Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5908
2026-07-29
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/613759 / JE RK 26-966
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing. Artikel 1:265f BW beperking omgang.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.331 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/613759 / JE RK 26-966
Datum uitspraak: 29 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een bekrachtiging schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in zonder bekende woon- of verblijfplaats,
[vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: [A] en [B] , namens de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 februari 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 13 februari 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 13 februari 2027.
2.4.
De GI heeft op 13 mei 2026 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt beperkt:
“De GI geeft de volgende aanwijzingen:
De omgangsmomenten tussen moeder en de kinderen worden per direct stopgezet.
Moeder werkt aan de gestelde voorwaarden:
o De moeder is aangemeld bij en onder begeleiding van hulpverlening gericht op dak- of thuislozen (bijvoorbeeld Tussenvoorziening, Stadsteam Back-up, et cetera), bij het terugwerken naar verbetering van haar persoonlijke situatie.
o De moeder heeft behandeling voor haar persoonlijke (psychische/mentale/verslavings) problematiek.
o De moeder heeft haar emoties onder controle, zodat de kinderen geen getuige zijn van verbaal grensoverschrijdend gedrag of dat zij belast worden met volwassenenzaken. Moeder geeft toestemming dat de jeugdbeschermers contact hebben met de behandelaar om een inschatting te kunnen maken van de voortgang van de behandeling van moeder en of een veilige omgang mogelijk is tussen moeder en de kinderen.
o De moeder is nuchter op de dag van de begeleide omgang. Indien de omgang weer wordt hervat, is de moeder een uur voor de omgang aanwezig zodat de begeleiding kan kijken of moeder nuchter is en haar emoties onder controle heeft. Eventueel wordt gekeken of er een test kan worden afgenomen, zoals een speekseltest. De kinderen worden hierdoor niet geconfronteerd met een moeder onder invloed en het ongeremde, emotionele gedrag wat hiermee gepaard gaat.
o Indien de omgang hervat wordt, laat moeder zien dat zij haar emoties onder controle heeft tijdens de omgang. Zij gedraagt zich rustig en respectvol naar de begeleiding, zodat de kinderen geen getuige zijn grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast belast moeder de kinderen niet met persoonlijke problemen of andere volwassenenzaken die niet voor kinderen bestemd zijn.
Moeder zoekt geen contact met de kinderen buiten de omgangsmomenten. Moeder komt niet meer op plekken waar de kinderen verblijven, zoals de woning of scholen.
Moeder heeft op een respectvolle manier contact met de gezinsvoogden en betrokken hulpverlening.
Moeder neemt direct contact op met SAVE of via haar persoonlijke hulpverlener.”
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De beoordeling
De beslissing
4.1.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing van 13 mei 2026 bekrachtigen. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het wettelijk kader
4.2.
Voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van een minderjarige, kan de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Zo’n beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing. De GI kan de kinderrechter verzoeken om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
4.3.
Het beperken van contact tussen ouders en kinderen betekent een inbreuk op het recht op eerbieding van het gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze inbreuk mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
4.4.
Omdat een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht moet de kinderrechter ook beoordelen of de aanwijzing voldoet aan de zogenoemde ‘beginselen van behoorlijk bestuur’. De schriftelijke aanwijzing moet dus zorgvuldig zijn voorbereid en toereikend zijn gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven, moet worden bedacht dat aan de GI een zekere beleidsvrijheid toekomt. De kinderrechter dient, gegeven de taak van de GI, te bezien of er voldoende grond is om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.
De voorbereiding
4.5.
Uit de stukken volgt dat de GI de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig heeft voorbereid. De GI heeft geprobeerd om de schriftelijke aanwijzing op 30 april 2026 met de moeder te bespreken, maar dit is niet gelukt. De GI geeft aan dat een constructief gesprek met de moeder al langere tijd niet mogelijk is. Daarbij is de moeder momenteel telefonisch niet meer goed bereikbaar, omdat zij haar telefoon aan een kennis van haar heeft gegeven als onderpand voor verblijf. Omdat de gesprekken via de kennis verliepen, kon aan de telefoon niet alle inhoudelijke informatie veilig worden gedeeld. De GI heeft de moeder daarom via de hulpverlening van U-centraal uitgenodigd voor een gesprek, maar de moeder staat hier niet voor open. Verder zou de GI een bericht hebben ontvangen dat de moeder naar Marokko zou vertrekken voor werk. Het is daarom onduidelijk waar de moeder op dit moment verblijft en op welke manier zij te bereiken is.
