Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5888

2026-08-28 Bestuursrecht UTR 25/5025
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5025
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wht. bij pandbelening is er geen sprake van een vordering die opeisbaar kan worden, zoals bedoeld in artikel 4:1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.639 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/5025


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),


en


De Minister van Financiën, /de Programmadirecteur Schulden
(gemachtigde: mr. H. Polat).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de overname van private schulden van eiseres. De minister heeft geweigerd een ingediend bedrag van € 5.850,- over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het daar niet mee eens en heeft daartegen gronden ingediend. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het door eiseres ingediende bedrag niet voor overname in aanmerking komt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van een schuld van eiseres bij de Stadsbank van Lening Gemeente Amsterdam. De uitvoeringsorganisatie die namens de minister zorg draagt voor de uitvoering van het Besluit private schulden, de Sociale Banken Nederland (SBN), heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Na behandeling op zitting is de uitspraaktermijn verlengd. De rechtbank heeft in de verlengde termijn geen uitspraak kunnen doen. Op 20 juli 2026 is partijen gevraagd of zij er bezwaar tegen hebben dat het beroep door een andere rechter zal worden behandeld, waarbij de rechtbank een nieuwe mondelinge behandeling niet nodig achtte. Geen van de partijen heeft laten weten hier bezwaar tegen te hebben, daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet opnieuw behandeld op een zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit



3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft een aanvraag ingediend om een schuld over te nemen. Het gaat om een schuld van € 5.850,00 bij de Stadsbank van Lening Gemeente Amsterdam. Die schuld is ontstaan doordat eiseres sieraden heeft verpand en daarvoor een geldbedrag heeft ontvangen (pandbelening). De minister heeft de aanvraag in het bestreden besluit afgewezen, omdat er voor eiseres geen terugbetalingsverplichting is en daarmee geen sprake is van een opeisbare geldschuld. Het ter overname ingediende bedrag voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht.



Toetsingskader



4. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor deze uitspraak is artikel 4.1. van de Wht van belang. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat het moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.



Heeft de minister op goede gronden de pandschuld van eiseres niet overgenomen?



5. Eiseres voert aan dat zij een opeisbare schuld heeft, althans dat de schuld die zij heeft daarmee gelijkgesteld moet worden. Immers, de schuld vormt vanaf het ontstaan een direct beletsel om de sieraden terug te krijgen. Eiseres meent dat pandbelening een schuld is en verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2024. Eiseres hecht eraan dat de rechtbank zich uitspreekt over deze vraag, omdat zij als een pandbelening een schuld is, die kan inbrengen bij de Commissie van Wijzen. Verder voert eiseres aan dat uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt, dat ouders zoveel mogelijk een kans geboden moet worden op een nieuwe start, en dat dat niet kan als eiseres haar sieraden achter moet laten. Ook is het de bedoeling dat gedupeerden ruimhartig worden gecompenseerd. Die ruimhartigheid moet doorwerken in de eis van opeisbaarheid.



Opeisbare schuld



6. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de terugbetaling van de beleensom van eiseres aan de kredietbank niet overgenomen hoeft te worden. Bij pandbelening is namelijk, gelet op de aard daarvan, geen sprake van een opeisbare schuld. Bij niet volledige terugbetaling van de geldsom of voldoening van de pandbeleningsvergoeding binnen de gestelde termijn, wordt of blijft het pandhuis namelijk eigenaar van de beleende goederen. Daarmee is geen sprake van een vordering die opeisbaar kan worden in de zin van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht. Dus voldoet ook de schuld uit pandbeleningen niet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Dit blijkt ook uit de reactie van de Stadsbank van Lening zelf waarin staat dat eiseres een pandkrediet heeft afgenomen en dat niet tijdig aflossen van de lening resulteert in verkoop van de ingebrachte items en er nooit een vordering zal zijn. De vraag van eiseres of het hier gaat om een schuld die bij de Commissie van Wijzen voor vergoeding in aanmerking kan komen, valt buiten de reikwijdte van dit geding en kan daarom onbeantwoord blijven.

