Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5952

2026-08-25 Bestuursrecht UTR 26/7014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/7014
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening (vovo). Het CBR heeft aan verzoeker een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd in plaats van een gedragsmaatregel (LEMG), omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat hij dit rijvaardigheidsonderzoek niet hoeft te doen totdat is beslist op zijn beroep. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.826 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/7014


uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker


en




het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR om aan hem een rijvaardigheidsonderzoek op te leggen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

3. Het CBR heeft met het besluit van 10 februari 2025 aan verzoeker een Lichte Educatie Maatregel Gedrag (LEMG) opgelegd. Met het besluit van 26 juni 2025 heeft het CBR de LEMG omgezet naar een rijvaardigheidsonderzoek, omdat is gebleken dat verzoeker de Nederlandse taal niet machtig is. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



Beoordeling door de voorzieningenrechter



Het verzoek


4. Het CBR heeft met de brief van 10 juni 2026 aan verzoeker laten weten dat het rijvaardigheidsonderzoek op 3 september 2026 om 08:00 zal plaatsvinden. Bij het indienen van de voorlopige voorziening heeft verzoeker deze brief bijgevoegd als bestreden besluit.




Voorlopige voorziening en oproep rijvaardigheidsonderzoek


5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. De oproep voor het rijvaardigheidsonderzoek is echter geen besluit in de zin van de Awb omdat het op feitelijke gevolgen is gericht en niet op rechtsgevolgen. Het verzoek is in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.



Voorlopige voorziening en besluit opleggen rijvaardigheidsonderzoek


6. De voorzieningenrechter vat het verzoek zo op dat verzoeker ook vraagt om schorsing van de beslissing op bezwaar van 7 augustus 2025 waarmee het rijvaardigheidsonderzoek wordt opgelegd. Het verzoek is dus samenhangend met de beroepsprocedure tegen dit besluit.



Spoedeisend belang


7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als een onomkeerbare situatie dreigt en de beroepsprocedure daarom niet kan worden afgewacht.

8. Verzoeker vindt dat hij een spoedeisend belang heeft. Verzoeker moet namelijk het rijvaardigheidsonderzoek afleggen voordat in de bodemprocedure is beslist of het opleggen daarvan rechtmatig is. Volgens verzoeker leidt dit tot onomkeerbare gevolgen. Als het rijbewijs van verzoeker ongeldig wordt verklaard na het rijvaardigheidsonderzoek zal hij zijn werk en inkomen verliezen. Verzoeker is namelijk verplicht om een rijbewijs te hebben voor zijn werk.

9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker nog steeds in het bezit is van zijn rijbewijs en dat dit rijbewijs nog steeds geldig is. Verzoeker vreest dat als hij niet slaagt voor het rijvaardigheidsonderzoek zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard en hij daardoor zijn baan verliest.

10. De voorzieningenrechter overweegt dat ongeldigverklaring van het rijbewijs geen direct gevolg is van het bestreden besluit. De mogelijkheid dat verzoeker niet zou slagen voor het rijvaardigheidsonderzoek is in de eerste plaats een onzekere toekomstige gebeurtenis. Het CBR heeft op dat punt verder opgemerkt dat het rijbewijs niet ongeldig wordt verklaard voordat verzoeker de gelegenheid heeft gehad om een eventueel tweede rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zijn rijbewijs mogelijk ongeldig wordt verklaard.

11. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Dit betekent dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CBR ingenomen standpunt juist is en het bestreden besluit niet tot de bodemprocedure in stand kan blijven. Van evidente onrechtmatigheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar uitspraken van de rechtbanken Rotterdam en Oost-Brabant waarin samengevat is geoordeeld dat het geen verboden discriminatie is om een rijvaardigheidsonderzoek op te opleggen in plaats van een LEMG als de betrokkene de Nederlandse taal niet machtig is.



Conclusie en gevolgen


12. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de oproep voor het rijvaardigheidsonderzoek. Het verzoek is kennelijk ongegrond voor zover het samenhangt met het besluit waarbij het rijvaardigheidsonderzoek is opgelegd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.















griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.


Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.


Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2025, vindplaats ECLI:NL:RBROT:2025:4290.


Uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Den Bosch, van 7 februari 2025, vindplaats ECLI:NL:RBOBR:2025:639.