De inhoudelijke beoordeling
4.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI de schriftelijke aanwijzing ook voldoende heeft gemotiveerd. In de schriftelijke aanwijzing staat dat de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen worden stopgezet. De GI is van mening dat de moeder eerst aan de gestelde voorwaarden moet voldoen, voordat de begeleide omgang kan worden hervat. De kinderrechter volgt dit standpunt van de GI. Er zijn al langere tijd zorgen over het (ontbreken van) contact tussen de moeder en de kinderen. De GI heeft op 8 april 2026 al eerder een schriftelijke aanwijzing afgegeven, omdat de moeder niet meewerkte aan de begeleide omgang en er zorgen waren over het feit dat de moeder steeds onverwachts contact zoekt met de kinderen. Zo is de moeder op vrijdag 20 maart 2026 naar de school van [minderjarige 1] gekomen en heeft zij hem een briefje gegeven. Daarnaast heeft de moeder bij het hek van de school van [minderjarige 2] gestaan toen zij uit was van school. Vervolgens heeft er op 11 april 2026 tijdens de begeleide omgang een voorval plaatsgevonden. De moeder kwam te laat en was geëmotioneerd en geagiteerd. De begeleiding had bovendien de indruk dat de moeder op dat moment onder invloed was van alcohol. Daarbij heeft de moeder in strijd met de afspraken een geluidsopname gemaakt van het contactmoment. Naar aanleiding van dit incident heeft [instelling] aangegeven dat zij de omgang niet meer zullen begeleiden, zolang de moeder niet wordt geholpen met haar persoonlijke problematiek. De kinderen worden tijdens de omgang namelijk blootgesteld aan spanning en onveiligheid en worden geconfronteerd met uitspattingen van ongepast gedrag van de moeder naar de begeleiding. De GI heeft vervolgens voorwaarden opgesteld voor de begeleide omgang tussen de moeder en de kinderen en op 13 mei 2026 een nieuwe schriftelijke aanwijzing gegeven. Op 18 juni 2026 heeft de moeder, in strijd met de schriftelijke aanwijzing, opnieuw [minderjarige 2] opgezocht in de buurt van de school. Daarnaast heeft zij zich ook niet aan de andere afspraken van de schriftelijke aanwijzing gehouden. De kinderrechter vindt de situatie zeer zorgelijk, omdat de kinderen hier last van ondervinden. [minderjarige 2] vertoont sterke signalen van onveiligheid. Volgens de school was zij zichtbaar ontdaan toen de moeder bij school verscheen. De dagen daarna is dat gevoel blijven hangen. [minderjarige 2] is onrustig en bang en zou met tegenzin naar school gaan. Eerder heeft de GI een gesprek gevoerd met [minderjarige 2] op haar school. Ook toen werd gemerkt dat [minderjarige 2] erg alert is op het moment dat de bel gaat. Zij zou zich dan zorgen maken over of moeder bij de school zou staan. Hetzelfde geldt voor [minderjarige 1] die in eenzelfde soort gesprek aangaf zich hierover zorgen te maken.
4.7.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter met de GI van oordeel dat het op dit moment in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder medewerking verleent aan de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de begeleide omgang op termijn weer wordt hervat, maar alleen nadat de moeder aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. Onder de huidige omstandigheden is het niet in het belang van de kinderen om contact te hebben met de moeder. Daarnaast is het in het belang van de kinderen dat de moeder hen niet meer zomaar opzoekt en (op een respectvolle manier) contact heeft met de GI en de betrokken hulpverleners. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, toewijzen.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 13 mei 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.S. Bamberg als griffier, en op schrift gesteld op 10 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265f, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 1:263, derde lid, BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/613759 / JE RK 26-966
Datum uitspraak: 29 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een bekrachtiging schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in zonder bekende woon- of verblijfplaats,
[vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: [A] en [B] , namens de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 februari 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 13 februari 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 13 februari 2027.