7. Ten aanzien van de gestelde nieuwe start die geboden moet worden met de regeling en de ruimhartige compensatie die moet doorwerken in de eis van opeisbaarheid overweegt de rechtbank het volgende.
De regeling met betrekking tot het overnemen van private schulden is verduidelijkt in de Memorie van Toelichting en de rechtspraak over de Wht. De overname van schulden op grond van de Wht is specifiek bedoeld om gedupeerde ouders een nieuwe start te bieden door te voorkomen dat zij verder in de (problematische) schulden raken doordat zij te maken krijgen met incassomaatregelen. Er wordt pas tot incassomaatregelen overgegaan als een schuld opeisbaar is en niet kan worden voldaan. Het overnemen van private schulden is bedoeld om te voorkomen dat de schuldeiser voor die opeisbare hoofdsom alsnog incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder daardoor in de problemen komt. Die nieuwe start is dus niet gelegen in het vrijwaren van álle schulden. De eis van opeisbaarheid is dus bewust gesteld en een beroep op ruimhartigheid of een nieuwe start kan daar niet aan afdoen.



Slaagt een beroep op de hardheidsclausule?



8. Eiseres voert aan dat haar schuld moet worden gelijkgesteld met een opeisbare schuld, omdat dit anders leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Eiseres onderbouwt deze stelling door erop te wijzen dat zij geholpen moet worden met het maken van een nieuwe start en dat dat alleen kan als de minister onderkent dat leden van de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap behoren tot de grootste klantengroep van pandhuizen en terugkoopwinkels. Uit de MvT volgt dat niet is nagedacht over een schuld aan een pandhuis, maar bijvoorbeeld wel aan een hypothecaire schuld die is uitgezonderd van de regeling. Ook moet de gestelde ruimhartigheid van de Wht ertoe leiden dat de minister haar schuld overneemt. Eiseres kan steeds moeilijker de rente opbrengen en dat zal uiteindelijk resulteren in de verkoop van de sieraden die emotionele waarde voor haar hebben. Eiseres vindt dat aansluiting moet worden gezocht bij een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2025.

9. Op grond van artikel 9.1 van de Wht kan van artikel 4.1 van de Wht worden afgeweken voor zover toepassing van dat artikel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zoals de Afdeling heeft overwogen in bijvoorbeeld haar uitspraak van 13 mei 2026, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen.

10. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres en begrijpt dat de sieraden emotionele waarde voor haar hebben, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden kunnen oordelen dat de situatie van eiseres onvoldoende schrijnend is als bedoeld in de hardheidsclausule. Het argument van eiseres dat zij behoort tot een bevolkingsgroep die bij uitstek gebruik maakt van pandjeshuizen en dat daarom de pandbelening tot een uitzondering gemaakt had moeten worden, volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor uiteen is gezet heeft de wetgever de opeisbaarheid van een schuld van belang geacht en omdat een pandschuld nooit opeisbaar is ,komt die op die grond niet voor vergoeding in aanmerking. Het tegenwerpen van dit wettelijke vereiste leidt daarom niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vergelijking met een hypothecaire schuld gaat mank. Ten eerste omdat een hypothecaire schuld wel een opeisbare schuld is en ten tweede omdat in beginsel alleen de achterstallige betalingen waarvoor incasso dreigt, worden overgenomen en niet ook de hoofdschuld.
Aan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2025, waar eiseres naar verwijst, komt niet de door haar gewenste betekenis toe. In deze uitspraak had een bewindvoerder, ondanks herhaalde verzoeken van de betrokkene, nagelaten tijdig een aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in te dienen, terwijl alleen de bewindvoerder gerechtigd was een dergelijke aanvraag in te dienen. Die situatie doet zich hier niet voor. De minister heeft in dit geval terecht geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.



Conclusie en gevolgen


11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de schuld van eiseres niet wordt overgenomen door Dienst Toeslagen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBAMS:2024:4286, r.o. 11.


Uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2069, r.o. 9.1).


Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr 3.


Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 44-45.


ECLI:NL:RBAMS:2025:6170


ECLI:NL:RVS:2026:2734