De aanvraag ziet op de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Eiser woont op korte afstand van het perceel aan het [adres 2] .
1.2.
Het college heeft het besluit op de aanvraag voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Met het besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
1.3.
Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daartegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college, namens vergunninghouder [A] en [B] , bijgestaan door mr. S.F. Knoop.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
2. Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Met de invoering van de Omgevingswet is ook de Chw ingetrokken. Omdat de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd, zijn in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen en de Chw nog van toepassing.
Toetsingskader
4. Op de locatie is het bestemmingsplan Staatsliedenwijk (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming Horeca en Groen. Binnen de bestemmingen Horeca en Groen is wonen niet toegestaan. Binnen de bestemming Horeca zijn gebouwen ten behoeve van de bestemmingsomschrijving met een bouwhoogte tot maximaal 8 meter toegestaan. Binnen de bestemming Groen is het bouwen van een appartementengebouw niet toegestaan. Ook ligt de locatie binnen bestemmingsplan Parapluherziening parkeren.
Is de procedure juist en zorgvuldig verlopen?
5. Eiser voert met name procedurele gronden aan tegen het bestreden besluit.
Hij vindt dat het college hem een persoonlijke en inhoudelijke reactie had moeten geven op de zienswijze die hij tegen de ontwerpvergunning heeft ingediend. Ook op de petitie van buurtbewoners, waaronder eiser zelf, heeft het college nooit inhoudelijk gereageerd. Eiser heeft alleen een ontvangstbevestiging per e-mail ontvangen. Het participatietraject stelde volgens eiser weinig voor en het aantal livestreams was lager dan het college stelt. Verder wijst eiser erop dat het college op 3 november 2025, na een eerdere publicatie van de ontwerpvergunning waartegen hij een zienswijze heeft ingediend, nogmaals een ontwerpvergunning heeft gepubliceerd, dat hij ook daartegen een zienswijze heeft ingediend en dat het college daarover in een e-mail van 9 december 2025 heeft aangegeven dat de publicatie van 3 november 2025 niet juist was. Het college heeft vervolgens op 16 december 2025 een rectificatie gepubliceerd. Eiser stelt tot slot dat de omgevingsvergunning is verleend vóórdat de definitieve bouwtekeningen aan het college zijn overgelegd. Eiser leidt dit af uit de omgevingsvergunning.
6. De rechtbank overweegt dat het college de in de Awb en Wabo voorgeschreven uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Op 31 december 2024 zijn een ontwerp-omgevingsvergunning en een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen (tezamen met een ontwerpbesluit hogere waarde geluid) ter inzage gelegd. Eenieder is in de gelegenheid gesteld daartegen een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Nadat de gemeenteraad van de gemeente Almere op 18 september 2025 de verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, heeft het college de omgevingsvergunning op 24 oktober 2025 verleend.
7. Er bestaat geen wettelijke verplichting om omwonenden van een project een inspraak- of participatiemogelijkheid te bieden, anders dan door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen en iedereen daarbinnen de mogelijkheid te bieden een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpbesluit. Het college heeft aan die verplichtingen voldaan. In de Nota van zienswijzen heeft het college gereageerd op de door eiser ingediende zienswijze. Uit deze Nota blijkt ook dat kennis is genomen van de petitie. Er is geen regelgeving die voorschrijft dat het college de indiener van een zienswijze een individuele reactie moet geven. Datzelfde geldt voor de indiener van een petitie.
8. Verder blijkt uit het participatieverslag met bijlagen van 11 januari 2021, gewijzigd op 10 juni 2025, dat er participatie heeft plaatsgevonden. Er zijn informatiebrieven verstuurd waarin omwonenden op de hoogte zijn gebracht van het project, van de informatiewebsite (Oasis City Almere) en van de online buurtinformatiebijeenkomsten op 29 oktober 2020 (3 online sessies) en 5 november 2020 (2 online sessies). Wat eiser aanvoert over de participatie doet niet af aan het feit dat participatie onder de Wabo niet verplicht was.
9. De rechtbank overweegt verder dat de verleende omgevingsvergunning op 3 november 2025 ten onrechte is gepubliceerd als zijnde een ontwerp-omgevingsvergunning. Het college heeft eiser echter, in reactie op de zienswijze die hij daartegen had ingebracht, geïnformeerd dat die publicatie niet juist was en heeft op 16 december 2025 de publicatie gerectificeerd in die zin dat de verleende omgevingsvergunning is gepubliceerd. Niet valt in te zien in welke belangen eiser is geschaad door deze gang van zaken.