2.4.
De GI heeft op 13 mei 2026 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt beperkt:
“De GI geeft de volgende aanwijzingen:
De omgangsmomenten tussen moeder en de kinderen worden per direct stopgezet.
Moeder werkt aan de gestelde voorwaarden:
o De moeder is aangemeld bij en onder begeleiding van hulpverlening gericht op dak- of thuislozen (bijvoorbeeld Tussenvoorziening, Stadsteam Back-up, et cetera), bij het terugwerken naar verbetering van haar persoonlijke situatie.
o De moeder heeft behandeling voor haar persoonlijke (psychische/mentale/verslavings) problematiek.
o De moeder heeft haar emoties onder controle, zodat de kinderen geen getuige zijn van verbaal grensoverschrijdend gedrag of dat zij belast worden met volwassenenzaken. Moeder geeft toestemming dat de jeugdbeschermers contact hebben met de behandelaar om een inschatting te kunnen maken van de voortgang van de behandeling van moeder en of een veilige omgang mogelijk is tussen moeder en de kinderen.
o De moeder is nuchter op de dag van de begeleide omgang. Indien de omgang weer wordt hervat, is de moeder een uur voor de omgang aanwezig zodat de begeleiding kan kijken of moeder nuchter is en haar emoties onder controle heeft. Eventueel wordt gekeken of er een test kan worden afgenomen, zoals een speekseltest. De kinderen worden hierdoor niet geconfronteerd met een moeder onder invloed en het ongeremde, emotionele gedrag wat hiermee gepaard gaat.
o Indien de omgang hervat wordt, laat moeder zien dat zij haar emoties onder controle heeft tijdens de omgang. Zij gedraagt zich rustig en respectvol naar de begeleiding, zodat de kinderen geen getuige zijn grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast belast moeder de kinderen niet met persoonlijke problemen of andere volwassenenzaken die niet voor kinderen bestemd zijn.
Moeder zoekt geen contact met de kinderen buiten de omgangsmomenten. Moeder komt niet meer op plekken waar de kinderen verblijven, zoals de woning of scholen.
Moeder heeft op een respectvolle manier contact met de gezinsvoogden en betrokken hulpverlening.
Moeder neemt direct contact op met SAVE of via haar persoonlijke hulpverlener.”
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De beoordeling
De beslissing
4.1.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing van 13 mei 2026 bekrachtigen. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het wettelijk kader
4.2.
Voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van een minderjarige, kan de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Zo’n beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing. De GI kan de kinderrechter verzoeken om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
4.3.
Het beperken van contact tussen ouders en kinderen betekent een inbreuk op het recht op eerbieding van het gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze inbreuk mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
4.4.
Omdat een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht moet de kinderrechter ook beoordelen of de aanwijzing voldoet aan de zogenoemde ‘beginselen van behoorlijk bestuur’. De schriftelijke aanwijzing moet dus zorgvuldig zijn voorbereid en toereikend zijn gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven, moet worden bedacht dat aan de GI een zekere beleidsvrijheid toekomt. De kinderrechter dient, gegeven de taak van de GI, te bezien of er voldoende grond is om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.
De voorbereiding
4.5.
Uit de stukken volgt dat de GI de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig heeft voorbereid. De GI heeft geprobeerd om de schriftelijke aanwijzing op 30 april 2026 met de moeder te bespreken, maar dit is niet gelukt. De GI geeft aan dat een constructief gesprek met de moeder al langere tijd niet mogelijk is. Daarbij is de moeder momenteel telefonisch niet meer goed bereikbaar, omdat zij haar telefoon aan een kennis van haar heeft gegeven als onderpand voor verblijf. Omdat de gesprekken via de kennis verliepen, kon aan de telefoon niet alle inhoudelijke informatie veilig worden gedeeld. De GI heeft de moeder daarom via de hulpverlening van U-centraal uitgenodigd voor een gesprek, maar de moeder staat hier niet voor open. Verder zou de GI een bericht hebben ontvangen dat de moeder naar Marokko zou vertrekken voor werk. Het is daarom onduidelijk waar de moeder op dit moment verblijft en op welke manier zij te bereiken is.
De inhoudelijke beoordeling
4.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI de schriftelijke aanwijzing ook voldoende heeft gemotiveerd. In de schriftelijke aanwijzing staat dat de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen worden stopgezet. De GI is van mening dat de moeder eerst aan de gestelde voorwaarden moet voldoen, voordat de begeleide omgang kan worden hervat. De kinderrechter volgt dit standpunt van de GI. Er zijn al langere tijd zorgen over het (ontbreken van) contact tussen de moeder en de kinderen. De GI heeft op 8 april 2026 al eerder een schriftelijke aanwijzing afgegeven, omdat de moeder niet meewerkte aan de begeleide omgang en er zorgen waren over het feit dat de moeder steeds onverwachts contact zoekt met de kinderen. Zo is de moeder op vrijdag 20 maart 2026 naar de school van [minderjarige 1] gekomen en heeft zij hem een briefje gegeven. Daarnaast heeft de moeder bij het hek van de school van [minderjarige 2] gestaan toen zij uit was van school. Vervolgens heeft er op 11 april 2026 tijdens de begeleide omgang een voorval plaatsgevonden. De moeder kwam te laat en was geëmotioneerd en geagiteerd. De begeleiding had bovendien de indruk dat de moeder op dat moment onder invloed was van alcohol. Daarbij heeft de moeder in strijd met de afspraken een geluidsopname gemaakt van het contactmoment. Naar aanleiding van dit incident heeft [instelling] aangegeven dat zij de omgang niet meer zullen begeleiden, zolang de moeder niet wordt geholpen met haar persoonlijke problematiek. De kinderen worden tijdens de omgang namelijk blootgesteld aan spanning en onveiligheid en worden geconfronteerd met uitspattingen van ongepast gedrag van de moeder naar de begeleiding. De GI heeft vervolgens voorwaarden opgesteld voor de begeleide omgang tussen de moeder en de kinderen en op 13 mei 2026 een nieuwe schriftelijke aanwijzing gegeven. Op 18 juni 2026 heeft de moeder, in strijd met de schriftelijke aanwijzing, opnieuw [minderjarige 2] opgezocht in de buurt van de school. Daarnaast heeft zij zich ook niet aan de andere afspraken van de schriftelijke aanwijzing gehouden. De kinderrechter vindt de situatie zeer zorgelijk, omdat de kinderen hier last van ondervinden. [minderjarige 2] vertoont sterke signalen van onveiligheid. Volgens de school was zij zichtbaar ontdaan toen de moeder bij school verscheen. De dagen daarna is dat gevoel blijven hangen. [minderjarige 2] is onrustig en bang en zou met tegenzin naar school gaan. Eerder heeft de GI een gesprek gevoerd met [minderjarige 2] op haar school. Ook toen werd gemerkt dat [minderjarige 2] erg alert is op het moment dat de bel gaat. Zij zou zich dan zorgen maken over of moeder bij de school zou staan. Hetzelfde geldt voor [minderjarige 1] die in eenzelfde soort gesprek aangaf zich hierover zorgen te maken.
4.7.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter met de GI van oordeel dat het op dit moment in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder medewerking verleent aan de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de begeleide omgang op termijn weer wordt hervat, maar alleen nadat de moeder aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. Onder de huidige omstandigheden is het niet in het belang van de kinderen om contact te hebben met de moeder. Daarnaast is het in het belang van de kinderen dat de moeder hen niet meer zomaar opzoekt en (op een respectvolle manier) contact heeft met de GI en de betrokken hulpverleners. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, toewijzen.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 13 mei 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.S. Bamberg als griffier, en op schrift gesteld op 10 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265f, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 1:263, derde lid, BW.