10. Eiser voert verder aan dat de omgevingsvergunning is verleend vóórdat de definitieve bouwtekeningen aan het college zijn overgelegd. Eiser leidt dit af uit de omgevingsvergunning.
11. Het college moet een aanvraag omgevingsvergunning weigeren indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar zijn oordeel niet aannemelijk maken dat het bouwen van het aangevraagde bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De toets die het college moet uitvoeren, is een aannemelijkheidstoets en daarom komt het college bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de vergunninghouder overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit is voldaan.
12. In de Regeling Omgevingsrecht (Mor) zijn de indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning opgenomen. Uit de Mor volgt dat bepaalde gegevens op een later moment mogen worden overgelegd dan bij de indiening van de aanvraag. In de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt dan bepaald welke gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd. Dat is ook gebeurd in de omgevingsvergunning van 24 oktober 2025. De daarin genoemde nog over te leggen gegevens en bescheiden zijn geen bouwtekeningen, zoals eiser stelt. Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning had vergunninghouder de bouwtekeningen al overgelegd.
Is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?
13. Eiser voert aan dat hij het bouwplan te groot vindt en niet vindt passen op de locatie. Daarmee stelt hij dat de afwijking van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
14. Naar het oordeel van de rechtbank geeft eiser niet concreet aan op welke wijze en op welke concrete onderdelen hij de ruimtelijke onderbouwing tekort vindt schieten. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij aanneemt dat de rapporten die onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing technisch gezien op zich allemaal wel juist zullen zijn, maar hij vindt dat een goede ruimtelijke ordening verder gaat dan dat. De enkele stelling dat het afwijken van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening zonder daarvoor een concrete onderbouwing te geven is onvoldoende. De rechtbank ziet geen reden te concluderen dat het bouwplan niet past binnen een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1.1, eerste lid en onder a, van de Chw, jo. artikel 3.1 van Bijlage I bij de Chw.
Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:118.
Het wettelijk toetsingskader in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/271
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college)
(gemachtigde: mr. L. Knol).
Als derde-partijen nemen aan de procedure deel:
- [vergunninghouder] B.V (de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. U.E.M. Pinas), en
- de gemeenteraad van de gemeente Almere.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die aan de vergunninghouder is verleend voor het realiseren van een appartementengebouw met 64 appartementen aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel).
1.1.
Op 23 december 2020 heeft de vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een appartementengebouw met tien bouwlagen en een commerciële ruimte van 150m², bovenop een ondergrondse parkeergarage op het perceel. Het appartementengebouw heeft een terrasvorm, waarbij het gebouw aan de voorzijde vanaf de vijfde bouwlaag trapsgewijs oploopt naar 10 bouwlagen. Het bestaande gebouw op het perceel zal worden gesloopt. De aanvraag ziet op de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Eiser woont op korte afstand van het perceel aan het [adres 2] .
1.2.
Het college heeft het besluit op de aanvraag voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Met het besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
1.3.
Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daartegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college, namens vergunninghouder [A] en [B] , bijgestaan door mr. S.F. Knoop.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
2. Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Met de invoering van de Omgevingswet is ook de Chw ingetrokken. Omdat de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd, zijn in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen en de Chw nog van toepassing.
Toetsingskader
4. Op de locatie is het bestemmingsplan Staatsliedenwijk (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming Horeca en Groen. Binnen de bestemmingen Horeca en Groen is wonen niet toegestaan. Binnen de bestemming Horeca zijn gebouwen ten behoeve van de bestemmingsomschrijving met een bouwhoogte tot maximaal 8 meter toegestaan. Binnen de bestemming Groen is het bouwen van een appartementengebouw niet toegestaan. Ook ligt de locatie binnen bestemmingsplan Parapluherziening parkeren.
Is de procedure juist en zorgvuldig verlopen?
5. Eiser voert met name procedurele gronden aan tegen het bestreden besluit.
Hij vindt dat het college hem een persoonlijke en inhoudelijke reactie had moeten geven op de zienswijze die hij tegen de ontwerpvergunning heeft ingediend. Ook op de petitie van buurtbewoners, waaronder eiser zelf, heeft het college nooit inhoudelijk gereageerd. Eiser heeft alleen een ontvangstbevestiging per e-mail ontvangen. Het participatietraject stelde volgens eiser weinig voor en het aantal livestreams was lager dan het college stelt. Verder wijst eiser erop dat het college op 3 november 2025, na een eerdere publicatie van de ontwerpvergunning waartegen hij een zienswijze heeft ingediend, nogmaals een ontwerpvergunning heeft gepubliceerd, dat hij ook daartegen een zienswijze heeft ingediend en dat het college daarover in een e-mail van 9 december 2025 heeft aangegeven dat de publicatie van 3 november 2025 niet juist was. Het college heeft vervolgens op 16 december 2025 een rectificatie gepubliceerd. Eiser stelt tot slot dat de omgevingsvergunning is verleend vóórdat de definitieve bouwtekeningen aan het college zijn overgelegd. Eiser leidt dit af uit de omgevingsvergunning.
6. De rechtbank overweegt dat het college de in de Awb en Wabo voorgeschreven uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Op 31 december 2024 zijn een ontwerp-omgevingsvergunning en een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen (tezamen met een ontwerpbesluit hogere waarde geluid) ter inzage gelegd. Eenieder is in de gelegenheid gesteld daartegen een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Nadat de gemeenteraad van de gemeente Almere op 18 september 2025 de verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, heeft het college de omgevingsvergunning op 24 oktober 2025 verleend.
7. Er bestaat geen wettelijke verplichting om omwonenden van een project een inspraak- of participatiemogelijkheid te bieden, anders dan door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen en iedereen daarbinnen de mogelijkheid te bieden een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpbesluit. Het college heeft aan die verplichtingen voldaan. In de Nota van zienswijzen heeft het college gereageerd op de door eiser ingediende zienswijze. Uit deze Nota blijkt ook dat kennis is genomen van de petitie. Er is geen regelgeving die voorschrijft dat het college de indiener van een zienswijze een individuele reactie moet geven. Datzelfde geldt voor de indiener van een petitie.
8. Verder blijkt uit het participatieverslag met bijlagen van 11 januari 2021, gewijzigd op 10 juni 2025, dat er participatie heeft plaatsgevonden. Er zijn informatiebrieven verstuurd waarin omwonenden op de hoogte zijn gebracht van het project, van de informatiewebsite (Oasis City Almere) en van de online buurtinformatiebijeenkomsten op 29 oktober 2020 (3 online sessies) en 5 november 2020 (2 online sessies). Wat eiser aanvoert over de participatie doet niet af aan het feit dat participatie onder de Wabo niet verplicht was.
9. De rechtbank overweegt verder dat de verleende omgevingsvergunning op 3 november 2025 ten onrechte is gepubliceerd als zijnde een ontwerp-omgevingsvergunning. Het college heeft eiser echter, in reactie op de zienswijze die hij daartegen had ingebracht, geïnformeerd dat die publicatie niet juist was en heeft op 16 december 2025 de publicatie gerectificeerd in die zin dat de verleende omgevingsvergunning is gepubliceerd. Niet valt in te zien in welke belangen eiser is geschaad door deze gang van zaken.
10. Eiser voert verder aan dat de omgevingsvergunning is verleend vóórdat de definitieve bouwtekeningen aan het college zijn overgelegd. Eiser leidt dit af uit de omgevingsvergunning.
11. Het college moet een aanvraag omgevingsvergunning weigeren indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar zijn oordeel niet aannemelijk maken dat het bouwen van het aangevraagde bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De toets die het college moet uitvoeren, is een aannemelijkheidstoets en daarom komt het college bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de vergunninghouder overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit is voldaan.
12. In de Regeling Omgevingsrecht (Mor) zijn de indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning opgenomen. Uit de Mor volgt dat bepaalde gegevens op een later moment mogen worden overgelegd dan bij de indiening van de aanvraag. In de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt dan bepaald welke gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd. Dat is ook gebeurd in de omgevingsvergunning van 24 oktober 2025. De daarin genoemde nog over te leggen gegevens en bescheiden zijn geen bouwtekeningen, zoals eiser stelt. Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning had vergunninghouder de bouwtekeningen al overgelegd.
Is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?
13. Eiser voert aan dat hij het bouwplan te groot vindt en niet vindt passen op de locatie. Daarmee stelt hij dat de afwijking van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
14. Naar het oordeel van de rechtbank geeft eiser niet concreet aan op welke wijze en op welke concrete onderdelen hij de ruimtelijke onderbouwing tekort vindt schieten. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij aanneemt dat de rapporten die onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing technisch gezien op zich allemaal wel juist zullen zijn, maar hij vindt dat een goede ruimtelijke ordening verder gaat dan dat. De enkele stelling dat het afwijken van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening zonder daarvoor een concrete onderbouwing te geven is onvoldoende. De rechtbank ziet geen reden te concluderen dat het bouwplan niet past binnen een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1.1, eerste lid en onder a, van de Chw, jo. artikel 3.1 van Bijlage I bij de Chw.
Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:118.
Het wettelijk toetsingskader in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.